Bekijk het origineel

Hoofdstuk IV. — Chiavenna. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hoofdstuk IV. — Chiavenna. (Vervolg.)

Hieronymus Zanchius. (Een getuige uit de zestiende eeuw.)

6 minuten leestijd

In een afgelegen dal van het Veltlinische, rondom door liooge bergwanden omgeven, tusschen welke de zon zich nauwelijks laat zien, ligt het stadje Chiavenna, in het Duitsch Claven, nu op Lombardisch grondgebied. Daar trok in November 1563 Zancliius met zijn gezin en zijnen helper heen. Het zal eenen geest als Zancliius aanvankelijk wel ongewoon zijn geweest toen hij zich zoo plotseling uit eene stad als Straatsburg, en uit eene betrekking, als die welke hij tot nog toe vervuld had, naar een geheel afgelegen oord en in zeer bescheidene omstandigheden overgeplaatst zag. Maar deze vernedering verdroeg hij gaarne, indien hij maar vrijuit de waarheid belijden mocht. „Ik weet", zoo zegt het geloof, „dat Gij, o God, dengene, dien Gij verhoogen wilt, eerst afvoert in de diepte." Behalve aan de zielzorg wijdde hij zijnen tijd aan de studiën. Zijn vriend Johann Sturm had hem reeds in Straatsburg geestdrift voor het werk van de opvoeding der jeugd ingeboezemd.
Spoedig na zijne aankomst te Chiavenna rijpte bjj hem het plan om voor deze afgelegene dalen eene hooge school te stichten, welke aan het Protestantisme van deze streek ten goede komen zou. Hij trachtte de regeering van Rhetiën voor deze gedachte te winnen. Toen hij dit zijn voornemen aan Sturm mededeelde, was deze daarover zeer verheugd, en beloofde dadelijk een verlof van een jaar te zullen aanvragen, om tot hem te komen en deze school naar die van Straatsburg in te richten. Maar de hertog Wolfgang van Tweebruggen, dien de ervaren schoolman reeds vroeger bij de stichting van het gymnasium te Lauingen zijne diensten had toegezegd, maakte daarop nu in April 1564 aanspraak, en zoo kwam er niets van de voorgenomen reis naar Chiavenna, en tevens niets van de oprichting der genoemde school, die, als uiterste voorpost van het Protestantisme in het zuiden, zeker tot grooten zegen zou geweest zijn.
Eenige vergoeding daarvoor vond Zanchius in eenige geleerde vrienden, die daar niet ontbraken. Zijn voorganger, de als grijsaard van 81 jaren ontslapen Mainardo, had in woord en geschrift met kracht tegen het pausdom en de ingeslopene dwaalleeraars gestreden, en verscheidene weetgierige jongelingen om zich verzameld, met wie hij het Hebreeuwsch beoefende.
Evenzoo hadden zich degelijke geleerden , die om des Evangelies wille uit Italië verdreven waren, te Chiavenna metterwoon gevestigd, als de jeugdige graaf Ulysses Martinengo van Brescia, die te Genève gestudeerd had, Ludovico Castelvetro, die voorlezingen over de Grieksche en de Romeinsche letterkunde hield, en anderen. Dewijl dientengevolge de gereformeerde Gemeente vele ontwikkelden onder hare leden telde, maar ook, als geheel door het pausdom omgeven, steeds aan aanvallen blootstond, zoo had men niet slechts naar eenen geloovigen, maar ook wezenlijk geleerden leeraar omgezien en Zanchius beroepen, omdat hij deze beide eigenschappen in zich vereenigde. De boodschap, aan de overheid van Straatsburg gezonden, verklaarde openlijk, dat Zanchius der Kerk van Chiavenna noodiger was dan der Straatsburgsche hoogeschool, en dat de lieeren op den dank der Italianen rekenen mochten, als zij hunne bede toestonden.
Zanchius, die zijne herderlijke werkzaamheid in Januari 1564 te Chiavenna begon, had het Synodale Boek (Liber synodalis) der Rhetische Kerken moeten onderteekenen. Zulk een geschrift was hoogst noodzakelijk, naardien, vooral van de zijde der gevluchte Italianen, vele verkeerde beschouwingen over de Drieeenheid in de Gemeenten van Grauwbunderland w7aren ingeslopen, waardoor velen tot de ketterij, die later als Sociniaansche leer bekend werd, gevoerd werden. De tweede leeraar te Chiavenna, collega van Zanchius, Simon Fiorillo uit Napels, was zelfs van deze dwalingen niet vrij. Toen Zanchius eene strenge kerkelijke tucht, in overeenstemming met de grondbeginselen der naar Gods Woord gereformeerde Kerk, invoeren wilde, stiet hij bij dien ambtsbroeder op den hevigsten tegenstand. De onderscheidene talen en nationaliteiten, die in bonte mengeling toen ter tijd in Grauwbunderland aangetroffen werden, deten deele Fransche, ten deele Spaansch-Oostenrijksche invloed, onder welken het stond, en voorts eene groote zelfstandigheid van bijna elke Gemeente, waren voor eene goede evangelische kerkorde een groote hinderpaal.
Ook hier moest Zanchius ondervinden, dat de rechtvaardige veel moet lijden, hoe evenwel de Heere hem uit alles helpt.
In het begin van 1564 brak de pest te Chiavenna uit. „De Heere", schrijft Zanchius aan zijnen vriend Grindall, „heeft nu, gelijk ten vorigen jare u, nu ook ons, d. i. de Gemeente te Chiavenna met de pest bezocht." De verwoesting, welke die aanrichtte, was vreeselijk. Tweederde der Gemeente (1200) stierf. De vrees voor besmetting was zoo groot, dat de godsdienstoefening in de open lucht plaats vond, en dat bij het Avondmaal ieder zijnen eigenen beker medebracht. Daar kwam ten derden male eene roepstem van zijne landgenooten te Lyon tot Zanchius. „Ik ben van Christus", schreef hij hun nochtans zonder bedenken terug, „te Lyon of te Chiavenna dat is hetzelfde; Hem moet ik dienen." En zoo bleef hij te midden van het grootste gevaar te Chiavenna bij zijne kudde.
Aangezien echter de pest hand over hand toenam, velen gestorven of gevlucht waren, zoo gaf men beiden leeraren den raad, zich te verwijderen om voor de Gemeente bewaard te blijven. Zij zagen ten laatste zelf de noodzakelijkheid van dezen stap in. Zanchius vond eene wijkplaats bij zijne nabestaanden , die op eenen berg bij Piuri wroonden. Daarover deed hem zeer ten onrechte de predikant van Chur, Johann Schmied, meestal Fabritius geheeten , hevige verwijten. Zanchius beantwoordde dezen hem kwalijk genegenen man, die, door zijnen voortreffelijken oom Leo Juda aanbevolen, op kosten der stad Zürich gevormd was geworden en zich nu als een beslist vijand van alle Italianen openbaarde. Tengevolge van dat alles ontspon zich nu een strijd, die zich om de vraag bewoog, of een leeraar zich geheel van het bezoeken van pestzieken moest onthouden, of zelfs, zooals de leeraar in Plurs gedaan had, de Gemeente wegens de pest geheel verlaten mocht. Fabritius, die Bullinger als zijnen geestelijken vader placht te beschouwen, wendde zich tot dien. Deze antwoordde den 8sten December 1564: „Barbaarsch is de meening van uwe tegenpartij; op alle manier moet men, naar het mij voorkomt, zich er tegen stellen, dat die onmenschelijke gewoonte in onze Gemeenten indringe. Mogen genen (de Italianen) vlieden , zooveel zij willen, zij zullen de hand Gods toch niet ontkomen, en hoe zij ook zichzelven en hunne zaak zoeken te verdedigen, zij is en wordt toch nimmer recht."'
Deze oogenblikkelijke harde uitspraak van Bullinger wordt hieruit verklaard, dat ook hij door het wantrouwen ten aanzien der Italianen, dat uit de ervaringen omtrent Socinus begrijpelijk wordt, beheerscht werd, en voorts hieruit, dat hij bij tijdelijke onbekendheid met de eigenlijke toedracht van zaken, op eene partijdige voorstelling er van, zich tegen Zanchius, voor wien hij toch bijna altijd groote achting koesterde, liet innemen.
Bij nauwkeuriger kennisneming heeft toch Bullinger zelf dezen strijd bijgelegd. Doch in één punt — om daarvan nu meteen gewag te maken — kon Zanchius met Bullinger niet tot gelijk inzicht komen, en juist dat kwam te Chiavenna op den voorgrond.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Hoofdstuk IV. — Chiavenna. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken