Bekijk het origineel

Ter verklaring van Leviticus 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Leviticus 4.

De wet van het zondoffer.

7 minuten leestijd

Er is eene erkentenis, een gevoel van zonde, waar een mensch diep ondervindt en gevoelt, dat en hoe hij geheel, door en door zondig is; dat niets goeds aan hem is, dat hij in zonde is ontvangen en geboren, dat alles bevlekt, alles onrein, dat de gansche mensch geheel van God afgekeerd is; daar weet en gevoelt de mensch dan ook, dat hij verdiend heeft, geheel en al door Gods toorn in Gods gericht verteerd te worden, geheel en al in vlammen op te gaan. Waar dat in het hart ligt, en er ontstaat te gelijk een verlangen naar verzoening, daar komt hij, naar Gods genadig bevel, met het brandoffer; en wat daarbij gebeurt, n.l. dat alles geslacht wordt, dat alles in vlammen opgaat, — zichzelven ziet hij daarin, en toch weer niet zichzelven, maar het offer, Christus, in zijne plaats, Hem, Die alles op Zich genomen, alles in Zich volbracht heeft, in Wien hij verzoend is.
Maar gij kunt ook weder meer met de enkele, bijzondere zonden te doen hebben, niet slechts met de macht der zonde, met het grondelooze verderf in het algemeen, hoewel het eene uit het andere voortkomt, en het eene van het andere niet te scheiden is. En juist, waar gij met deze of gene bijzondere zonde te doen hebt, daarover in nood zijt, en naar vergeving of verzoening verlangt, daarvoor heeft de Heere de Wet van het z o n d o f f e r gegeven, opdat wie van verre staat, tot God zucht en spreekt: „O God, wees mij zondaar genadig!" het genadige woord ontvange: „Wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven."
Wat hier zondoffer genoemd wordt, (b.v. Vs. 8), heet naar het Hebreeuwsch eenvoudig: z o n d e , en daarmede is hetzelfde bedoeld, wat de Apostel Paulus uitspreekt, als hij schrijft: „Want Dien, Die geene zonde gekend heeft, heeft Hij z o n de voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem." 2 Cor. 5 : 21. Christus treedt in de plaats van onze zonde, neemt onze zonde op Zich, wordt zonde voor ons gemaakt, heet daarom ook Zelf „zonde", — of, zooals wij meer gewoon zijn te zeggen: zondoffer. Maar wij doen wél, de eigenlijke beteekenis van het woord in gedachtenis te houden.
Er is hier sprake van zondigen door afdwaling van eenige geboden des Heeren. Zulke zonden komen voort uit onze diepe verdorvenheid, uit onze zondige natuur. Maar men let daar niet altijd zoo op, — men kan zondigen, en men denkt er niet aan, dat het zonde is; men gaat daarhenen na de zonde te hebben bedreven, zonder zichzelven te richten, zonder daarover voor God in de schuld te vallen, zonder te letten op de stem van zijn geweten. Men beschouwt het niet als zoo kwaad, als zoo erg. Maar, als God de Heere met den mensch in het gericht treedt, als Hij hem Zijne heilige geboden voorhoudt, hem voorhoudt, alles wat liij gedaan heeft, — dan wordt den mensch zijne zonde tot z o n d e , dan gaan hem de oogen daarover open; wij hadden het wel is waar van het begin af kunnen weten, maar wij wilden het niet zien, niet erkennen; wij namen het zoo lichtvaardig op, verontschuldigden onszelven met onze zwakheid, daarmee dat wij vleesch zijn, — maar nu is het geweten ontwaakt, — och, hoe kan éóne enkele zonde, ééne enkele daad dikwijls zoo verschrikkelijk branden, dat er geene rust meer is in de ziel, dat men zou willen vertwijfelen; — des Heeren hand ligt dag en nacht zwaar op u, en uw sap wordt veranderd in zomerdroogten. Is dat bij u zoo, maak u dan op, kom voor den Heere met belijdenis van uwe zonde, zeg met David: „Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere" (Ps. 32 : 5), en met den verloren zoon: „Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan , en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel, en voor u!" — kom met uwe offerande, kom met uwe zonde, t. w. met Dengene, Die zonde voor u gemaakt is, opdat gij vergeving ontvangt. Want wij kunnen en mogen onszelven onze zonden niet vergeven, wij moeten v a n God vergeving ontvangen, anders bedriegen wij onszelven met eenen gestolen troost en varen daarmede ter helle.
Nu heeft elke stand zoo zijne bijzondere zonden, die hem eigen zijn. Wij liggen wel allen in dezelfde verdorvenheid, maar bij dezen uit het zich zoo, bij genen weer anders. Zoo worden dan ook hier, in dit Hoofdstuk, onderscheidene standen genoemd. Er wordt gezondigd door den priester, die gezalfd is (Vs. 3). Denk daarbij aan Aaron, toen hij het gouden kalf maakte. Hij dacht anders het volk niet meer te kunnen regeeren, zij zouden weder naar Egypte terugkeeren ; zoo gaf hij uit zwakheid toe en maakte het beeld , — hij, de priester des Heeren, die gezalfd was. En bij de wateren van Meriba heeft ook hij, met Mozes, den Heere niet geheiligd voor de oogen der kinderen van Israël. En de hoogepriester Josua stond voor het aangezicht van den Engel des Heeren, en was bekleed met vuile kleederen, — dat mocht hij immers niet, hoogepriester zijnde; daardoor kwam op het volk eene schuld. (Zach. 3.) Och, juist zij, in wie het woord der verzoening gelegd is, om te prediken: laat u met God verzoenen! juist zij, die het Woord van God aan anderen voor te houden hebben , zondigen zeiven het meest, en moeten altijd opnieuw bekennen : „Ongerechtige dingen hebben de overhand over mij." Ps. 65.—
Verder wordt gezondigd door de geheele Gemeente, zooals Vs. 13 staat: „Indien nu de geheele vergadering van Israël afgedwaald zal zijn". Och, hoe dikwijls stond de geheele vergadering op tegen Mozes, tegen den Heere Zeiven, murmureerende: Gij hebt ons tot onzen ondergang in deze woestijn gebracht! — „Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gansch geene graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden?" of: „Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleeschpotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om dezegansche Gemeente door den honger te dooden", enz. En zoo zijn er allerlei zonden, — maar het blijft dikwijls voor de oogen der Gemeente verborgen, dat het zonde is. Evenwel als die zonde bekend is geworden, als het aan haar is ontdekt, dat zij tot erkentenis komt, dat zij het inziet, dat hetgeen zij voor gerechtigheid aangezien heeft, ongerechtigheid is, hetgeen zij geacht heeft waarheid te zijn, leugen is, en dat zij gemeend heeft voor den Heere en Zijn Koninkrijk te ijveren, terwijl zij ziet, dat zij den wil en de begeerte des duivels gedaan heeft, wat dan ? — Of een overste zondigt (Vs. 22) tegen een van de geboden des Heeren, zijns Gods, door afdwaling, en zijne zonde wordt hem bekend gemaakt, dat hem in het aangezicht gezegd wordt: „Gij zijt die man!" of dat God door Zijnen Geest het aan hem openbaart, wat hij gedaan heeft, zooals Hij het wel eens openbaart voor het oor der lieden f en hunne kastijding verzegelt, opdat Hij den menscli afwende van zijn werk, en van den menscli de hoovaardij verberge, Job 33 : 16, 17. — Of eenig menscli van het volk des lands zondigt (Vs. 27) . . . en nu ga een ieder in zijn eigen hart en onderzoeke zijne eigenen wandel, — van éénen enkelen dag slechts, — moet gij niet uitroepen: „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat; Heere! wie zal bestaan?'' Ps. 130. Heeft God lust, om met den mensch te twisten, niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden. Job 9 : 3. Men gelooft het niet van zichzelven, welk eene ontelbare menigte van zonden, van afdwalingen, voor God tegen ons getuigt.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Leviticus 4.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken