Bekijk het origineel

Leerrede over Hooglied 3 vs. 6—11 en 4 vs. 16 1).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Leerrede over Hooglied 3 vs. 6—11 en 4 vs. 16 1).

10 minuten leestijd

„Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers? Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël; die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijne heup, van wege den schrik des nachts. De Koning Salomo heeft Zich eene koets gemaakt van het hout van Libanon. De pilaren derzelve maakte Hij van zilver, haren vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jerusalem. Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren van Zion, den Koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijne moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten..... Ontwaak, noordevvind! en kom, gij zuidewind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijnen hof kwame, en ate Zijne edele vruchten !"

W ie is z i j , die daar o p k o m t uit de w o e s t i j n, als r o o k p i l a r e n , b e r o o k t met mirre en w i e r o o k , en met a l l e r l e i poeder des k r u i d e n i e r s.
Wie is zij, — zeggen de zwakgeloovigen tot hunnen eigen troost en hunne versterking, terwijl zij de Kerkbruid zien opkomen , gelijk een rijsken uit een dor aardrijk.
Wie is zij, — vragen zij, en weten het niet, dat z i j het zijn.
Wie is zij, die daar opkomt in hare lange witte kleederen, die door zoovele vijanden ten onder gehouden was, zoodat aan geen opkomen te denken was. Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn zij? en vanwaar zijn zij gekomen? Dezen zijn het, die uit de groote verdrukking komen, en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. (Openb. 7: 12, 13.) Vraagt gij, wie zij is in zichzelve, zoo zal zij antwoorden: ik ben een niets, ik ben een onwijs en bot kalf. Vraagt gij, wie zij is door haren Bruidegom, zoo zal zij antwoorden: ik ben de Bruid. Ellendig en mismaakt in zichzelve, en toch heerlijk en volmaakt; bevlekt in zichzelve, en toch zonder vlek; arm en toch rijk, zwak en toch sterk, treurig en toch altijd blijde; klagende en kirrende als de tortelduif en toch lofzeggende> stervende en ziet zij leeft.
Ja zij komt op, gelijk geschreven staat in de Psalmen. Zij komt op, want hare hulpe is van den Heere, Die hemel en aarde gemaakt heeft, Die haren ingang en uitgang behoedt, en haren voet niet laat struikelen.
Zij komt op uit de woestijn, gelijk Israël, door eene hooge Hand uit Egypte verlost, uit de woestijn opkwam, opkwam in het beloofde land. Uit die groote en vreeselijke woestijn komt zij op, waar zij schier van dorst versmachtte. Zij komt op, niettegenstaande al hare zielsvijanden; op, uit de woestijn vol slangen en scorpioenen, en waar zich ophoudt de briesschende leeuw, zoekende haar te verslinden. Uit de woestijn van duizende narigheden en zwarigheden komt zij op, uit de woestijn van zonden en zorgen, van nooden en angsten, van allerlei beproevingen en verdrukkingen; — zij komt op en had het zelf het minst gedacht, dat zij daaruit ooit zou opkomen. Hare uiterlijke gedaante was verwoest in de woestijn, en toch komt zij er als eene goede strijdster uit op. Zij heeft er het leven afgebracht, en niet alleen het leven, zij heeft het geloof behouden, en heeft om alles niet opgehouden haren God aan te roepen, en Hem in het openbaar te belijden. Zij gaat op, rechtop als rookpilaren, het hart is naar boven gekeerd tot haren getrouwen God en Schepper; — a l s p i l a r e n gaat zij op, van r o o k , niet van eenen akeligen en duisteren rook, maar van eenen helderen en aangenamen rook en reuk. Zij verbreidt haren geur naar boven heen en om zich heen, zij is geheel doorgeurd met m i r r e en w i e r o o k , met balsemen kostelijker dan al het goud der wrereld. Zij draagt eenen geheelen schat aan zich; het is alles haar verworven en geschonken door haren Bruidegom, alles voor haar gevraagd en verkregen van Zijnen Vader; — zoo is zij den Vader haars Bruidegoms een goede reuk van haren Bruidegom in degenen, die met haar uit de woestijn opkomen, en in degenen, die in de woestijn vanwege hun ongeloof vallen en omkomen. — En niet alleen de mirre van haar's Bruidegoms verdiensten, niet alleen de wierook Zijner gebeden hebben haar vervuld, maar ook a l l e r l e i poeder des k r u i d e n i e r s , allerlei gave van den Geest haars Bruidegoms; die wondere Geest heeft ze bereid en heeft haar een hart gegeven om Zijne stem te hooren: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid;" (Jerem. 31.) „Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult den Heere kennen." (Hosea 2.)
Die Geest overstrooide haar blijvend met geloof, hoop, liefde, met zielsuitgangen en zielsgebeden tot haren Bruidegom, met liefde tot hare medemenschen, met psalmen in den nacht, met moed en volharding om uit de woestijn uit te komen.
Wie is zij? Zij is met de Zon der gerechtigheid bekleed, zij heeft de maan, de wereld, onder hare voeten, en om haar hoofd eene kroon van twaalf sterren, dat is: eene kroon der apostolische leer, haar eer en sieraad.
Dat is de Bruid, en zij gaat heen tot haren Koning; zij gaat heen tot hare rust, gelijk geschreven staat: „Zoo zegt de Heere: het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik heenging om hem tot rust te brengen." (Jerem. 31.)
Deze rust wordt nu beschreven onder het beeld van een bed, — van dat, waarop de rust genoten wordt, — immers de rust vindt men in de rust.
Z i e t , het bed, dat Salomo h e e f t , — onze Salomo is de ware en eenige Vredemaker tusschen God en Zijne welbeminde; — daarom heet Hij de Prins des vredes:
Nu twijfel, dan geloof, zoo gaat het op en neer,
Waar vindt de ziel haar rust? Rust vindt zij bij den Heer.
En deze Zijne rust is heerlijk. (Vergel. Jes. 11 : 10.)
In dat bed komt al wat niet gelooft, niet in, gelijk wij lezen Psalm 95: „Ik heb in Mijnen toorn gezworen, zoo zij in Mijne ruste zullen ingaan!" Ja, er is nog een sabbatismos, eene ruste, open voor het volk Gods. Onze Salomo geeft den vermoeiden en belasten rust voor hunne zielen. Wat nu die rust aangaat, die inwendige, die verborgene rust, zij is wél bewaard: Om dat* bed staan z e s t i g h e l d e n , — een getal, welks uitlegging ons te veel zoude ophouden, maar waarin de hoofdgetallen liggen opgesloten van Salomo's tempel, waarin de ark rustte. Deze h e l d e n mogen deels de engelen zijn, gelijk wij lezen Ps. 34: 8; Ps. 91 : 11 ; Ps. 103: 20; — het zijn deels zeker alle trouwe wachters op Zions muren, degenen wien de Koning Zijn Woord heeft toevertrouwd en die Hij ook heeft getrouw geacht; — het zijn niet minder alle armen van geest, die den zoeten troost kennen van de rechtvaardigheid des geloofs en van de volharding der heiligen. En daar vraag ik nu menigeen: waarvoor is hij dan nog bevreesd ? en waarom is hij niet zelf een held? Immers staat de belofte vast: De zwakke zal zeggen: ik ben een held. — Zij zijn van de h e l d e n van I s r a ë l . Een dubbel getal van de helden, die eens David had. Zij zijn van de helden van Israël, zij hebben Israël lief. Zij hebben allen in hunne kracht zich vorstelijk gedragen met God. Te Bethel hebben zij Hem gevonden , te Pniël hebben zij mede den nieuwen naam van Israël ontvangen. Die uitverkorenen Gods, die de Heere bijzonder verwaardigt, om voor de eer Zijns Naams en voor de rust, die Zijn volk in den Heere heeft, in de bres te springen, dragen altemaal zwaarden, niet één is er ongewapend, zij zijn alle gewapend met het zwaard des Geestes, hetwelk is, gelijk de Apostel Paulus zegt: het Woord Gods — dat zijn tweesnijdende woorden. Zoo lezen wij Hebr. 4 : 12: „Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel, en des geestes, en der zamenvoegselen, en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten," en, zoo staat er 2 Cor. 10 : 4: „De wapenen van onzen krijg zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten." Zij zijn g e l e e r d ten oorlog; het zijn geen nieuwelingen, die van het bedde Salomo's wegloopen, maar het zijn oude beproefde soldaten, die met David zeggen, Ps. 18: 35: „Hij leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is."
E l k h e b b e n d e zijn z w a a r d a a n z i j n e h e u p , — elk heeft des Heeren Woord in levende bevinding, elk legt dat Woord niet af, maar heeft het in zijnen gordel der waarheid aan zijne heup dag en nacht, vooral in de nachten, van w e g e den s c h r i k des n a c h t s , — als wanneer de Bruid in alle gevaren is, om uit hare rust, die zij in den Bruidegom heeft, opgeschrikt, ja, uit die rust verdreven te worden. Zóó wordt de belofte vervuld, Ps. 91 : „Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; u zal geen kwaad wedervaren, en geene plage zal tot uwe tent naderen." Het bevreemdt ons niet, dat menigeen zich niet in de ruste begeeft, die er voor des Heeren volk open staat. „Heere," bad de Profeet, „open dezen jongen de oogen''; die jongen zag niets dan vleeschelijke paarden en wagenen om zich heen, die verderf dreigden, — de Heere hoorde het gebed, en opende den jongen zijne oogen, en deze zag den berg vol vurige paarden en wagenen. Deze helden, die om het bedde Salomo's staan, zijn niet als die in de lucht slaan, maar zij treffen den vijand met gewissen slag, en strijden zoo den goeden strijd; — elk van hen is steeds bereid, alles neder te werpen wat zich verheft tegen de kennisse Gods en Christi. Schrikkelijk is de nacht van dwaling en vervoering, maar zij zijn niet bang, zij vertrouwen op hun zwaard uit Zions tuighuis, en zijn zoo om het bedde, waarop de Bruid rust, opdat de vijand haar niet verschrikke noch wegvoere.
Zoo is die rust in God, die rust in den Bruidegom wél bewaard, en die uit het bedde wegloopen en zich afscheiden, zien op den nacht, op deszelfs schrik, op den vijand — vergeten de getrouwe wacht, die niet sterft noch overgeeft.
(Slot volgt)


1) Over deze woorden preekte Dr. H. F. Kohlbrügge te Fijnaart in Noordbrabant, den 30 Aug. 1863, des avonds.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Leerrede over Hooglied 3 vs. 6—11 en 4 vs. 16 1).

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 september 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken