Bekijk het origineel

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 13. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 13. (Vervolg.)

8 minuten leestijd

Vs. 38 en 39. Zoo zij u dan bekend, mannen broeders! dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt; en dat van alles, waarvan gij niet kondt gerechtvaardigd worden door de wel van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. — Dewijl wij dan zulk eenen Hoogepriester hebben, Die door de hemelen is doorgegaan met Zijn eigen bloed, en in alle dingen zoo klaar bewezen heeft te zijn de van het paradijs af beloofde Verlosser, verworpen door de inwoners van Jerusalem en hunne oversten, naar de Schriften, maar van God opgewekt en verhoogd tot eenen Koning over alle geslachten der aarde, naar de Schriften; mannenbroeders, kinderen des verbonds, twijfelt niet! Hij is het, die Jerusalems ongerechtigheden heeft verzoend, — haar strijd heeft een einde, en van de hand des Heeren zal zij ontvangen dubbele genade voor alle hare zonden. Yroolijk mag zij hare stem verheffen en aan alle steden van Juda het verkondigen: Ziet, hier is uw God! Zijn loon is bij Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht; en door Zijne kennis zal de Knecht des Heeren, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij heeft hunne ongerechtigheden gedragen. De zaligheid is in geenen anderen, dan in dezen Jesus, den Gekruiste, Die u verkondigd wordt, en onder den hemel is geen andere naam, den menschen gegeven door welken wij moeten zalig worden. God alleen kent Dezen en heeft Hem gesteld tot eene geopende Fontein voor het huis Davids en voor de inwoners van Jerusalem. Zoekt gij het nog langer bij de wet, om door haar gerechtvaardigd te wrorden, zoo weet, dat zij u niet kan zalig maken, maar u slechts de zonde ontdekt en u verdoemen moet, omdat gij niet aan een enkelen harer eischen kunt voldoen. Waarmede toch zult gij den Heere tegenkomen en u bukken voor den hoogen God; met brandofteren en eenjarige lammeren? Heeft dan de Heere een welgevallen aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken? Is niet alles het Zijne, het vee op duizend bergen? Wat kunt gij Hem dan geven, Die Zelf u alles geeft? Ja al wilt gij Hem het liefste geven, dat gij hebt, uwen eerstgeborene, de vrucht uws buiks, voor de zonde uwer ziel, — de Heere wil hem van u niet hebben, Zijne gerechtigheid is daarmede niet voldaan, Hij kan u niet genadig zijn. Verblijdt u echter en looft uwen grooten God en Ontfermer: Hij Zelf heeft het middel gevonden en u den weg geopend om weder tot Hem te komen.
Opdat de zondaar leven moog
Daalt zelfs de Schepper van omhoog,
Verbergt Zijn hooge Majesteit,
Wordt vleesch, wordt onze zaligheid.
God geeft Zijnen Eerstgeborene in den dood, opdat gij en uw zaad eeuwig voor Hem leven zoudt. Deze is het, van Wrien Psalm 40 profeteert: „Gij hebt geenen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt Mij de ooren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëischt. Toen zeide Ik: Zie Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uwe Wet is in het midden Mijns ingewands." Op Hem zagen zij, al die offeranden, die, dikmaals geofferd zijnde, nochtans de zonde niet konden wegnemen, maar Deze, één slachtoffer voor de zonde geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de Rechterhand Gods. Hoe hebt nu g i j persoonlijk deel aan die offerande? Gelooft, roept de Apostel zijnen hoorders toe!
Gelooft, zegt hij ook tot ons, die dagelijks leven onder het liefelijk geklank des Evangelies; een i e g e l i j k , die gel o o f t , w o r d t door Hem g e r e c h t v a a r d i g d ; er is geen onderscheid noch van Jood, noch van Griek; slechts het geloof is de hand, die de weldaad Gods aanneemt en zich daarin verblijdt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Alle verdienste en bekwaamheid is hier uitgesloten, geen werk komt in aanmerking, dan het werk Gods. Maar ik kan niet gelooven, hoe gaarne ik ook wilde, zegt menigeen; alles om mij heen veroordeelt mij en roept mij toe: zoudt gij rein zijn? meent gij met uwe zwarte zonden te komen tot een heilig God? Doe het nochtans; klem u aan Hem, zooals gij zijt, met de bede: ik geloof Heere, kom mijne ongeloovigheid te hulp. Zoo alleen zijt gij Hem aangenaam en zult uit Zijnen mond het woord vernemen: Gij onreine, gij zijt rein, Ik spreek u vrij van elke zonde! Voor dit woord moet de aanklager vlieden, en het wordt u openbaar, dat hij geketend ligt door de macht des Woords van dien Koning, Die met vermorzelde verzenen hem den kop vertrad, zoodat zijne macht zich niet verder kan uitstrekken, dan uw God hem toelaat.
Maar zoo gij dien van God u geschonken Verlosser verwerpt, vreest voor uzelven en voor uwe kinderen! God laat Zich niet bespotten; heden is u voorgesteld het leven en de dood, de zegen en de vloek, kiest nu zelf! maar ziet dan toe, dat over ulieden niet home hetgeen gezegd is in de Profeten: Ziet, gij verachters! en verwondert u, en verdwijnt: want Ik werk een werk in uwe dagen, een werk, hetwelk gij niet zult gelooven, zoo hel u iemand verhaalt. (Vs. 40 en 41.) Gij hebt het gehoord, hoe God Zijne beloften heeft vervuld en Zijn heil heeft doen komen, — zoo kunt gij er ook van verzekerd zijn, dat, waar gij dat heil verwerpt, ook Zijne gerichten u vinden zullen. Nog heden is het de dag der zaligheid, haast u om uws levens wille, vliedt in de vrijstad! Spoedig is de nacht daar, en dan zult gij zoeken in te gaan , m a a r . .. gij vindt de poort gesloten en uzelven voor eeuwig buiten in diepe duisternis, alwaar wreening zal zijn en knersing der tanden.
De Joden in den tijd van den Profeet Habakuk hebben deze zijne woorden ook niet geloofd, maar die gehouden voor ïjdel geklap, j a , zij hebben er hoogstens medelijdend de schouders voor opgehaald als voor de uitingen van eenen zwartgalligen en dweependen geest. Zij hebben niet geloofd, dat God Zijn volk zou overgeven onder de heerschappij van Babels vorst, totdat de dag der benauwdheid aanbrak en hen wegslingerde, verre van de heilige stad. Zoo zal het ook u gaan, o Israël! wraar gij de woorden Gods verwerpt, die Hij mij , Zijnen dienstknecht, te spreken geeft! Nog een weinig tijds, en Hij, Die te komen staat, zal komen en niet vertoeven, en de dag der wrake Gods kan u alleen dan niet tot eene verschrikking zijn, als gij eene toevlucht gevonden hebt in de schuilplaats, die Hij Zelf u aanbiedt. — Scherp is de rede van den Apostel geweest, gelijk de woorden des wijzen altijd zijn als scherpe nagelen, diep ingaande in het vleesch, om, zoo mogelijk, liet kwade weg te nemen en genezing aan te brengen. Het is de liefde van Christus, die den Apostel dringt; geene verontschuldiging moet voor de Joden te Antiochië kunnen overblijven, maar de volle raad Gods hun verkondigd worden, opdat zij niet eenmaal kunnen zeggen: „ik heb het niet geweten". Wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering en vertroosting te voren geschreven, ook,voor ons geschreven, op welke de einden der eeuwen gekomen zijn God heeft Zijn Woord nog zoo veel grooter gemaakt, zoodat wij naast de Schriften der Profeten, nog die der Apostelen hebben en daardoor nog minder reden dan het Israël van den ouden dag, om ons met onwetendheid te verontschuldigen. Ook ons wacht de dag, waarop God de inwoners der wereld rechtvaardig oordeelen zal, en die dag, hij komt gewis! Hoe zullen wij persoonlijk dien dag ontmoeten? Wat zal hij ons zijn, de dag des Heeren? Of — of: een dag van vreugde en groote blijdschap, waarop wij Hem zullen zien. Die ons te voren zoo uitnemend heeft liefgehad, om nu niet meer van Hem gescheiden te worden, maar Hem eeuwig te aanschouwen in het licht; of een dag van verschrikkingen dikke duisternis, waarop het heeten zal: Bergen, valt op ons! en heuvelen, bedekt ons voor den toorn des Lams!
Nog zijn wij in het heden der genade, en de gansche Schepping predikt ons met duizend stemmen de goedheid Gods en Zijne ontferming om het bloed, dat eenmaal op de om de zonde vervloekte aarde neerdroop en haren vloek in eenen zegen veranderde I)e Drieëenige God ontferme Zich over ons en opene onze oogen voor de teekenen des tijds, opdat wij in dit leven Hem mogen gevonden hebben, Die alleen behoudt en redt van het verderf! Hij behoede ons voor de taal van het ongeloof, dat spottend uitroept: vrede, vrede, en geen gevaar! Yan dien dag, dat het gesproken is, blijven alle dingen, gelijk zij geweest zijn. Hij behoede ons ook voor de gevaarlijke zelfmisleiding, en den valschen troost met de barmhartigheid Gods, zonder daarbij te denken aan Zijne gerechtigheid, die voldoening moet hebben. Immers, wie kent de sterkte Zijns toorns en Zijne verbolgenheid, naardat Hij te vreezen is? (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 13. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken