Bekijk het origineel

De Dankzegging na het Formulier van den Heiligen Doop.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Dankzegging na het Formulier van den Heiligen Doop.

16 minuten leestijd

„Het Formulier van den Doop, ja, dat kan ik onderschrijven, daar kan ik mij geheel mede vereenigen, — maar de Dankzegging, neen, daar sta ik voor, die durf ik niet aan."
Deze woorden kwamen voor in een gesprek van eenen vader, die voor het geval stond zijn kind ten Doop te brengen, met iemand, wien hij naar opheldering vroeg.
Er zijn er meer, die de Dankzegging na ons Doopformulier óf niet aandurven óf niet aanwillen. Zelfs zijn er predikers, die j a het geheele Formulier lezen, namelijk: de drie stukken van de leer des Heiligen Doops; het gebed vóór de bediening des Doops, en de vermaning aan de ouders en die mede ten Doop komen. Maar dan komt vóór of na het doopen zelf eene toespraak , buiten het Formulier om, die den inhoud van hetzelve als op den achtergrond stelt. Daarna komt dan het gebed van den leeraar zelf, zooals het uit zijne toespraak voortvloeit. Of, het nagebed wordt uitgesproken en daarop eene toespraak toegediend, geheel in tegenspraak met den inhoud van de Dankzegging.
Voor dezulken, die zoo ver zijn als de vader, van wien hier sprake is, zal een eenvoudig nagaan van de Dankzegging en het nauwe verband, waarin zij tot het geheele Formulier staat, zeker niet ondienstig zijn. Oog en hart mogen hun opengaan bij de ontdekking van den rijken troost, die er in gelegen is, en mogen zij van harte leeren zeggen: „O almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U". Zij, daarentegen, die dit gebed niet willen bidden, mogen toezien, wat zij verwerpen, en wat zij in hunnen hoogmoed verachten. Is of wordt hun ons dierbaar Formulier met zijne Dankzeggingniet een dwang om in te gaan tot de bruiloft, die de Koning Zijnen Zoon bereid heeft, hun zeggen wij niets dan: lee3 en herlees wat geschreven staat Lukas 14: 24.
Wat bevat ons Doopformulier?
De drie stukken, die noodig zijn, om wel getroost zalig te leven en te sterven. Dezelfde drie stukken, die de Catechismus breeder behandelt, en dus de geheele leer der zaligheid.
Nu komt in het eerste punt van de vermaning aan de ouders voor: of gij n i e t b e k e n t , dat zij — de kinderen — i n C h r i s t u s g e h e i l i g d zijn, en d a a r o m , als lidm a t e n Zijner G e m e e n t e , b e h o o r e n g e d o o p t te w e z e n . Hierop zeggen de ouders, die het geheele Formulier beamen, van harte „ja". Of nu de Dankzegging iets anders bevat, willen wij aandachtig nagaan. De aanhef luidt: Alm a c h t i g e , b a r m h a r t i g e God en V a d e r ! Hier wordt God de Heere aangesproken met den Naam, dien Hij bij het verbond met Abraham Zelf genoemd heeft. Ik ben God, de Almachtige, heet het daar.
Almachtig is God, zoo belijden wij in deze Dankzegging, machtig dus om eenen armen mensch, die in zonden ontvangen en geboren is, en dus een kind des toorns, Zijn kind te maken en in het Rijk Zijner genade op te nemen. Machtig is de Heere, om eenen mensch, die tot alle goed onbekwaam en tot alle kwaad geneigd is, door Zijnen Zoon Jesus Christus van alle zonden rein en vrij te maken, en door den Heiligen Geest in de door Christus vervulde Wet te doen wandelen. Machtig dus, om het Woord der prediking van het Doopformulier waar te maken. Zoo grijpen de geloovige ouders hiermede Gods sterkte aan, en ' t i s , als zuchten zij tot God: Almachtige, ik begrijp het niet, mijn verstand vat het niet, maar Uw Woord predikt ons, hoe Gij ons en onzen kinderen genadig zijt, en aan Uw Woord, dat toch medebrengt, wat het zegt, houden wij ons. Gij spreekt en het is er, Gij gebiedt en het staat er.
Toen de Heere Zijn verbond ging oprichten met Abraham, ving de Heere aan met: „Ik ben God, de Almachtige," omdat •er in hetgeen de Heere verder zeggen zou, ook veel zou zijn, dat aan Abraham onwaarschijnlijk, ja onmogelijk toeschijnen zou. De woorden des verbonds waren : „En Ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot eenen God, en uwen zade na u. Gen. 17: 1, 7. De Heere richt dus Zijn verbond op met Abraham en zijn zaad in hunne geslachten. Geene beperking van Gods zijde, maar ruimte voor al het zaad Abrahams in al hunne geslachten, om in dit verbond te worden opgenomen. Wij mogen wel eens aandachtig gadeslaan, hoe God de Heere alleen weet te vereenigen, wat bij elkander behoort. Waar Hij ouders zegent, daar komt het den kinderen ten goede, ja het gaat om de kinderen, — en wat zijn de ouders zonder hunne kinderen? Dat Abraham het ook zoo begreep, blijkt uit Gen. 15 : 2 , waar hij, op des Heeren verzekering: „Ik ben u een schild, uw loon zeer groot", antwoordt: „Heere, Heere! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga?" Is het niet, als zeidehij: ach, waar blijft zulk eene heerlijke belofte, als zij niet op mijne kinderen overgaat ? Nu kan men zeggen: Maar alle nakomelingen van Abraham waren toch niet Gods kinderen, €n genade is toch geen erfgoed. Dat is waar, maar dat gaat ons niet aan; ons gaat echter wel aan, dat God met Zijne ruime verbondsbedeeling tot heden toe nooit heeft opgehouden, en Zijne verbondsbelofte niet heeft ingetrokken. Neen deze, evenals alle beloften Gods, zijn in Christus Jesus ja en amen.
Een eeuwig verbond sloot God, en het Doopformulier verkondigt geheel naar Gods Woord, dat deze God onze God is. Hierbij zingt de Heilige Geest in de zielen der geloovigen: Yele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen. Hoogl. 8 : 7, en : O Heere! Uwe goedertierenheid is tot in de hemelen; Uwe waarheid tot de bovenste wolken toe, Ps. 36 : 6. Daarom volgt er ook in de Dankzegging: „barmhartig". O Heere, Gij k u n t naar Uwe almacht, Gij w i l t naar Uwe barmhartigheid.
„Wij werpen onze smeekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uwe barmhartigheden, die groot zijn. Dan. 9: 18b.
Verder zegt onze Dankzegging: „Wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen, door het bloed Uws lieven Zoons Jesu Christi, al onze zonden vergeven, en ons door Uwen Heiligen Geest tot lidmaten Uws eeniggeboren Zoons, en alzoo tot Uwe kinderen aangenomen hebt, en ons datzelve met den Heiligen Doop verzegelt en bekrachtigt*'. Tegen deze zinsneden rijzen nu allerlei bedenkingen, voortspruitende uit den hoogmoed des menschen, waardoor hij het Woord niet kan laten staan, maar het in zijne zondige handen neemt, om het te verwringen, en God te meten met zijne eigene menschelijke maat.
De mensch komt tegen zulke woorden op, zoolang het hem nog schemert, dat God g e n a d i g is, dien Hij genadig is.
Dit schemert eenen mensch, die niet hartgrondig zijne verlorenheid kent, die zijne grondverdorvenheid niet ziet, en die dus altijd nog een steunsel heeft buiten of benevens de genade.
Het kan eenen mensch van nature maar niet behagen, Gode alleen de eer te geven; in werkelijkheid en waarheid God alleen te erkennen als de eenige Bron onzer zaligheid. Neen, erkennen wij het toch, wij gunnen God Zijne eere niet, dat in Zijn hart het eerst de gedachte des vredes over ons opgekomen is, dat Hij, buiten ons en zonder ons, onze zaligheid heeft vastgesteld in Christus Jesus.
Onze hoogmoed en verwaandheid gaat zoo ver, dat wij God naar het hart steken, door Zijne liefde te miskennen, en Hem den wijzer te willen zetten, wien Hij genadig zijn zal, en wanneer. — Hoe, zoo redeneert vleesch, hoe kan men van kinderen, die nog van niets weten, zeggen, dat zij door het bloed Jesu Christi vergeving van zonden hebben, dat zij tot lidmaten van den Heere Jesus en tot kinderen Gods aangenomen zijn.
Die kinderen kunnen dat toch eerst later worden, als zy eerst tot het geloof gekomen zijn ! Hoe kan men zeggen, dat God zulks aan die kinderen door den Doop bezegelt en bekrachtigt ?
Moet men dan aannemen, zoo luidt het al verder, dat alle gedoopte kinderen zalig worden ? Er is immers geen afval deiheiligen , dus dan zijn alle gedoopte kinderen zalig en kunnen niet verloren gaan ? — Zoo redeneert vleesch, en het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God. Rom. 8 : 7. Dus zoo redeneert onze vijandschap tegen God. Wij herhalen: de mensch vermeet zich, God den Heere ter verantwoording te roepen, en Hem te meten met zijne vleeschelijke, zondige maat.
Vragen wij heilbegeerig: hoe moet ik dit alles verstaan, dan zullen wij ons verstand gevangen geven onder de gehoorzaamheid Christi, en uit de Schrift rijke leering en vertroosting daarover ontvangen. Wij zien eens, wat Abraham deed, toen de Heere Zijn verbond met hem opgericht had. Hij zegt niet: ik zal toch wel alleen de bekeerden uit mijn huis moeten besnijden en met de kinderen wachten, totdat zij groot zijn.
Trouwens de Heere had er bijgevoegd: Een zoontje van acht dagen zal u besneden worden, m. a. w. een zoontje van aclit dagen zal het teeken Mijns verbonds in zijn vleesch ontvangen.
Abraham besneed dus al degenen, die in zijn huis waren. Hij geloofde God, en kreeg al zijne ingeborenen mede in het verboiul, dat God met hem had opgericht. Het Woord nam hen allen in het verbond op, evenals het Woord eens al de reisgenooten van Paulus mede in de redding van de schipbreuk opnam.
Het Woord doet het alleen. God spreekt: Ik ben uw God en de God van uw zaad, en hier hebt gij het teeken er van aan uw lichaam. Dat Woord is een machtige stroom van genade, die over allen heen gaat, die in zijn bereik komen. Wij doen dus beter met dit Woord zijnen loop te laten en God te bidden, dat het ook over ons en onze kinderen kome, dan ons te laten afleiden door vragen, die niet alleen geen nut doen, maar die den vrijen loop des Woords in den weg treden. Zoo spreekt het tot Abraham: „De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vleesch, tot een eeuwig verbond.*1 Gen. 17 : 18.
Wat zouden zij, die onze Dankzegging verwerpen, wel zeggen van zulk eene kwistige verbondsbedeeling? Laten zij in de voetstappen van Abraham wandelen en God gelooven, dan zullen zij blijde spreken: wij danken en loven U.
Mozes zegt Deuteron. 7 : 6 : Gij zijt een heilig volk den Heere, uwen God. Alweder geene beperking. Er staat al wrederniet: De bekeerden onder u zijn heilig, maar: gij zijt het. Ook gaat het het geheele volk aan, als Mozes zoo herhaalde malen zegt: Gij zijt een heilig volk den Heere, uwen God, en dat tot hetzelfde volk, dat menigmaal uit zijnen mond hooren moet: gij zijt een hardnekkig volk. Vinden wij deze toespraak bij de Apostelen, dan geldt zij Gemeenten, onder wie zeer lakenswaardige praktijken moesten aan het licht gebracht en berispt worden. Lezen wij 1 Cor. 7 : 12—14, dan rijst ook de vraag: waarom zegt de Apostel hier van de kinderen: maar nu zijn zij heilig? Het antwoord is eenvoudig: Omdat het Woord hen heiligt. Wat doet verder het „heiligen en beminden" in Col. 3 : 12 denken, als men die heiligen en beminden te voren hoort vermanen met: Maar nu, legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond? Dat deze heiligen en beminden menschen wraren, die dit alles aan hadden, en dat het Woord hun dit alles kwam uittrekken, en hen er van reinigen. Heilig en bemind zijn zij alleen door het Woord, dat tot hen komt, gelijk de Heere tot Zijne discipelen zegt: Gij zijt rein, om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb.
Zoo wordt dit ook in de Dankzegging erkend. Het Woord is gepredikt in het Formulier en in de handeling van den Doop zelve. Wij hebben dat Woord, deze prediking ontvangen en belijden nu, dat hetgeen daar gepredikt is de waarheid is.
De Dankzegging zegt: Almachtige, barmhartige Yader, Gij hebt ons, — dat hebben wij juist vernomen, dat is het ons gepredikte Woord, — Gij hebt ons onze zonden door het bloed van Jesus Christus vergeven en ons tot Zijne lidmaten en Uwe kinderen aangenomen. Dat heeft het Woord gedaan, en wie het Woord heeft, die heeft daarin alles, wat de Dankzegging uitdrukt, en zoo menigmaal het Woord tot ons komt, zoo menigmaal hebben wij bekeering en vergeving van zonden. De mensch echter, zooals hij in zichzelven is, kan God niet God laten zijn, kan Zijne souvereine genade niet erkennen, veel minder Hem voor zulke genade danken en loven. Daarbij zit de zucht om al wat God doet en zegt om te keeren, zoo diep geworteld, dat, hoe duidelijk ook het Doopformulier zegt: „Overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn, zoo wTorden wij ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid,". . . men de zaak altijd omkeert, en altijd onze gehoorzaamheid eerst wil en dan Gods genadegave. Het eerste deel van het verbond mag naar vleesches berekening niet zijn , dat God tot den mensch komt, maar de mensch moet nommer één zijn, moet bekeerd zijn, dan mag hij eerst de Dankzegging uitspreken. Duidelijk komt het echter hierbij uit, dat, wie voor de Dankzegging blijft staan, het geheele Formulier te niet maakt en dus komt tot in het geheel niet doopen van de jonge kinderen , maar daarmede te wachten, totdat het kind tot zelfbewrust handelen in dezen in staat is. Dat zij, die zoo doen, den Heere Zijne weldaad in het aangezicht terugwerpen, ziet men licht in.
Maar ach, God loven en danken voor wat hij niet ziet, wie vermag dat? Die arm en ellendig is, en tot niets goeds in staat, nochtans begeerig naar het heil des Heeren, — die verblijdt zich in de prediking van het geheele Doopformulier en heeft daarin voor zichzelven en zijne kinderen zulk een' onberekenbaar grooten schat, dat hij uitroept: Heere, ga uit van mij, want ik beu een zondig mensch! Ja, wie het vat, die vat het, want het is geloofszaak.
Bedenken wij, dat de Doop niet een werk is, waardoor wij iets den Heere toebrengen. Neen, de Doop is eene vraag van een goed geweten tot God door de opstanding Jesu Christi.
Eene vraag dus, van een geweten, dat door de opstanding Jesu Christi goed is. Wie heeft zulk een geweten? Die op Christus ziet, als op den eenigen grond zijner zaligheid. Die komt met zijn kind ten Doop, om den Heere wat te vragen, namelijk de opname van zijn kind in het verbond Gods, of deel voor zijn kind in de voorrechten, die God Zijner Gemeente schenkt. Luther vertaalt dan ook 1 Petr. 3: 21: het verbond van een goed geweten met God. Dit wijst heen naar Deuteron. 26 : 17, 18; „Heden hebt gij den Heere doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij zult wandelen in Zijne wegen, en houden Zijne inzettingen, en Zijne geboden, en Zijne rechten, en dat gij Zijner stem zult gehoorzaam zijn. En de Heere heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijne geboden zult houden." Zeer aan te bevelen is hierbij de leerrede van Dr. H. F. Kohlbriigge over Jozua 24: 14—27. Maar, zoo is ook al gevraagd, wat zal een geloovig prediker met deze Dankzegging aanvangen, als hij weet, dat het recht verstand van de leer, die het Doopformulier brengt, zoo weinig, bijna niet te vinden is. Wij antwoorden hierop: Een ieder doe wat zyne hand vindt, om de Gemeente bekend te maken met die leer, en niemand scheide, wat God vereenigd heeft. Er is eene betreurenswaardige onkunde aangaande de noodigste zaken, en wie met deze onkunde te kampen heeft zal het best weteny. hoe diep zij geworteld zit. Doch zij zullen de eersten zijn, om te erkennen, dat nalating van de prediking van het geheele Doopformulier en deszelfs Dankzegging de onkunde eer zal doen toenemen. Neen, daartegen is geen ander middel, dan wat de Heere Zelf Zijnen discipelen beveelt, Matth. 28: 19, „Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb." En nu, waarom zij, die het geheele Doopformulier als de korte samenvatting der leer beschouwen, zoo staan op de Dankzegging?'
Wij zagen reeds, dat de Dankzegging zoo innig verbonden is aan het Formulier, dat men den samenhang eenvoudig verbreekt, als men haar weglaat. Er is ook nog een andere grond. Dit gebed is met het Formulier in den nood geboren.
De Nederlandsche vluchtelingen-gemeenteu hebben het met de geheele kerkorde, die met medewerking en onder toezicht van Calvijn tot stand kwam, van hunne voorgangers ontvangen.
In nood en druk onderhield de Gemeente bij de prediking des Woords deze kerkorde, en de geloovigen van latere dagen zijn aan deze vervolgden verbonden door de gemeenschap der heiligen. Wie ons de Formulieren voorhoudt, om ons in den strik te krijgen tot het medeloopen met dezulken, die naar verandering staan, Spr. 24:21, dien antwoorden wij op hunne leuze van formuliersonderteekening: Nehustan! Want het vooropzetten van de Formulieren ter bereiking van het doel van kerkverstoring in onze dagen heeft even weinig gemeen met den geest der Formulieren, als de aanbidding van de koperen slang in Hiskia's dagen, 2 Kon. 18 : 4, iets gemeen had met het opzien in den nood tot de koperen slang in de woestijn.
Daarom mogen ook ouders wel toezien, dat zij zich niet laten verleiden door den schoonen schijn van het geheele Formulier te lezen, om hun kind te laten inlijven bij hen, die den geest der Formulieren missen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

De Dankzegging na het Formulier van den Heiligen Doop.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 augustus 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken