Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De reiniging van een melaatsche (Vervolg en Slot).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De reiniging van een melaatsche (Vervolg en Slot).

(Matth. 8 : 2-8.)

14 minuten leestijd

,,En ziet, een melaatsche kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. En Jesus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijne melaatschheid gereinigd. En Jesus zeide tot hem : Zie, dat gij dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis."

De melaatsche is niet te vergeefs tot Jesus gekomen; zijn hopen, zijn vertrouwen, zijn gelooven, het wagen naar den Heere Jesus heen is niet beschaamd geworden. „En Jesus", zoo staat geschreven Mark. 1 : 40, „met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde." Zijn liefdehart klopt van vreugde, waar het geldt Zich over de ellendigen te ontfermen. De wil Gods in Zijn binnenste is op te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Aan dien eeuwigen wil — Hij de Zoon met den Vader één — geeft Hij gehoor, kan Hij niet anders dan gehoor geven — en „de hand uitstrekkende, heeft Hij den melaatsche aangeraakt, zeggende: „Ik wil, word gereinigd."
J e s u s s t r e k t e Zijne hand uit. Gelijk de koning Ahasveros der neergebogene Esther zijnen schepter toereikte — zoo strekte de Koning der koningen naar den voor Zijne voeten liggenden melaatsche Zijne hand uit — en Hij, de Reine, raakte den onreine aan — en het Koninklijk bevel luidt: Ik wil, word gereinigd!
O, waar de Heiland Zijne hand uitstrekt naar den ellendigen, nooddruftigen mensch, hetzij hij naar het lichaam of naar de ziel, of naar beide lijdt — daar komt redding, hulpe, daar daagt heil en zegen — daar is volkomene genezing — daar ontbreekt het niet aan troost en vrede, daar komt blijdschap en vreugde — daar wordt zaligheid gesmaakt.
Voorzeker het uitstrekken van de hand des Heeren Jesus ware genoeg geweest om den melaatsche te reinigen, maar door het Woord redt het eeuwige Woord. Hij strekt evenwel Zijne hand uit om den onreine aan te r a k e n . Waartoe aan te raken ? Daarmede betoonde Hij, dat Hij Zich niet schaamt om den onreinen mensch in zijne walgelijke krankheid te naderen; daarmee gaf Hij te kennen, dat Hij was Degene, van WTien geschreven staat: „Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen!" Met deze handeling zeide Hij als 't ware dit: „uwe zonde, schuld en straf — uwe onreinheid, uwe melaatschheid neem Ik van u af op Mij, opdat gij alzoo verlost, gereinigd, genezen, gered moogt zijn. Het is de luide prediking des Heeren Jesus, dat Hij, in de wereld gekomen zijnde, het ware Offerlam is, dat de zonde der wereld op Zich genomen heeft en wegdraagt, — dat Hij de ware Hoogepriester is, dio verzoening doet voor de zonden Zijns volks. Het is de openbaring, dat Hij ons vleesch aangenomen, onze onreinheid op Zich geladen heeft, — zooals de Apostel Paulus daarvan getuigt: „Dien, die geene zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem." Zóó h e e f t Hij d o o r Zijne a a n r a k i ng van ons, o n r e i n e n , a l l e s r e i n g e m a a k t . „Want door ons vleesch aan te nemen heeft Hij niet slechts Zich verwaardigd om ons met Zijne hand aan te raken, maar is één lichaam met ons geworden en heeft ons vleesch tot Zijn vleesch gemaakt; ook heeft Hij Zich niet vergenoegd met den arm naar ons uit te strekken, maar is uit den hemel tot zelfs in de hel nedergedaald, — en terwijl Hij, in onze onreinheid zijnde, Zelf onbesmet bleef, — heeft Hij ons van alle onreinheid en smetten gezuiverd en met Zijne heiligheid bekleed." (Calvijn.)
Het uitstrekken Zijner hand, het aanraken van den onreine is alzoo de getuigenis, dat de Heere Christus onze ellende aanvaard heeft, dat Hij Zich geplaatst heeft in onzen toestand der zonde, des doods, van vloek en verdoemenis; — en heeft Hij juist daarin bewezen Zijne barmhartigheid en genade, waarmede Hij Zich over Zijne ellendigen ontfermt.
Welk eene onuitsprekelijke liefde! De Heere Jesus wil met eenen onreine te doen hebben; wat veracht, verworpen moest zijn, trekt Hij Zich aan, Hij heft het op uit zijne schande en smaad, en brengt het tot de heerlijke, zalige gemeenschap Gods. En dan één woord — en de genadige wil van den almachtigen Heere is volbracht! „Ik wil, word gereinigd." — In den beginne sprak God: „daar zij licht", en er werd licht!
Het vleesch-geworden Woord spreekt hier: „Ik wil, word gereinigd": en „wat Hij gebiedt staat er, Hij spreekt en het is er." Ja, dat woord hier is nog grooter machtwoord dan bij de schepping, — toen was er geene zonde, geen dood.
Het Woord ging van God uit — en het was er wat het Woord te voorschijn riep. — En hier — het Woord is vleesch geworden — gekomen in onze zonde, onze zwakheid — en Het spreekt: Ik wil! en — zonde, onreinheid, alle machten des doods en der helle wijken — het eeuwige Woord zegeviert. Ja, dat is de wil des Zoons gelijk des Vaders: de ellendige moet, zal geholpen worden, — de genadelooze vindt ontferming!
Op liet woord volgde de daad. Wij lezen: „En t e r s t o nd werd h ij van z i j n e m e l a a t s c h h e i d g e n e z e n . " Zijne melaatschheid werd gereinigd, en hij daarmede van zijne melaatschheid. Hier was eene volkomene reiniging en eene volkomene genezing. Zie, waar de Almachtige reinigt, geneest, daar gaat het snel, en is het waarachtig. — Och, wat tobt de mensch, de innerlijk onreine mensch zich af, om zichzelven van zonde, schuld en straf te bevrijden — en ach! wat al teleurstelling, wat al halve genezing der wonden, om straks te dieper in te grijpen! — Menschenkind! houd op met zelfreiniging, met zelfzaliging — vlied met uwe zonden en wonden tot Jesus, den éénigen, volkomen Geneesheer en Rein maker! Hij alléén weet de krankte onzer ziel goed aan te tasten, en volkomen te genezen. Wij hebben daarvan geen verstand — daartoe geene macht. Gewis, al wie z[jne aangeborene melaatschheid, d. i. zijne grondbedorvenheid niet erkent, niet gelooft — hij gaat voort in het zich tegen God stellen in waan der gerechtigheid en der reinheid — of hij vraagt in zijne onverschilligheid noch naar zonde, noch naar gerechtigheid, leeft als zonder God in de wereld; nochtans wordt het hem gepredikt, opdat hij geene verontschuldiging hebbe, dat er maar één R e d d e r , R e i n m a k e r en Z a l i g m a k e r is, n.1. J e s u s, de C h r i s t u s Gods. Al wie Dezen zal versmaad, in Hem niet geloofd zal hebben — de toorn Gods blijft op hem. Wie hier in dit leven niet van zijne onreinheid zal gereinigd zijn — hierna is geene plaats ter reiniging. De mensch, in zijne zonde gestorven, zal eeuwiglijk buiten Gods gemeenschap gesloten zijn.
Bedenke dit met ernst, al wie in de Gemeente Gods daarheen gaat als een melaatsche, onreine, maar n i e t g e r e i n i gd d o o r het b l o e d des Lams, die zich rein houdt en waant een kind van het Koninkrijk Gods te zijn — die alzoo zijne melaatschheid, zijne onreinheid niet voor God belijdt — die niet met toepassing op zichzelven erkent: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde ontvangen" — maar heimelijk denkt of ook spreekt tot den broeder: „wijk van mij, want ik ben heiliger dan gij." Deze eigengerechtigheid is de bron van alle ongerechtigheid, die uitbreekt of in het verborgen óf in het openbaar; tenzij deze mensch zich van zijne heiligheid bekeert tot de reinheid Gods, welke alléén gevonden wordt in de onderwerping aan de heerschappij van het Woord der genade, — zal hem gelden wat de Heere Jesus gezegd heeft Vers 12: „De kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden."
Wie echter zijne melaatschheid, de krankheid der ziel in waarheid erkent, zoo hij vraagt naar den weg ter genezing, ter reiniging, het antwoord vindt hij in deze geschiedenis. Daaruit verstaat hij, dat de Heere Jesus een Heiland is van eerste, groote zondaren, dat Hij wil en kan redden en verlossen. Is het dat de wet hem veroordeelt, zoodat hij haren vloek op zich voelt, vindt hij nergens heul noch heil, — hij mag, zooals hij is, zoo onrein, zoo gansch melaatsch, zoo goddeloos, van alle goed ontbloot, tot den Heere Jesus gaan, zich aan Zijne voeten werpen en zal niet wrorden afgewezen; ook zijne onwaardigheid houde hem niet terug, want over de onwaardigen, die slechts den dood verdiend hebben, ontfermt Zich de Heere; dat blijkt immers zoo recht duidelijk uit de reiniging van den melaatsche? O, niets behoeft in den weg te staan; wat ons in den weg staat is onze eigene gerechtigheid, wij willen gaarne iets medebrengen, waarom de Heere ons genadig zal zijn, maar juist in de plage der melaatschheid stelt de Heilige Schrift ons voor oogen, dat er niets goeds aan of in ons is, dat ons geheele bestaan, ons denken, willen en handelen onnut, verfoeielijk en verwerpelijk voor God is. Wat zoeken wij dan in ons naar gerechtigheid, wat houden wij dan toch vast aan eenige waarde of heiligheid in ons! Juist dit verhindert ons om te komen tot de reinmaking onzer zonde, tot de zekerheid onzer zaligheid.
Waar het ons wegens onze zonde, schuld en straf, wegens onze bedorvenheid en onreinheid benauwd is, zoodat wij het opgeven moeten met onszelven, te schande geworden zijn met al onze vroomheid, en slechts goddeloosheid en dood in ons overhouden, — daar leert ons de Heilige Geest ook in deze geschiedenis, dat wij vrijheid hebben om tot Jesus te gaan; daar is de betuiging: ik moet naar Jesus heen, ik waag het, kom ik om, zoo kom ik om; en of alle machten dan ook tegenstaan, wet, geweten en Satan roepen: gij moogt niet, gij zijt onrein, — men ligt aan des Heeren Jesus voeten, en daar geldt ons even waarachtig dit woord: „en Jesus, Zijne hand uitstrekkende, raakte hem aan, zeggende: Ik wil, word gereinigd!"
Wie nu zegt zijne melaatschheid, zijne zonde en onreinheid te erkennen, en de straf te verdienen, evenwel niet naar reiniging, niet naar verlossing vraagt, en het derhalve ook niet nauw neemt met de ongerechtigheid, zich niet bekommert om Gods eeuwiggeldende geboden, — hij zij, wie hij zij — hij ontvangt de waarschuwing der liefde, dat hij alzoo zich misleid zal hebben. Gereinigd moeten wij zijn door den Heere Jesus Christus, anders zal de wetenschap van onze zonde, die echter in dit geval niet hartgrondig is, ons des te meer tot veroordeeling strekken. E11 alleen in de reinmaking des bloeds Jesu Christi ligt onze waarachtige heiligmaking, n.1. die heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal. —
„En Jesus z e i d e tot hem: z i e , dat gij dit niem a n d z e g t , maar ga h e n e n , toon u z e i v e n den p r i e s t e r en o f f e r de g a v e , die Mozes geboden heeft, hun tot eene g e tu i g e nis." Daarmede gebood de Heere hem om onder de menschen geen gerucht te maken van de genade, welke hem geschied was. En dat deed de Heere, omdat Zijne hand in het verborgen wil lieelen, en opdat de beweldadigde zelf geene schade zou lijden; maar de Heere wilde, dat hij naar de Wet zich (len priesters vertoonen zou, opdat het dezen door een zichtbaar bewijs betuigd zij , dat er een Heiland in hun midden is, en zij weten mogen, Wien zij in Hem vervolgen , lasteren en haten, — óók opdat zij vernemen, dat de Heere niet t e g e n , maar v o o r de W e t is. Het offer nu, dat de gereinigde moest brengen, was een schuld-, zond- en dankoffer — offers, op Gods bevel door Mozes ingesteld, allen heenwijzende op en beteekenende Christi bloed, dat reinigt van alle zonde en alle schuld kwijtscheldt, hetwelk ook de eenige grond is van alle heiliging en dankbaarheid. Geene andere heiliging is er, dan die berust in het bloed der verzoening, — geen andere lof wordt Gode toegebracht dan in en door dat bloed.
Zoo is dan de melaatsche volkomen rein, — de wet kan niets op hem aanmerken. En geen ander loflied wordt hem in hart en mond gegeven dan: Gode a l l e e n de e e r e ! Wie ïoemt, roeme in den Heere, geen andere lof betaamt. Eigene eer bedoelde ook de Heiland niet in de dagen Zijns vleesches.
Hij had alleen het oog op den wil en de eere Zijns Vaders, die daarin bestond, dat Hij als de Zoon Zijn Middelaars-ambt vervulde, verzoening teweegbracht door Zijne voldoening, Gode tot verheerlijking, Zijne Gemeente ten eeuwigen zegen.
Opdat het volk door het ontijdig openbaar maken Zijner wonderen geen voedsel ontvangen zou voor hunne zinnelijke, vleeschelijke Messias-verwachtingen , en alzoo het werk des Zoons, door Zijnen Vader Hem opgedragen, belemmerd werd, dit was de u i t w e n d i g e g r o n d , waarom Jesus dengene, dien Hij genas, verbood om Zijne daden ruchtbaar te maken. En ten a n d e r e, opdat de door Hem beweldadigde, wien genade geschied was, niet beroofd zou zijn van den vrede, waarin hij, bij stille overdenking van de wonderbare redding naar lichaam en ziel, zich mocht verlustigen en sterken in zijnen God, en alzoo bevestigd worden in het geloof; ziedaar de tweevoudige reden, waarom de Heere hem gebood in stilheid zijnen weg te gaan.
Dat ook wij, die door den Heere begenadigd zijn en worden met de reinigmaking onzer zonden, dit ter harte nemen, opdat wij, hoe ook de drang des gemoeds daartoe moge nopen, niet ontijdig of overhaast zijn in het getuigen van hetgeen ons is geschied, maar ons sterken in den Heere onzen God, wandelende in stilheid den weg, ons aangewezen, vervullende de roeping, waartoe de Heere ons geroepen heeft, ons te meer verkwikkende, lavende en voedende met het Woord Gods, opdat het ons gegeven zij om daar, waar God ons roept, ook door de omstandigheden roept tot het getuigen van de werken Zijner genade, — te verkondigen alléén de deugden van Hem , Die ons geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Wie zich aan het Woord Gods houdt, zal ook ten dezen ervaren, dat God den mond opent, waar en wanneer Hij wil, dat wij Zijne wonderen verhalen. Het gaat niet om onze bekeerings-geschiedenis, maar om den Naam en de eere Gods. En waar het alzoo is, daar zal ook het lof- en dankoffer niet ontbreken, d. w. z. daar zal h a n d e l en w a n d el g e t u i g e zijn, dat w ij e e n e n H e i l a n d h e b b e n , Die v a n z o n d e , s c h u l d en straf v e r l o s t , Die ons door Z i j n e n Geest doet w a n d e l e n in g e r e c h t i g h e i d en h e i l i g h e i d al de d a g e n o n z e s l e v e n s.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

De reiniging van een melaatsche (Vervolg en Slot).

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken