Bekijk het origineel

Ter verklaring van Ezechiël 9. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Ezechiël 9. (Vervolg.)

10 minuten leestijd

Vs. 5 en 6. Maar tot die anderen zeide Ilij voor mijne ooren: Gaat door, door de stad achter hem, en slaat! Ulieder oog verschoone niet, en spaart niet. Doodt ouden, jongelingen, en maagden, en kinderkens, en vrouwen, lot verdervens toe; maar genaakt aan niemand, op denwelken het teeken is, en begint van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren. Hetgeen de Profeet verder hoort en ziet doet ons zien, hoe vreeselijk het is, te vallen in de handen van den levenden God. De mensch moge meenen, dat God geen acht slaat op de ongerechtigheid, te Zijner tijd wordt het openbaar, hoe nauw de Heere het neemt met de overtreding Zijner geboden. Tevens zien wij, hoe de Heere zorgt voor de rechtvaardigen , al meenen zij dikwerf, dat hun weg voor den Heere verborgen is. Er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den Heere vreezen en voor degenen, die aan Zijnen Naam gedenken.
Eerst draagt de Heere zorg voor de veiligheid der Zijnen; zijn dezen gered, dan is voorts al het andere aan het oordeel prijs gegeven. Eerst Noacli in de arke; de Heere sloot achter hem toe, daarna kwam de zondvloed en nam al de anderen weg. Yoor Sodoms ondergang eerst Lot in veiligheid.
De engel, belast met het geven van het bevrijdingsteeken, is uitgegaan. Vond hij velen, die zuchtten en uitriepen over al de gruwelen, die te Jerusalem plaatsvonden? Jeremia 5 : 1 geeft het antwoord: „Gaat om door de wijken van Jerusalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op hare straten, of gij iemand vindt, of er één is, die recht doet, die waarheid zoekt, zoo zal Ik haar genadig zijn." Jeremia alleen, daarna nog een ooms zoon Baruch, eindelijk — een Moorman Ebedmelech. Hoe is de weldaad van laatstgenoemde, bewezen aan Jeremia (zie Jer. 88 : 7 —13), rijkelijk vergolden. In die weldaad, de redding namelijk van Jeremia uit den kuil, werd openbaar, dat de Moorman God vreesde. En zoo luidt het tot Ebed-melech (Jer. 39: 17, 18): „Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de Heere, en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen, voor welker aangezicht gij vreest. Want Ik zal u zekerlijk bevrijden , en gij zult door het zwaard niet vallen , maar gij zult uwe ziel tot eenen buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere." In allen volke is die Hem vreest, Hem aangenaam.
Maar tot die a n d e r e n z e i d e Hij v o o r mijne ooren: Gaat door, door de stad. De slaande engelen wachten op des Heeren bevel. Buiten Gods bestel wordt geen oordeel uitgevoerd. Is er een kwaad in de stad, dat de Heere niet doet? Gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle ding, ook oorlog en vrede komt van Zijne Araderlijke hand toe, en niet bij geval. Als Hij beveelt, dan ontbrandt de fakkel des oorlogs, en wederom, wanneer Hij geen oorlog wil, zal geen volk iets vermogen.
A c h t e r hem, achter hem, die belast was met het geven van het teeken der bevrijding. Eerst de prediking van het Evangelie der genade Gods, daarna het einde. AVanneer tot het einde toe dit Evangelie smadelijk is verworpen, dan is het: „Gaat door en slaat."
U l i e d e r o o g v e r s c h o o n e niet. Het beteekent zooveel als geen medelijden hebben, en spaart n i e t : weest niet met barmhartigheid bewogen. Hier kunnen wij zien, hoe schrikkelijk de toorn Gods is, wanneer Zijne genade wordt veracht.
Immers de toorn Gods tegen de zonde is zoo groot, dat Hij, eer Hij dezelve ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan Zijnen eeniggeboren Zoon. Zoo zegt dan ook de Apostel: want zoo wij willens zondigen, d. i. moedwillig de genade Gods verachten, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden, maar eene schrikkelijke verwachting des oordeels en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. (Hebr. 10: 26, 27.) En deze vermaning geeft de Apostel Paulus te Antiochië, toen hij de vergeving der zonden door Jesus Christus had gepredikt: „Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome hetgeen gezegd is in de Profeten: Ziet, gij verachters! en venvondert u, en verdwijnt: want Ik werk een werk in uwe dagen, een werk hetwelk gij niet zult gelooven, zoo het u iemand verhaalt", Hand. 13: 40, 41. Want dat gelooft de mensch niet, dat God het zoo nauw neemt met de ongehoorzaamheid tegen het Evangelie Zijner genade.
D o o d t ouden, j o n g e 1 i n g e n , en m a a g d e n , en k i nd e r k e n s , en v r o u w e n , t o t v e r d e r v e n s toe. Uitdrukkelijk worden de onderscheidene geslachten en leeftijden genoemd.
De straf van God zal algemeen zijn, tot v e r d e r v e n s t o e, zonder eenige ontkoming. Er is een slaan als kastijding, om tot bekeering te leiden, hier is een slaan ten doode toe, geene ontkoming is er meer. Evenals de vreeze Gods zegeningen brengt over ouden, jongelingen, maagden, kinderen en vrouwen, — want de Heere doet weldadigheid aan duizenden, die Hem liefhebben en Zijne geboden onderhouden, — zoo bezoekt Hij met Zijne oordeelen al de inwoners des lands, waar Hij wordt gesmaad en Zijn Naam ontheiligd.
Maar g e n a a k t aan n i e m a n d , op d en w e 1 k en het t e e k en is. Uitdrukkelijk bevel van sparing dergenen, die van het teeken zijn voorzien. Dat was het loon voor al hunnen arbeid en hunne moeite, voor hun blijven in lijdzaamheid bij het Woord des Heeren, door zuchten en uitroepen heen. Al hebben deze van God geteekenden dan uitwendig mede deel aan de gerichten, te midden daarvan zien zij zich omringd van Gods goedertierenheden. Hij weet hen te bewaren ten dage des kwaads en te versteken in Zijne hut. Yan zoodanige bewaring is Jeremia een bewijs; God zorgt wel, dat zijn brood hem dagelijks gewordt uit de Bakkerstraat, Jer. 37: 21. En straks, toen de stad geslagen was, geschiedde Jeremia geen kwaad. Nebukadnezar had van hem bevel gegeven: Neem hem, en stel uwe oogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u (overste der trawanten) spreken zal, alzoo doe met hem, Jer. 39: 11, 12.
En zoo lezen wij van Baruch: „Ik breng een kwaad over alle vleesch, spreekt de Heere; maar Ik zal u uwe ziel tot eenen buit geven, in alle plaatsen, waar gij zulthenentrekken." Jer. 45: 5. Genaakt aan niemand, op denwelken de zalving Christi is, genaakt dat huis niet, aan welks zij dorpel en bovendorpel het bloed des Lams is, zoo zal wederom gezien worden het onderscheid tusschen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient, tusschen dien, wiens hope en verwachting alleen Christus is, en dien, die daaraan niet genoeg heeft, maar zijne handen uitstrekt naar allerlei zelf uitgedachte werken.
„Genaakt aan niemand," dat is het woord gesproken uit het heiligdom, en dit woord heeft zijne vervulling alle eeuwen door, met macht en majesteit. Christus laat hen niet varen, die Hem gegeven zijn, Hij bewaart hen voor alle kwaad, Hij zorgt, dat hunne oogen niet terugzien, en dat hunne ooren opmerken. Hij bewaart hen alzoo, dat zij niet vervallen tot het algemeene oordeel Gods. Uit zichzelven houden zij geen stand, de anti-christelijke leer weet met zulk een bevallig, geestelijk gewaad zich te versieren, zulke teekenen te doen, dat, zoo het mogelijk ware, ook zij zouden verleid worden. Doch zij worden niet verleid, maar bewaard in de kracht Gods, tot de zaligheid. Zij blijven bij het geloof, zoo blijven zij rein van de geestelijke hoererij en daarmede van het teeken van het beest, en zij vallen niet, wanneer de Heere al degenen bezoekt, die de leugen hebben liefgehad en gedaan. Want Hij bewaart hen in Zijne macht, Hij is hun Voorspreker, tegen alle rechtmatige en onware beschuldigingen in, Hij wijkt niet van hen met Zijne Godheid, genade, majesteit en Geest; zoo wordt het hun gegeven teeken gehandhaafd, en is hunne redding in de ure des gerichts; en zoo lezen wij bij Jes. 6 6 : 2 4 : En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de doode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben. Men zie voorts Psalm 91.
B e g i n t van Mijn h e i l i g d o m . Waar de afgoderij haar oorsprong nam, begint het oordeel het eerst. Zoo lezen wij in Jer. 5 : 31: De Profeten profeteeren valschelijk, en de priesters heerschen door hunne handen, d. w. z. in de priesters vinden de valsche profeten hun steun, en Jer. 23 : 15: van Jerusalem's profeten is de huichelarij uitgegaan in het gansche land. Mijn heiligdom. De Heere zal toonen, dat het Zijn heiligdom is, alhoewel het tot een kuil der moordenaars is gemaakt. E n z i j b e g o n n e n van de oude mannen, die v o o r het h u i s waren. Het zijn de zeventig oudsten, genoemd in het vorig Hoofdstuk Ys. 11. Hun reukwerk zal hen niet redden ten dage der verbolgenheid des Heeren.
Ys. 7. En I]ij zeide tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen, gaat henen uit. En zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad. Hier is het nu niet meer Mijn heiligdom, maar het h u i s , niet meer M i j n e voorhoven, maar de voorhoven. Hij laat het heiligdom varen, en wanneer Hij het huis verlaat, dan is het geen heiligdom. Waar Hij is, is een Beth-el, al is er uitwendig niets anders te zien dan een steen. Waar Hij niet is, is de kostelijkste tempel een Baaishuis. En wat blijft staan, als Hij verlaat? „Ziet uw huis worde u woest gelaten,"' wordt gezegd van den tempel, van welken de discipelen opgetogen uitriepen: Zie hoedanige steenen en hoedanige gebouwen! Nadat nu de oudsten geslagen waren, gingefi de engelen des verderfs door de stad, en alles viel, wat niet het reddingsteeken droeg. De gansche stad werd geslagen , geen leeftijd of geslacht werd ontzien.
Dit zag Ezechiël, toen de volheid des tijds nog niet was gekomen. Toen deze was gekomen, heeft God Zijnen Zoon gezonden en het Evangelie aan alle creaturen laten prediken.
Zullen wij, die dit Evangelie hebben, niet ter harte nemen woorden als deze: Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht geven ? En : Als iemand de wet van Mozes lieeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen ; hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan ? Want wij kennen Hem, die gezegd heeft: Mijne is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere.
En wederom: de Heere zal Zijn volk oordeelen. Vreeselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods. Men vergelijke nog 2 Thess. 1 : 8—10 en Hebr. 12 : 28, 29. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Ezechiël 9. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken