Bekijk het origineel

Ter verklaring van Leviticus 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Leviticus 2.

De wet van het spijsoffer.

9 minuten leestijd

Het woord, dat hier door spijsoffer vertaald is, heet eigenlijk g e s c h e n k , gave. Maar er is ook hier, evenmin als bij het brandoffer, sprake van, dat wij Gode iets brengen, Hem iets schenken konden, zoodat Hij voor Zich daarvan iets zonde hebben. Hij, Die den hemel en de aarde geschapen heeft, de zee en al wat daarin is, — wat zouden wij Hem kunnen geven? Hij neemt geenen var uit ons huis, noch bokken uit onze kooien (Ps. 50).
Het moet echter erkend worden, dat wij alleen van God alles hebben, dat ook al hetgeen wij bezitten een geschenk, eene gave is uit Zijne hand, en dat Hem daarvoor alleen alle eere toekomt. Verder zullen wij erkennen , dat wij al hetgeen Hij ons gegeven heeft, door onze schuld verzondigd en verdorven hebben, en voortdurend verzondigen en verderven. Wat wij uit Gods reine hand in onze onreine hand nemen, dat verontreinigen wij immers voortdurend. Wat God goed geschapen en goed gegeven heeft, dat verwoesten en verderven wij onophoudelijk weder. Dat hebben wij te erkennen. Geven wij dan, wat wij ontvangen hebben, weder in Gods hand terug, onze zonde belijdende, — belijdende, dat wij alles door onze schuld verkwist en doorgebracht hebben, — opdat wij het in Christus opnieuw en in waarheid ontvangen, dan eerst in waarachtigen zegen en tot waarachtig genot. — Dat is de beteekenis van het spijsoffer.
Hoe hebben wij, die rebellen zijn, niet alles verzondigd en verbeurd , en hoe verzondigen en verbeuren wij het niet alles gedurig. Juist bij de gaven Gods komt onze ondankbaarheid het meest aan den dag. Alle geestelijk en lichamelijk leven, alle voeding, waardoor dit tijdelijk leven onderhouden wordt, het dagelijksch brood, dat Gods goedheid ons op ons gebed en ook zonder ons gebed geeft, wordt door ons gedurig verzondigd; God overlaadt ons met alle goed, en wat doen wij er mede? hoe gebruiken wij het? hoe wenden wij aan wat Hij ons gegeven heeft? Moeten wij niet van ons belijden, dat wij het gemaakt hebben als de verloren zoon, die alles bijeenvergaderde, wat de vader hem gegeven had, naar een vergelegen land trok en het daar doorbracht, overdadiglijk levende?
Juist dan, als het ons goed gaat, als wij allen rijken zegen van God hebben, laten wij Hem, den Gever van al het goede, varen; wij vragen niet naar Hem, en er komt in het hart op: Wie is de Heere? wij letten niet meer op Zijn Woord, maar geven hetzelve prijs. Alleen de aanvechting doet op het Woord acht geven, en als er geen doorn in het vleesch is, geen engel des Satans, die met vuisten slaat, dan is er niets dau zelfverheffing en opgeblazenheid aanwezig, en de genade is ons niet meer genoeg. Daar wordt dan den mensch de beste en rijkste tafel tot een' valstrik, en de zegen des Heeren verkeert in vloek.
Daarom vermaant de Heere Zijn volk door Mozes zoo getrouwlijk Deuteron. 8: „Want de Heere, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; een land van tarwe en gerst, en wijnstokken en vijgeboomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfboomen en van honig; een land, waarin gij brood zonder schaarschheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks steenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult. Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zoo zult gij den Heere, uwen God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. Wacht u, dat gij den Heere, uwen God, niet vergeet, enz."
„Opdat niet uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den Heere, uwen God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft; Die u geleid heeft in die groote en vreesehjke woestijn, — en gij in uw hart zegt: mijne kracht, en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen. Maar gij zult gedenken den Heere, uwen God, dat Hij het is, Die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; e n z . E n hoezeer moet de Heere klagen, Deuteron. 32 : 7: „Gedenk aan dft dagen van ouds, merk op de jaren van elk geslacht; vraag uwen vader, die zal het u bekend maken, uwen ouden, en zij zullen het u zeggen. Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneenscheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israëls. Want des Heeren deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve. Hij vond hem in een land der woestijn, en in eene woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem; Hij bewaarde hem als Zijn' oogappel. Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken, zoo leidde hem de Heere alleen, en er was geen vreemd God met hem. Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots; boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Basan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken. Als nu Jeschurun vet werd, zoo sloeg hij achteruit; (gij zijt vet, gij zijt dik, ja met vet overdekt geworden!) en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils. Zij hebben hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt. Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden: nieuwe, die van nabijgekomen waren, voor dewelke uwe vaders niet geschrikt hebben. Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten, en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft/' Het is de geschiedenis van het volk Israël, het is te gelijk onze geschiedenis, die de Heere ons als in eenen spiegel voor de oogen stelt in het zestiende Hoofdstuk der Profetiën van Ezechiël. (Lees het maar eens door!) God heeft alles gegeven, en Zijn volk heeft alles bedorven op de gruwelijkste en schandelijkste wijze. Alles, alles wat de Heere aan ons, die Hij als de onwaardigsten in vrije ontferming heeft aangenomen, geschonken heeft, — alles wat Hij ons heeft gegeven, waarmede Hij ons gekleed en versierd heeft, dat hebben wij weder aan de afgoden gehangen, hebben het verontreinigd en weggeworpen. — Een land, vloeiende van melk en honig, heeft de Heere ook naar het uitwendige Zijnen volke gegeven, — maar hoe hebben zij den Gever veracht en vergeten! Hij heeft zulk een land ook aan ons gegeven; Hij heeft ons begenadigd met allerlei weldaden en zegeningen, — maar wat doen wij, wat hebben wij daarmede gedaan P wat hebt g i j gedaan met het ontvangen talent? wrat met al hetgeen gij gehoord, geleerd, ontvangen hebt van uwe jeugd af aan, uit Gods Woord? Hoe hebt gij ook de gaven voor het lichaam aangewend, het dagelijksch brood? Alles, alles is verzondigd!
Maar Christus heeft deze onze zonde verzoend, terwijl Hij Zichzelven, Zijn geestelijk en lichamelijk leven heeft overgegeven. En alzoo is Hij geworden onze spijze, de spijze van ons leven.
Bij het spijsoffer legt dus de geloovige zijn geestelijk en lichamelijk leven , ook zijn dagelijksch doorkomen, met de bekentenis van zonde en schuld, in Gods hand; hij belijdt, dat hij alles heeft verdorven en verloren, maar houdt zich aan Christus, Die alles verzoend heeft, en in Wien alles in vrije ontferming aan hem wordt geschonken, zoodat het „geschenk", eene vrije genadegift is. Dat is het spijsoffer.
Daarbij wordt meelbloem gebruikt, en wel van tarwe, zooals Ex. 29 : 2 uitdrukkelijk van tarwe-meelbloem sprake is, hetzij zonder bijzondere toebereiding (naar Vs. 1), of als gebak des ovens (Ys. 4), of in de pan gekookt (Vs. 5), of spijsoffer des ketels (Ys. 7), of van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren. (Ys. 14.)
Deze meelbloem, of tarwe, is een beeld van vruchtbaarheid, van den besten hemelschen en aardschen zegen, dien God geeft. Daarom staat er Ps. 81 : 17: „En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe", en wederom Ps. 147 : 14: „Hij verzadigt u met het vette der tarwe", dat wil zeggen: met allen overvloed van zegeningen. Yergl. ook Deuteron. 8 : 7—9.
Als uit deze tarwe of meelbloem eene goede spijs zal gebakken worden, — o, welk lijden moet het dan uitstaan.
Eerst wordt het uitgedorscht op den dorschvloer door de voeten der runderen, die er overheen gedreven worden, of zooals het bij ons geschiedt, door den dorschvlegel of de dorschmachine; dan komt het in den molen en wordt gemalen, geheel klein gewreven. Daarna gaat het in de hitte van den oven, in den gloed van het vuur, of ook in de pan, in den ketel, — daar wordt het gebakken. En hetgeen gebakken is, moet (naar Vs. 6) weder in stukken gebroken worden. Zoo is onze Heere Jesus Christus in de hitte van het schrikkelijkst lyden, in den gloed van Gods toorn ingegaan, zoo is Hij van God en menschen geslagen en verbrijzeld geworden, en juist langs dezen weg, terwijl Hij zoo Gode Zijne eere toebracht, is Hij voor ons eene waarachtige spijze geworden; zooals Ilij Zelf zegt: Mijn vleesch — (dat Hij geeft voor het leven der wereld, Zijn lichaam, voor ons gebroken,) — is waarlijk spijs. (Joh. 6 : 55.) (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Leviticus 2.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken