Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ter verklaring van Johannes 16 : 8—11.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Johannes 16 : 8—11.

8 minuten leestijd

„En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: van zonde, omdat zij in Mij niet gelooven; en van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijnen Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien; en van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is."

De belofte van den Heere Jesus aangaande de zending en komst des Heiligen Geestes moest, ofschoon de discipelen dat eerst later begrepen hebben, hen wapenen tegen den liaat en de vijandschap der wereld, die hun te wachten stond om het getuigenis Christi, moest hun, den zwakken en zoo ras versaagden lieden moed en kracht schenken, om, wanneer zij tot arbeiders in den wijngaard des Heeren geschikt zouden gemaakt zijn, met dat getuigenis te volharden; welk getuigenis, als des Heiligen Geest zijnde, dienen moest tot verheerlijking Gods in de zaligheid van allen, die door hun woord in Jesus Christus zouden gelooven, èn in het verloren gaan van allen, die tegen hetzelve in ongeloof zich verhard zouden hebben.
De belofte aangaande de komst des Heiligen Geestes is vervuld.
De Heilige Geest is gekomen. Het komt er op aan, of wij op de vraag: „wat gelooft gij van den Heiligen G e e s t n i e t maar met de lippen, maar met hart en mond antwoorden: „eerstelijk, dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is; ten andere, dat Hij ook aan mij gegeven is, opdat Hij mij door een oprecht geloof Christus en al Zijne weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwiglijk blijve." Aan dat geloof, zooals het in dit antwoord van den Catech. Zond. 20 naar het leven en naar de waarheid Gods is uitgesproken, hangt onze zaligheid. Want zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
De Heilige Geest, geene bloote kracht, geene openbaring slechts uit God, maar Persoon, zelfbewust, zelfstandig, met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God, is naaide belofte des Heeren Jesus gekomen, en Zijn werk ten opzichte van de wereld is: haar „te overtuigen van zonde, van gerechtigheid en oordeel."
Hij zal de wereld overtuigen; de wereld, die in het booze ligt, de wereld in hare vijandschap tegen den Heere, in haren haat tegen God en Christus. Wereld zijn dus menschen, zondaren , en zonde en wereld reiken even ver. Het geldt hier niet slechts den Heidenen, maar zoo Joden als Heidenen, alle volkeren onder den hemel. De wereld, van welke de Heere Jesus hier spreekt, zijn niet alleen de goddelooze Heidenen, tollenaars en zondaars en de ongeloovige Sadduceën, maar ook de Joden en de Farizeën, die in hunne eigengerechtige en schijnheilige godsdienstigheid en vroomheid Jesus Christus miskenden, Hem verwierpen, en niet door Zijne genade in waarheid wilden verlost zijn. Dus de wereld in hare vroomheid en goddeloosheid, want alle vleescli, of het zich vroom of goddeloos voordoet, of het edel en beschaafd, of gansch onwetend en op 't diepst gezonken is, heet wereld, en openbaart slechts voor Gods aangezicht zonde en vijandschap. De wereld nu te overtuigen, dat is het werk van den Heiligen Geest. Dat is een Goddelijk werk. Het is Zijn arbeid als Leeraar, die niet slechts van de waarheid getuigenis geeft, maar haar aan de gewetens zóó openbaart, dat alle mond gestopt zij, en de waarheid gehandhaafd zij. In dit overtuigen handhaaft de Heilige Geest de zaak van Christus, het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid bij de wereld, die in hare blindheid en haar onverstand niets begrijpt van de dingen, die des Geestes Gods zijn, die dezelve verwerpt in ongeloof, voor niets oog, oor of hart hebbende dan voor dat wat des vleesches is. En in deze overtuiging handelt Hij naar Zijne vrijmacht, in overeenstemming met het eeuwig raadsbesluit Gods, zaligmakend in allen, die ten leven verkoren zijn, en wederom zoo, dat hun, die zich aan Zijne getuigenis niet hebben onderworpen, maar in hunne ongehoorzaamheid zullen volhard hebben, alle reden van verontschuldiging benomen zij.
Zie, Zijne werking is in en door het Woord. Met dat Woord komt Hij tot den menscli. Overal waar dat Woord, het geschreven Woord, de Heilige Schrift komt, daar komt de Heilige Geest om te overtuigen. Het Woord is het middel, waardoor Hij wrerkt. In het Evangelie getuigt ons dus niet een mensch, maar de Heilige Geest van datgene, wat wij noodig hebben tot de zaligheid. Het geloof is daarom, gelijk de Apostel zegt, uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods (Rom. 10).
Wel is waar geeft geen mensch acht op het Woord, geen mensch neemt het ter harte, tenzij de Heilige Geest het hart opent, zoodat wij acht geven op hetgeen ons gepredikt wordt, maar het is toch alleen langs dezen weg, dat de zondaar tot waarachtige bekeering komt. Daarom is het eene groote goedertierenheid Gods, dat Hij Zijn Woord ons gegeven heeft en de prediking van Zijn Evangelie ons hooren doet; en een iegelijk onzer heeft toe te zien, wat het Woord bij hem werkt, welke vruchten het draagt. Het Woord is in de hand des Heiligen Geestes het zaad, hetwelk een zaaier neemt om te strooien in den akker, opdat het rijke vruchten drage. Gij kent de gelijkenis van den zaaier. Niet alle zaad viel in de goede aarde. Het eene viel bij den weg en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten het op. En het andere viel op eene steenrots, en opgewassen zijnde is het verdord, omdat het geene vochtigheid had. En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opgewassen zijnde, verstikten hetzelve. En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort.
Zoo komt de Heilige Geest, en is Hij gekomen om te overtuigen met het Woord; maar niet in aller hart vindt het plaats. Wordt ook den goddelooze de mond gestopt, moeten de vijanden der waarheid tegen wil en bedoeling getuigenis geven van de waarheid, dat is geene onderwerping tot bekeering. De gewetens der menschen worden met schrik en angst vervuld, maar met een „voor ditmaal ga heen!" wordt de stem des Geestes gesmoord, de waarheid op zijde geschoven , de gerechtigheid prijsgegeven. Het is tot verzwaring des oordeels.
Een Saul zeide tot David: gij zijt rechtvaardiger dan ik, maar toch, hij verhardde zich. Een Judas Iskariot beleed: „ik heb verraden onschuldig bloed'', en hij verworgde zich. Nochtans, de waarheid moest geëerd, de gerechtigheid erkend worden. Geveinsdelijke onderwerping aan het Woord geschiedt, maar ook dat is geene gehoorzaamheid des geloofs.
Och, een tijdlang wordt dikwerf de waarheid gevolgd, maar waar de Heilige Geest voortgaat met eene prediking, die alle vroomheid en roem des vleesches te schande maakt, die allen vromen en goddeloozen lust ontzegt, die maant tot zelfverloochening en tot het dragen van het kruis en den smaad Christi, dan wordt wel openbaar, bij menigeen openbaar, dat het Woord geencn wortel heeft geschoten in het hart. Waar echter de Heilige Geest zaligmakend overtuigt, daar is een buigen, een beven in waarheid voor het Woord, op hetwelk men nu acht geeft tot zaligheid. Daar wordt het steenen hart verbrijzeld, de hoogmoed en vijandschap wordt gebroken, zie, dan wordt de waarheid, hoe pijnlijk ook voor het arme vleesch, hoe scherp afhouwend wat verkeerd is, aangenaam voor de ziel, er is lust en liefde tot Gods getuigenis, welks licht het donker op doet klaren; de begeerte is levendig gemaakt, om steeds meer te worden onderricht en geleid in de leer, die naar de godzaligheid is; de bede ligt in het hart: Ileere, leid mij in Uwe waarheid, leer mij Uwe wegen!
Daar is waarachtige bekeering tot God, ongeveinsd geloof in den Heere Jesus Christus. Zoo is de Heilige Geest gekomen om te overtuigen. Dat komen ja, wras een komen van het begin der wereld. De twist des Geestes met de eerste wereld vóór den zondvloed, en Zijne twisting met de kinderen Israëls te Meriba bewijzen het. Zijn gansche werk in gemeenschap met den Vader en den Zoon in den dag der belofte toont het ons klaarlijk.
Maar, als de Heere Jesus van den Heiligen Geest spreekt : Die gekomen zijnde zal enz., zoo wijst Hij daarmede aan het in vervulling treden van de belofte Gods, het antwoord van den Yader aan den Zoon: „Eisch van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezitting." — Zoo bestaat dan het werk des Heiligen Geestes ten opzichte van de wereld daarin, dat Hij haar overtuige van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel. In dezen arbeid handhaaft Hij voor het aangezicht der volkeren het eeuwig Koninkrijk van den Zoon, den Koning, door God gezalfd over Zion, den berg Zijner heiligheid, en gaat Zijne stem met macht door de wereld, de stemme Zjjns Woords: „Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zoude ontbranden; welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen." (Ps. 2.)
(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Ter verklaring van Johannes 16 : 8—11.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 juni 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken