Bekijk het origineel

Aanteekening op Openb. 13 : 18. (Vergel. de Aanteekening in No. 23 pag. 155.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aanteekening op Openb. 13 : 18. (Vergel. de Aanteekening in No. 23 pag. 155.)

Ingezonden.

8 minuten leestijd

„Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens menschen, en zijn getal is zes honderd zes en zestig."

„Dat verstaat de Antichrist niet", dat namelijk de zevende dag de Sabbat des Heeren is. Daarom gunt de Antichrist ook den armen mensch de rust niet, die hem bereid is, maar hij wil, dat de mensch werke, werke, werke, opdat hij onder, zijn werk begraven worde en nooit tot de rust kome.
Waarom, zoo vragen wij bij de mededeeling aan het slot van bovengenoemde aanteekeningen, — waarom wordt ons deze mededeeling, dat in oude handschriften foutief 216 staat, gedaan? Opdat men er over nadenken zou, gaven wij ons ten antwoord, en wij deden daarop de vraag aan de Schrift: Wat kan vertaler of overschrijver bewogen hebben, die fout te maken? Waar het het Woord Gods geldt, daar is de geest uit den afgrond steeds bij de hand om door verdraaiing of vervalsching het recht verstand der Schrift te verdonkeren; zijn werk bestaat in te verwringen en om te keeren, wat God recht gezet heeft.
„Is het ook, dat God gezegd heeft'' fluistert hij den mensch in, en de overtreding is daar. God zegt: „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw." Ik zal ze toch vereenigen, zegt de vijand, en : .. . „En het geschiedde, als de menschen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden."
Waar de Heere dus scheiding wil, daar gaat Satan aan het vereenigen, en zet de menschen aan tot het bouwen van den toren van Babel.
„Vervloekt zij Kanaan", zegt God door Noach als oordeel over de zonde tegen het vijfde gebod. Maar Kanaan is gezegend, klinkt het van de andere zijde, zie maar hoe juist de rijken der Chamieten bloeien. Zoo vinden wij het door de geheele Schrift heen, en wel komt dat op het hoogst uit, als het volk te Jerusalem eenen moordenaar de voorkeur geeft boven den Vorst des levens.
En het woord, dat de Heere sprak in de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus: „Tusschen ons en ulieden is eene groote klove", wordt tot heden toe weersproken door de leer der alles doodende en verstijvende eenvormigheid, die uit de roomsche Kerk afkomstig is en ook bij niet-Roomschen den boventoon heeft.
Vereenigen, vereenigen is de leus van allen, die de leugen liefhebben, opdat toch hunne leugenlawine sterk zij ter verwoesting.
Maar het gelukt toch niet, al schijnt dat zoo, — dat ontdekten wij bij het nagaan van het getal 666.
Eerst bezien wij de fout 216, en vragen: wat heeft de vijand daar voor belang bij! Eenvoudig zijn ouden lust bot te vieren en zichzelven te vermommen.
Het getal 216 = 6. 6. 6 of 6 x 6 x 6. In de plaats van het eerste stuk, noodig ter zaligheid: „hoe groot mijne zonden en ellenden zijn'', stelt de vijand: leer de vrome lieden kennen, die het Koninkrijk Gods in alle vier winden uitbreiden, die land en zee afreizen om Jodengenooten te maken, — leer die kennen en loof hun doen! Dat is de eerste 6. — Voor het tweede stuk: „hoe ik van al mijne zonden verlost word", komt te staan: hebt gij nu den ijver gezien, waarmede geijverd wordt voor Gods Koninkrijk, zoo sluit u bij die ijveraars aan, bouw mede, en gij wordt even verdienstelijk! Dat is de tweede 6.—Eindelijk, in plaats van: „hoe ik Gode voor zulk eene verlossing zal dankbaar zijn", staat: leg u op de heiligmaking toe, teeken uwe hand voor alle vereenigingen van het werkdadig Christendom en zeg van ieder, die niet meedoet, .dat het niet behoorlijk is, dat hij leve! Dat is de derde 6.
Ons houdende aan de onderwijzing in de aanteekeningen, zien wij in dit 216 zooveel als: werken moet de mensch, zoo lang, totdat hij zich gelieel omwerkt en ommuurd heeft, en er van eene ruste Gods geen sprake zijn kan. Dat die echter voor het volk Gods o v e r b l i j f t , zullen wij bij het verder nagaan van wat de aanteekeningen zeggen, zien uitkomen.
Eerst nog dit: 't Is duidelijk, dat 6 het getal is, dat arbeid beduidt: arbeid met al wat daaraan vast is: moeite, verdriet, strijd. Zes dagen zult gij arbeiden. En verder: Gen. 3 : 18.
Nu is het getal 216 of 6 x 6 x 6 een kubiek getal, dat dus lengte, breedte en diepte of hoogte uitdrukt, en wel in lijnrechte tegenspraak met de lengte, breedte en diepte, waarvan Paulus spreekt, Efeze 3 : 18, 19.
Wederom aan de hand van de aanteekeningen zien wij in 666, — het juiste getal, — alle macht van den Antichrist, zooals die zich openbaart in den toeleg, om de Gemeente Gods uit te roeien. Het bestaat uit 600 + 60 + 6 of zeshonderd zes en zestig. Wat leert de Schrift daaromtrent? Toen Farao het volk Israël wilde terugvoeren, nam hij zeshonderd uitgelezene wagens en jaagde Israël na. Nu scheen het met Israël en met de beloften, die dit volk in zich droeg, gedaan.
Maar Israël vinden wij aan den oever der Schelfzee, zingende het lied van Mözes, waarvan de hoofdsom is: „Hij heeft Farao's wagenen en zijn heir in de zee geworpen."
Vervolgens: In de dagen van Saul was het volk in gevaar van verslonden te worden door de Filistijnen, en weder was de toeleg zeer nabij het gelukken. Een kampvechter van zesellen lang treedt tegen hen op, en hoont de slagorden Israëls.
Maar een jongeling komt hem te gemoet in den Naam des. Heeren, Wiens slagorden hij gehoond had, e n . . . de vreugdekreet van de Israëlitische vrouwen klinkt: „David heeft zijne tienduizenden verslagen."
Later, toen Israël in Babel was, werd er in het dal Dura een beeld opgericht van zestig ellen hoog, en het gebod aangaande dit beeld was: Wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelver ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden. Ten derdenmale dreigt dus de ondergang het volk. Deze geschiedenis eindigt echter zoo: Toen maakte de koning Sadracli, Mesach en Abednego voorspoedig in het landschap Babel. Dit zijn dus de drie zessen 600, 6 en 60, die in de Schrift den strijd der Gemeente bewerken.
Nu volgt onmiddelijk op de aanwijzing van dit getal 666 in Openb. 13: 18 wat wij lezen Openb. 1 4 : 1 : „het Lam stond op den berg Zion, en met Hem 144000, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden." De aanbidders van het beeld hebben een merkteeken aan hand en voorhoofd, d. i. zij zijn te kennen aan hun doen en spreken. De 144000' worden nu bestreden en gedurig aangevallen door hunnedoodvijanden : den duivel, de wereld en hun eigen vleesch. Toch bidt de Heilige Geest in hen: „Leid ons niet in verzoeking", en zij komen in en op dit gebed telkens weer boven.
Wat zien wij nu als wij 666 deelen op 144000. Er komt 216, maar er blijft altijd 144 over, en dat is het getal van de stad Gods, naar Openb. 21: 16, waarop de geloovigen zien. Dus, houw op de Gemeente in, er blijft 144 voor de lengte, sla er nog eens op in, er blijft 144 voor de breedter ga voort met haar te bestoken, er blijft 144 voor de hoogte, — houd niet op haar te belagen, de stad blijft eeuwig vast gegrond, en daarbinnen komt niets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.
Dus: Neergeworpen, maar niet verdorven: 2 Cor. 4: 9.
Zoo kunnen lijfs- en zielenood, strijd en aanvechting de geloovigen als in stukken houwen, juist daardoor gaan zij op naar de stad Gods. Door lijden tot heerlijkheid, — de 144000 versneden, verdeeld door 666, nochtans steeds komt 144 terug.
Welke machtige vertroosting ligt hierin dus. Deze troost namelijk: De duivel gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden, — en daarentegen: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Er blijft dan eene rust (afgebeeld in de overblijvende 144) over voor het volk Gods.
't Is dus de troost en de lijdzaamheid der Schrift, waardoor wij hoop op God hebben, 't Is waar: Zoo niet de Heere der heirscliaren ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn, wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn. Jes. 1 : 9. De Heere der heirscliaren laat echter te allen tijde nog eenen Schear-Jaschub geboren worden, Jes. 7:3, die het den tijdgenooten predikt: Er is een overblijfsel, en dat ontkomt. Welgelukzalig die, om te weten of hij tot het overblijfsel behoort, naar geen ander teeken vraagt, dan naar het teeken van Jona, den Profeet!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Aanteekening op Openb. 13 : 18. (Vergel. de Aanteekening in No. 23 pag. 155.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken