Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van Handel. 26 : 18. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Handel. 26 : 18. (Vervolg.)

9 minuten leestijd

De verklaring des Heeren Jesus in de woorden onzer overdenking, en zoovele andere getuigenissen der Heilige Schrift moesten den mensch genoegzaam wezen, om den wraan aangaande zijn verstand en zijnen wil in de kennisse Gods en Zijner zaligheid af te leggen , — was hij niet zóó blind, dat hij dit alles niet ziet, zóó doof, dat hij er niets van hoort. Intusschen staat het vast, dat, indien een mensch niet wedergeboren wordt, hij het Koninkrijk Gods niet zien kan. Heeft de mensch nog verstand en wil, zoo is dit genoegzaam om zijne verdoemenis te verzwraren, maar den waan, dat hij er wat mede vermag, om God te kennen en tot God te komen, zal hij moeten afleggen voor 's Heeren Woord : „Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen den wijzen en verstandigen hebt verborgen , en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja Vader! alzoo is geweest het welbehagen voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijnen Vader, en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon , en dien het de Zoon wil openbaren." Zijn niet alle menschen zonder Christus, dat groote Licht, blind, als het van Christus heet: „Hij is het Licht, dat een iegelijk mensch verlicht, komende in de wereld"?
Wat kan de mensch met zijnen wil, als het heet: „Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft hetzelve niet begrepen" ? Waarlijk, indien de Heidenen verstand gehad hadden, het was niet van hen waar geworden: „Zich uitgevende voor wijzen zijn zij dwazen geworden, en hebben veranderd de heerlijkheid Gods in een vergankelijk beeld;" waarlijk, indien zij een vrijen wril hadden gehad, zij hadden zich niet overgegeven om hunne eigene lichamen te schenden met ziclizelven, en het natuurlijk gebruik des lichaams te veranderen in een gebruik tegen natuur. Ik betuig het in den Heere, schrijft Paulus, de Heidenen wTandelen in de ijdelheid huns gemoeds, verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding hunner harten, die ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinheid gierig te bedrijven.
Van de Joden en van alle rechtvaardigen door wrerken van wet heet het tot op den huidigen dag: „Waanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. Niemand van de oversten der wereld heeft Gods wijsheid gekend, want indien zij die gekend hadden , zij zouden den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben. Dat is de wijsheid der wereld, dat zij door hare wijsheid God niet gekend heeft, — en heeft niet God de wijsheid dezer wereld dwaas gemaakt? Zoo is het dwaze Gods wijzer dan de menschen, en het zwakke Gods sterker dan de menschen, en blijft Christus alleen der uitverkorenen Wijsheid. Of aanzie de Joden en hunnen godsdienst, welk een onverstand, terwijl zij het Evangelie kunnen kennen, en wrelk een onwil, welk eene gebondenheid onder de macht des Satans, — zij willen geene vergeving van zonden in het bloed van Jesus vau Nazareth, en wat goeds Hij ook gedaan heeft, en wrat wonderen er ook op Golgotha gebeurden, zij vervloeken den Naam , waarin alleen hunne zaligheid is. Of aanzie de Heidenen , hun knielen voor de stomme afgoden, — het Heidensch Rome hield en houdt evenals heel de Heidenwereld met verstand en wil zich ver van de banier des kruises, — maar aanzie ons eigen volk, waar het den sabbat des Heeren in alle brooddronkenheid en losgelatenheid schendt, waar des Heeren Wet bij hoog en laag met voeten getreden wordt, verstanden wil ontdekt gij er meer dan bij eenig ander volk der aarde, maar omtrent de kennisse der Zaligheid, om den wril God te eeren, en Zijnen wil te doen, hoe waar is het van hetzelve: „Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de kribbe zijns heeren; maar Israël heeft geene kennis, Mijn volk verstaat niet" Jes. 1 : 3. Maar aanzie eindelijk een iegelijk zichzelven, wat belijdt hij, zoo hem zijne oogen zijn opengedaan? „Wij dwaalden allen als schapen, een iegelijk keerde zich naar zijnen weg" — ontdoe u eens zelf van de banden en boeien der zonde en der vijandschap tegen God, als gij gaarne m o c h t , — zie eens, of gij wat ziet, zoo gij zien m o c h t en geen licht hebt.
Ach, sedert de duivel onze eerste ouders had wijsgemaakt, dat hunne oogen zouden opengaan, dat zij zouden wezen als God, en weten wat goed en kwaad is, — wat al onverstand en boosheid bij den besten, bij den edelsten, bij den wijssten, bij den sterksten in wilskracht, in betrekking tot God, tot Christus, tot der eigene ziele zaligheid. „Uwe wijsheid en wetenschap heeft u afkeerig gemaakt;" heet het tot het Babel aller eeuwen. Jes. 17: 10.
„Ik zie het betere en keur het goed en kies wat slecht is" is eene bekende spreuk. De wijsste der koningen strekt ten bewijze, wat er zelfs van des bekeerden wijsheid wrordt, als God hem alleen laat gaan, en hij sloot daarom, door schade en schande geleerd, zijn wijsheidsboek met deze verklaring: „Ik ben onvernuftiger dan iemand , en ik heb geen menschenverstand. En ik heb geene wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend." Daarom ook die Apostel, — die boven zijne tijdgenooten in wijsheid en in geleerdheid uitblonk, die onderwezen wTas aan de voeten Gamaliëls, — nadat hij geleerd had, hoe een mensch met al zijn verstand Christus haten, en met al zijnen wil slechts ter dood toe vervolgen kan, hetgeen alleen zijn geluk uitmaakt, na zijne bekeering van niets w7ilde weten dan van Christus, Gods wijsheid en Gods kracht, ons tot wijsheid gegeven, opdat wij in Christus alleen gerechtigheid hebben en sterkte. Zoo blijft dan die waarheid staan : „Zij zullen allen van God geleerd zijn; een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij." (Joh. 6: 45.) Zoo blijft dan ook die verbondsbelofte vast: „Zij zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere: want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken." (Jerem. 31 : 34.)
Naardien wij vernomen hebben, dat wij zonder verlichting der oogen, zooals de Heere ze geeft door Zijn Woord en Geest, blind zijn, zoo laat ons bij aanvang of voortgang vóór alle dingen tot den eenigen Arts ons begeven, om in Zijn Evangelie verlichting der oogen te bekomen, opdat wij waarachtige bekeering mogen ontvangen hebben. Nemen wij de genade en weldaad des Heeren ter harte, dat Hij ons Zijn Evangelie geeft, dat wij Zijn Woord hebben. Leeren wij bij die eenige bron van kennis te blijven. Opening der oogen komt van den Ileere uit Zijn Woord, in ons is het licht niet. Zien wij heden niet, morgen gaan wellicht de oogen open. Het hangt hier alles af van Zijne vrije goedheid, maar gij verneemt het uit Zijne woorden, hoe de Heere die bij ons, onwaardigen, verheerlijken wil. Immers wil Hij de oogen openen, anders zendt Hij Zijn Woord niet. Dat bij ons het gebed zij: Heere Jesus, Gij Zoon Davids, ontferm U over mij, blinden, ontferm U over ons! — zoo zal Hij wel Zijn „Effatha" doen hooren — dat wij zeggen, al was het ook slijk, dat Hij ons op de oogen deed : ik wiesch mij, en ik zag, en: één ding weet ik, dat ik blind was, maar nu zie ik; en: o Heere, zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben de zoon Uwer dienstmaagd. Gr ij hebt mijne banden losgemaakt. — Zekerlijk, Hij Die de kromgebogene vrouw, me achttien jaren lang van den Satan gebonden was, eerst eene dochter Abrahams noemde en haar daarna rechtop deed gaan, is altijd gewillig, gebondenen Los te maken en hen tot Zijnen Yader te geleiden door Zijn Woord — zoo wij tot Hem opschreeuwen, waar de banden ons knellen.
Tot bestuur van dezen en genen merk ik gaarne op, dat de Heere de oogen niet opent, om in de duisternis te laten zitten , maar opdat wij onze duisternis zien en verlangen naar het licht. Hier geldt de vraag: „Waaruit kent gij uwe ellendigheid"? en het antwoord is: „Uit de Wet Gods".
Daar zijn de oogen niet recht opengegaan en is de bekeering valscli, waar men dadelijk licht ziet; bij ware bekeering gaat het naar de woorden, die wij overwegen. Eerst worden de oogen opengedaan, dan ziet men geen licht, maar dat ziet en erkent de bedroefde van geest, dat hij in de duisternis zit; daar moet hij uit, hij kan het er niet in uithouden, hij moet wat anders hebben, maar wat dat is, daarvan heeft hij geen begrip; wat licht is, weet hij niet, al heeft hij het zijn leven lang uit den Catechismus geleerd ; het licht komt hem van uit de verte of van nabij tegen, zoodat hij het begint te zien; maar tot het licht te komen, is hem onmogelijk, hij vreest de afgronden, vertrouwt den weg niet, hij moet er gebracht wrorden, — de duisternis heeft allerlei dwaallicht — maar als hij tot het licht gebracht is, dan moet hij meer hebben, hij moet Hem hebben, Die in dat licht woont, hij moet eenen verzoenden God voor zijn hart hebben; alleen God, het hoogste Goed, niet het licht, kan hem tevredenstellen, — (ongelukkig hij, die zich met het licht alleen tevreden stelt, en waant er nu te zijn!) — maar nu tot God te komen, het is hem ondoenlijk; als hij wil kan hij niet, als hij kan wil hij niet; hij gevoelt de banden des Satans, die hem wederstreeft, nu eerst recht, hij kan er zich niet van ontdoen; o welk een strijd is in een arm hart tegen vrije genade, tegeneen geheel-doodvallen met al zijn doen voor de voeten van souvereine genade! welk een strijd tegen een geheel en zuiver zich werpen zoo als men is op den eenigen grond van behoudenis! de mensch, hij kan niet tot God komen, hij moet tot Hem gebracht worden. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 mei 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Verklaring van Handel. 26 : 18. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 mei 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken