Bekijk het origineel

Leerrede over Hooglied 1 vs. 4. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Leerrede over Hooglied 1 vs. 4. (Slot.)

10 minuten leestijd

De ware Salomo is een Koning des vredes bij Zijn volk, — maar Hij maakt geenen vrede met de hel; de door God gezette vijandschap is eene blijvende; de Koning is een Held, die uitgaat om te overwinnen. Daar is de vraag: Zal de Bruid zitten blijven in hare binnenkameren ? neen, zij wil bij den Koning blijven, zij wil mede in het veld — zij zal en moet mede, maar zij kan niet. Wat is de oorzaak, dat zij niet kan, of zij wel wil en moet? De oorzaak ligt in hare zwakheden, hare veelvoudige zwakheden.
Wonderlijk is de Naam van onzen Koning, wonderlijk is Zijne wijze van den strijd te voeren. Wie had het ooit kunnen denken, dat een voet met vermorzelde verzenen den harden kop der slang vertreden en vertrappen zou; dat een van God verlaten en in het stof des doods door God geworpen worm, en geen mensch, een spot der lieden en eene verachting des volks, met doorstoken handen en voeten, triumfeerend zou uitroepen : het is volbracht? Dat Een Zich zou laten binden in de smarten des doods, met opzet, dat de dood Hem zou moeten weder ontbinden en zoo tevens loslaten alle kinderen des doods? Zag de Kerkbruid niet van oudsher op tegen zulk eene wijze van strijdvoeren? „Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van den sterke" — was dat niet steeds een raadsel, tot men het opgelost zag? tot men den helschen leeuw verslagen zag, en zijn woeden der Kerkbruid had moeten medewerken ten goede? Of stonden de discipelen niet allen van verre, toen de Koning Zijne macht toonde van het kruis? of zeiden zij niet: Wij meenden, dat Deze Israël zoude verlossen, en het is heden reeds de derde dag? IIet strijdvoeren van onzen Koning, dien sterken God Jakobs, was steeds zoo, dat Hij den vijand alies liet innemen en Zijn koninklijk kleed en het kleed Zijner Kerkbruid door allerlei woest gedierte in flarden liet scheuren, totdat Zijne zilveren krijgsklaroen het lied blies: „Beraadslaagt (gij vijanden allen) eenen raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan, want God is met ons!" (Jes. 8: 10.)
Is Zijn strijdvoeren thans anders? Is het thans anders in ons eenmaal zoo bevoorrecht vaderland? Waar gaat in ons vaderland de klacht niet op: „Uwe wederpartijders hebben in het midden Uwer vergaderplaatsen gebruld, zij hebben hunne teekenen tot teekenen gezet. Een ieder wordt er bekend als een, die de bijlen omhoog brengt in het midden van Uw geboomte ?" Is het niet alsof de Koning aan ket wild gedierte de ziel Zijner tortelduive overgaf, alsof Hij den hoop Zijner ellendigen vergat? (Ps. 74.)
Wie der geloovigen vindt zulk een strijdvoeren niet vreemd? Wie ziet er niet tegen op om mede te trekken? Niet dat w ij den vijand te verslaan hebben, dat zal de Koning doen. Zien wij maar niet op de vijanden, maar op den Koning. Zijn wij bij Hem? dat is de vraag. Gaan wij met Hem door onbezaaide zoowel als door bezaaide landen ? Yolgen wij het Lam, waar Het ook heengaat. Wie voelt hier niet zijne zwakheid, zijne volslagene machteloosheid ?
Maar er is meer. Er is een heilig opzien tegen Zijne Majesteit. De Bruid is arm, zij is niet schoon, maar zwart in eigene oogen; zij gevoelt zich zulk eenen Koning niet waard; zij is verkeerd van aard, en heeft met dien verkeerden aard aldoor te strijden, zonder dat zij dezelve te boven komt. En toch, eene bruid is gaarne door den bruidegom aangetrokken, — des Heeren Gemeente is gaarne aangetrokken door haren Heere, als zij de zalfolie van Zijnen Naam riekt en van Hem verneemt: Ik heb u vrijwillig lief.
Zij durft Hem niet trekken, zij kan Hem niet trekken, daarom bidt, roept en schreeuwt zij: Trek mij, Gij groote Koning, Gij groote Ontfermer, zonder Wien ik niet leven kan — trek mij!
Wat geeft dit trekken te verstaan? Er staat geschreven Hosea 1 1 : 4 : „Ik trok hen met menschenzeelen, met touwen der liefde," dat is: Ik wist, dat zij menschen waren, en behandelde hen menschelijk als menschen; Ik overreedde hen op menschelijke wijze, — zoo trok Ik hen tot Mij; Ik bracht hen in de banden Mijner liefde, met Mijne geheele barmhartigheid en ontferming overwierp Ik hen, zoodat zij van Mij niet afblijven konden; Ik ben hun met Mijne liefde te sterk geworden en heb overmocht. Met die menschenzeelen, met die touwen der liefde moge Hij ons trekken, zóó trekken, dat wij nimmer of nooit meer van Hem af kunnen , dat is de bede, dat zijn de woorden, die de groote Koning des vredes Zijner Bruid Zelf in den mond legt.
Er is met dit trekken geen aanvankelijk trekken gemeend.
Het is niet die trekking, waarvan de Heere zegt: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke." (Joh. 0 : 44.) Die zoo getrokken zijn bidden hier, dat zij door den Zoon mogen getrokken worden, dat is, dat Hij met Zijne liefde, genade en barmhartigheid over hen komen moge. Het is hier geen trekken om genot der minne, maar om den gang te doen in de binnenkameren; en die gang loopt door de woestijn, loopt door dat veld heen, waar de Koning het vol doode lichamen maakt, waar Hij dengene verslaat, die het hoofd is over een groot land, — volgens Psalm 110; — daar wil de Bruid doorheen getrokken worden.
Hoe trekt die Koning? Dat doet Hij door Zijn Woord en Geest, waardoor Hij ons het verstand verlicht en den wil o ver buigt. Wat zien wij, als Hij zoo ons verstand verlicht?
Dan zien wij, dat al het ondermaansche en al ons zijn en doen zonder dezen Koning niet dan ijdelheid is. Zoo zien wij dan, dat elke plant, die de Vader van onzen hemelschen Koning niet geplant heeft, uitgeroeid zal worden; dat wie vader of moeder, broeder en zuster, vrouw en kind, huis en schuur liever heeft dan dezen Koning, Zijns niet waard is; dat wij ons onzen Koning en Zijne woorden en bevelen niet behoeven te schamen, — en naar hemel of aarde niet behoeven te vragen, als wij Hem maar hebben; dat wij met Hem geen gevaar loopen; dat Hij eigenlijk reeds alles volbracht heeft, en wij dus van de overwinning zeker zijn, maar bovenal dat Hij een vriendelijk Koning en goedertieren Heere is, Die wel woord houdt, als Hij het ons eens gezegd heeft: „Ik heb gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden: wees verre van verdrukking, want gij zult niet vreezen, en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken. . . Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken." (Jes. 54.)
Wat willen wij, als deze Koning onzen wil overbuigt ? Alles wat de Koning wil, zonder uitbeding.
Welaan, mijn ziel! het ga zoo 't wil,
Stel u gerust, zwijg Gode stil,
Hij immers zal uw Rotssteen wezen.
Wij willen dan het onzichtbare, het blijvende, het eeuwige, — en van ons willen en loopen geene sprake meer, — ,,Uw wil geschiede"; Zijnen wil willen wij in hart en huis, voor onszelven en voor de onzen. Hij wil, dat wij Hem alles zeggen, alles klagen en alles vragen, daarom doen wij het ook, en deden wij liet maar meer. Hij wil dat wij zalig zijn, daarom zijn wij zalig in hope. Hij wil dat ons Zijne genade genoeg zij, daarom is zij ons genoeg.
Als Hij ons trekt, dan gebeurt er wat: — dan kan de geheele hel, dan kunnen, zonde, wereld en dood, dan kan geen vermeend gevaar ons weerhouden; dan kan het ons niet weerhouden, dat wrij geene kracht hebben, — er wordt naar geene kracht gevraagd, als Hij ons trekt. De kracht ligt in Zijn trekken , — wij loopen, wij loopen Hem na, waar Hij ook heengaat, gelijk geschreven staat Openb. 14 : 4. Als Hij trekt, dan verwijdt Hij ons het hart, dat wij zeggen: Ik zal den weg Uwer geboden loopen, als Gij mijn hart zult verwijd hebben. En in dat naloopen krijgen wij nieuwe kracht, zooals beloofd is Jes. 40: „Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen, zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden." Daarom zegt David Ps. 63 : 9: „Mijne ziel kleeft U achteraan, Uwe Rechterhand ondersteunt mij." Als Hij trekt, dan is er geen afval in den tijd der beproevingen, maar geduld en volharding onder het kruis en onder allerlei lijden, ook wat men van zijn eigen vleesch lijdt, en men kent den troost der woorden : „Opdat de beproeving uws geloofs kostelijker zij dan van het goud." (1 Petr. 1 : 7; Hebr. 12 : 1.) En zoo brengt dan de Koning eindelijk in de binnenkameren; wij komen er vanzelf niet in, en hoe waar wordt het daar wat wij Psalm 25 lezen: „De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vreezen, en Zijn verbond, om hun die bekend te maken." Daar verheugen wij ons dan, en verblijden ons in dezen Koning, gelijk de Gemeente betuigt: „Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Ileere, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijne zaligheid." (Jes. 25.) Wij zullen Zijne uitnemende liefde als ver boven alle wereldsche genietingen met lofzangen vermelden en ook aan anderen vertellen wat de Heere aan onze ziel gedaan heeft.
Eéne ziel is getrokken, barmhartigheid is haar geschied, — dat hooren anderen; deze gelooven dat getrouwe en alle aanneming waardige woord, dat Christus Jesus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, — en zij loopen IIem mede na.
Dat is voor God „billijkheden", Jesus lief te hebben; en dat is voor God „onrecht", Hem niet alleen en onverdeeld te kiezeu tot zaligheid en gelukzaligheid.
Gemeente des Heeren, en gij allen, die mij heden hoort, — die de goede keus gedaan hebt: Ziet niet zoozeer op den toestand van Kerk en land, als op uwen eigenen toestand, en dan: zwerft niet om! Er staat geschreven: „Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijne wortelen uitslaan als de L i b a n o n . . . . Efraïm. wat heb Ik meer met de afgoden te doen P Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien. Ik zal hem zijn als een groene den neboom, uwe vrucht is uit Mij gevonden."
De schuld van het verval zit bij geene regeering op zichzelve, in geene wetten of vormen, maar bij des Heeren volk zelve: in woord zonder wandel, — in wetteloos of wettisch bestaan, — in vasthouden aan het aardsche en vergankelijke, — in menschenvrees en gemakzucht, — in het blijven zitten opzonden, — -en in het niet willen weten, wat de eigenlijke zonde is, — in het bepalen en beperken van de liefde Gods en van de genade, macht en waarheid van onzen Vredekoning.
Het zij en worde ons gebed: Trek mij! — en wij loopen den Heere na en den Achabs vooruit, — en er zal regen komen, dat het land zijn gewras geve — en het overblijfsel behouden worde. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Leerrede over Hooglied 1 vs. 4. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken