Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ter verklaring van Leviticus 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ter verklaring van Leviticus 2.

De wet van het spijsoffer. (Vervolg en Slot).

6 minuten leestijd

Maar gaan wij weder terug tot hetgeen van de spijsoffers gezegd is. Zullen dezelve Gode een liefelijke reuk zijn, zoo moet er nog iets bijkomen, dat mag er niet aan ontbreken, en dat is: het zout des verbonds van uwen God (Vs. 13); liet moet met zout gezouten worden, en niet alleen de spijsoffers, maar al uwe offeranden. Het zout heeft twee eigenschappen. Vooreerst heeft het eene behoudende, bewarende, verderfwerende kracht, en geeft zoo aan datgene, waarbij het gevoegd wrordt, een blijvend of eeuwig karakter. Daarom lezen wij Num. 18: 19: „Alle hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israëls den Heere zullen offeren, heb Ik aan u gegeven , en aan uw^e zonen, en aan uwe dochteren met u, — dus aan de priesters, die anders geen deel en erf hadden in het land, — tot eene eeuwige inzetting; het zal een e e u w ig z o u t v e r b o n d zijn, voor het aangezicht des Heeren, voor u en voor uw zaad met u." Zoo ook zegt de Profeet Abia (2 Kron. 13 : 5): „Staat het u niet toe te weten, dat de Ileere, de God Israëls, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijnen zonen, met een zoutverbond ?" — In de tweede plaats heeft het zout de eigenschap, de spijzen smakelijk te maken. Eene spijs kan alleszins zeer goed toebereid zijn, doch ontbreekt het zout er aan, zoo smaakt zij afschuwelijk en kan niet gegeten worden.
Zoo ook voor God. Gij kunt een offer voor God brengen, in alle deelen geheel naar voorschrift van de Wet, geheel zooals God het bevolen heeft, — ontbreekt het zout er aan, zoo zal God het toch verwerpen. Gij kunt geheel rechtzinnig zijn in alle deelen der leer, zóó, dat er niets op aan te merken i s ,— en evenwel kan er nog iets aan ontbreken, zoodat God u met geheel uwe mooie belijdenis niet aanneemt. Wat is dat? Wat is het zout, dat aan uw spijsoffer niet mag ontbreken, of het is den Heere geen liefelijke reuk meer, maar een stank?
Dat is de rechte gezindheid des harten, dat is een gebroken geest, een gebroken en verslagen hart. Of waarom zag de Heere Abel en diens offer aan, en waarom zag Hij Kaïn en diens offer niet aan? Lag dat aan het offer op zichzelf beschouwd, omdat dit bij den een van de vrucht des lands was, bij den ander van de eerstgeborenen zijner schapen ?
O neen, de Apostel Paulus zegt het ons wel, als hij in zijnen Brief aan de Hebreën schrijft: „door het geloof heeft Abel eene meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn'' (11 : 4). Dat was het zout, hetwelk Abel bij zijn offer deed. Hij wierp zichzelven weg, veroordeelde zichzelven, en hield zich alzoo in het geloof aan den Heere Jesus Christus, Die in zijn offer afgebeeld was, terwijl Kaïn dacht: ik ben de man, ik heb het rechte geloof en doe de rechte werken, en meende, God moest hem nog dankbaar wezen voor hetgeen hij Hem bracht. Maar zulk een offer neemt God niet aan, zulk een ongezouten offer spuwt Hij uit Zijnen mond.—
Waarom verwerpt de Heere zoo dikwijls de offeranden van Zijn volk, al brengen zij dezelve geheel overeenkomstig het voorschrift der Wet? Zoo klaagt Hij, Jes. 1: 11: „Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen' lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. Het reukwerk is Mij een gruwer'. En Jer. 6: 20: „Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen ? en de beste kalmus uit verren lande? Uwe brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uwe slachtofferen zijn Mij niet zoet." En 14 : 12: „Ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben." Of Amos 5 : 22: „Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uwe spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uwe vette beesten mag Ik niet aanzien." En Mal. 1 : 10: „Het spijsoffer is Mij van uwe hand niet aangenaam." Waarom niet? Er ontbrak het zout aan. Die offeranden werden gebracht in eigengerechtigheid, met een ongebroken hart. Maar de Heere zal er wel bij de Zijnen voor zorgen, dat de rechte gezindheid bij hen opkomt, dat er een gebroken, een verootmoedigd hart is. Dat doet Hij, als Hij hen werpt in den smeltkroes der ellende (Jes. 48: 10), als Hij komt met Zijne oordeelen en kastijdingen. Daarom gaat de Profeet Maleachi er ook verder op door, schrijvende, Iloofdst. 3 : 3 : „En Hij zal zitten, louterende, en liet zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver: dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid", — want er zal weder zout bij wezen. Dan zal het spijsoffer van Juda en Jerusalem den Heere zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren.
Wat van het spijsoffer niet verbrand werd, maar overbleef, dat was voor Aaron en zijne zonen. (Vs. 3.) Want Christus heeft als onze Hoogepriester Zijn eeuwig bestaan daarvan, dat aan Hem voortdurend dit spijsoffer toegebracht wordt.
Dat dit nu niet misverstaan worde. Het spreekt vanzelf, dat Christus als onze Hoogepriester Zijn bestaan heeft in Gods wil en raad, in hetgeen Hij is en gedaan heeft; maar opdat Hij voor mij een levende Hoogepriester zij en blijve, dat Hij voor mij leve en in het leven blijve, en ik iets aan Hem hebbe, — daarom moeten wij altijd komen met onze spijsoffers tot den Hoogepriester, en Hij zal er van eten, Hij zal leven van dit spijsoffer. En dat is voor den Heere eene heiligheid der heiligheden, — dus niet dat w i j iets doen, maar dat wi j alles, wat wij verzondigd hebben, tot Christus brengen, Hem dus als onzen Hoogepriester erkennen en eeren. Waar Christus alzoo geëerd wordt, daar verkrijgen ook de zonen des priesters, het heilige priesterlijk geslacht, t. w. de geloovigen, hun aandeel, want zij hebben niets door zichzelven; maar: de zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden. Eerst kreeg de Profeet Elia als de man Gods zijn deel van de weduwe te Zarfath, daarna ook zij en haar zoon, zoolang als de honger zwaar in het land was. En indien gij denkt, dat gij niet tot dit heilige priesterlijk geslacht behoort, houd aan in het gebed, als de Kananeesche vrouw, om de brokskens der spijzen die voor de hondekens zijn: „Ja, Heere, maar toch. . . .!" en er zal u rijkelijk brood toekomen van den Heere, Die Zelf het Brood des levens is.
Kom dus dagelijks met uw spijsoffer tot den Heere, —met uwe bekentenis: „Al Uwe gaven, o God, heb ik met mijne zonden bedorven en verontreinigd, ik leg het alles in Uwe hand terug'', — en gij zult in Christus, Die uwe zonden op Zich genomen heeft, en de voornaamste Gave Gods is, alles weder opnieuw ontvangen, om te leven en den Heere te loven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Leviticus 2.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken