Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ter verklaring van Leviticus 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Leviticus 4.

De wet van het zondoffer. (Vervolg.)

9 minuten leestijd

Maar als ons zoo de verborgene zonden , de verborgene afdwalingen opengelegd worden, — wij hadden liet kunnen weten, maar wij hielden de oogen gesloten, om ze niet te zien, en hoe weet de duivel ons altijd eene menigte uitvluchten aan te bieden, opdat wij ons in onzen verkeerden weg handhaven en rechtvaardigen, — evenwel het hielp niet, God heeft ons voor Zijn gericht gesteld, en nu staan wij daar schuldig en moeten onszelven verdoemen, — waarheen dan in den angst en nood onzer ziel ? Wat zullen wij Gode brengen, waarmede Hem verzoenen ? hoe zullen wij tot Hem naderen en voor Zijn aangezicht verschijnen ? hoe Zijnen toorn afkeeren ? Misschien met onze goede werken ? met onze eigene bekeering (wat wij dan zoo noemen), — met onze boete, onze tranen? Dat alles is bevlekt; de Heere God neemt niets uit onze handen; wij hebben niets, waarmede wij voor Hem zouden kunnen bestaan, waarmede wij vergeving van zonde zouden kunnen verwerven, of op grond waarvan wij de vergeving onzer zonden zouden kunnen gelooven. Maar God Zelf heeft ons eene offerande verordineerd, die de zonde wegneemt, Hij heeft ons Zijnen lieven Zoon gegeven als het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt, Hij heeft Hem tot zonde gemaakt, al onze zonden op Hem doen aanloopen, zoodat over Hem het gansche gericht gaat, dat onze zonde verdiend heeft. En dit offer, Christus, voor ons tot zonde gemaakt, wordt ons nu in dit Hoofdstuk op verschillende wijze of onder verschillende gedaanten voorgehouden.
Bij de zonde van den priester en van de geheele Gemeente, — want het gansche volk is een priesterlijk volk, — is het offer een var, een volkomen jong rund (Vs. 3 en 14). Bij de zonde van eenen overste is het een geitebok, een volkomen mannetje (Vs. 23); en bij eenig mensch van het volk des lands is het eene jonge geit, een volkomen wijfje, of een lam, een volkomen wijfje (Vs. 28 en 32). Ja, opdat ook de armste en geringste niet uitgesloten zij, indien zijne hand zooveel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zoo zal hij den Heere brengen (naar Hoofdst. 5 : 7 , — want de wet van de zondoffers gaat nog over in het volgende Hoofdstuk in de wet van de schuldoffers) twee tortelduiven, of twee jonge duiven ; en is hij ook daarvoor te arm, zoo zal hij brengen het tiende deel van eene efa meelbloem ten zondoffer (Ys. 11). Dit alles, de var, de geitebok, de geit of het lam, de duiven of de meelbloem, is één en dezelfde Christus, er is niet één meer of minder volkomen Christus. Maar als van den priester of van den overste eene offerande van grootere waarde verlangd wordt, zoo ligt daarin wel aangeduid, dat, hoe hooger iemand staat, en hoe meer aan hem geschonken en toevertrouwd is, des te zwaarder ook zijne verantwoordelijkheid is, en er des te meer van hem gevorderd of verlangd wordt.
Wij vestigen thans onze aandacht meer bepaald, wat de bijzonderheden aangaat, op de offerande voor den priester; want de andere offers zijn daarin begrepen en vinden dus ook daarin hunne verklaring.
Breng eenen var, een volkomen jong rund. Zulk een j o ng rund, een kalf, is een ongewend beest (Jer 31 : 18), losbandig en koppig. Wil men hetzelve hier of daar heenbrengen, dan moet men het met slagen, drijven of stooten, of het moet gebonden en op een wagen gelegd worden, anders brengt men het er niet. — Zoo is ook een g e i t e b o k een leelijk, geil dier,— een lam, een dier, dat licht afdwaalt van de goede weide.
Over de beteekenis van deze offerdieren hebben wij reeds vroeger uitvoeriger gehandeld, weshalve wij thans niet hetzelfde herhalen. Genoeg, allen zijn bij de offers beelden van onze zonde, onze verkeerdheid, van onze losbandigheid en ons afdwalen. Hij, de Heere Jesus Christus draagt dit beeld, aangenomen hebbende onze natuur, waarin wij gezondigd hebben en niets anders kunnen dan zondigen. Zoo staat Hij daar als onze zonde, zoo is Hij „zonde" voor ons gemaakt. En toch heeft Hij zonde niet gekend; Hij, is zooals het hier heet, volkomen. Moest niet de stalhouder Pontius Pilatus herhaaldelijk van Hem getuigen, tegen alle lasteringen en beschuldigingen in : „Ik vind geene schuld in Hem" ? En de Apostel Paulus schrijft: Hij heeft door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstr a f f e l ij k opgeofferd. (Hebr. 9 : 1 4 .)
Dus is Hij geheel zoo, als Hij voor God zijn moet, om als zondoffer daar te staan, om in den dood te gaan en de zonde te verzoenen; gelijk hier staat: den Hcere ten zondoffer, of naar het Hebreeuwsch: den Heere tot zonde, — Hem, den Heere, Die verzoend moet worden, Die genoegdoening moet hebben.
En die var zal gebracht worden Ys. 4: tot de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des Heeren,— dus daarheen, waar God gericht houdt. O welk een genadig gericht! Terwijl gij uzelven moet verdoemen, neemt God in uwe plaats en voor u Zijnen Christus. Dat is de wondere gerechtigheid Gods , geopenbaard in'het Evangelie van Christus.
Aan deze plaats wil de Heere met Zijn volk samenkomen, vandaar uit met hetzelve spreken, — en wat spreekt Hij, welke genadige woorden spreekt Hij van deze plaats uit, waar het brandofferaltaar staat! — Als gij nu daar staat en denkt van angst en benauwdheid te zullen vergaan, want gij weet het: ik heb den eeuwigen dood verdiend met mijne zonden; ik heb verdiend, dat mijn bloed worde uitgegoten, en met mijn bloed mijne ziel, mijn binnenste ik, hetwelk door en door zondig is en voortdurend in rebellie tegen den Heere! — zie, daar komt het genadig bevel: niet g i j zult geslacht worden, niet uw bloed zal uitgegoten worden, — maar: deze var zal geslacht worden voor het aangezicht des Heeren. Dus in uwe plaats: Christus. Leg uwe hand op het hoofd van dien var, leg al uwe zonden daarop, dat er geene enkele achterblijft, die gij voor uzelven houdt, — al uw verkeerdheden, al uwe afdwalingen, Hij wil ze dragen. De Heere heeft al onze zonden op Hem geworpen. Steun op Hem, waar gij anders geenen grond meer onder de voeten hebt en denkt te moeten verzinken, en slacht Hem! Durf ik dat te doen, ik zondaar, ik goddelooze? Of gij, óf deze var! komt Gods toorn op u, treft u Gods gericht, dan zijfc gij eeuwig verloren. Maar Hij treedt in onze plaats. Neem Hem en slacht Hem, — geloof, dat Hij voor u geslacht is. Zoo luidt Gods genadig bevel.
Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van den var nemen, en hij zal dat tot de tent der samenkomst brengen.
Ys. 5. In de plaats van ons zondig bloed, dat verdiend heeft uitgegoten te wrorden, komt het bloed Jesu Christi, des Zoons Gods; dit onschuldig bloed , hetwelk zoo een bloed der verzoening geworden is. De priester zal zijnen vinger in dat bloed doopen, hij zal in de kracht des Heiligen Geestes, — want Die is Gods vinger (Ygl. Matth. 12:28 en Lucas 11: 20), — van dat bloed nemen, en zevenmaal daarvan sprengen, naar de zevenvoudige werking des Heiligen Geestes, naar het getal van de eedzwering Gods, van de trouw Zijns genadeverbonds. En dat zal geschieden voor hel aangezicht des Heeren, voor den voorhang van het heilige , d. i. in het aangezicht van dien voorhang. Achter dezen voorhang stond de arke des verbonds, dus zal hij het bloed sprengen tegen deze ark. Dit bloed zal als een bloed der verzoening voor des Heeren aangezicht komen, — een bloed, dat betere dingen spreekt dan Abel, want het spreekt van eeuwige verzoening, van vergeving der zonden, het getuigt dat eene eeuwiggeldende betaling der schuld aangebracht is; het zegt: Yerlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden!
Van dat bloed zal de priester ook doen op de hoornen des reukaltaars (Ys. 7.), hetwelk in het heilige der tent der samenkomst is. Dit gouden reukaltaar was een beeld van onzen Heere Jesus Christus, zooals Iiij voor de Zijnen bidt, zooals Hij bijv. het Hoogepriesterlijk Gebed voor den Yader gebracht heeft, en ook de gebeden Zijns volksin Zijn gebed mede voor God brengt en in het reukoffer laat opstijgen voor het aangezicht Gods. Het bloed moet daaraan, want het gebed en de voorspraak Christi gaan alleen opwaarts op grond van de verzoening, die Hij teweeggebracht heeft. — Zoo was het bij het zondoffer voor den priester of voor de geheele vergadering van Israël. Was het echter voor eenen overste of voor eenigen mensch van het volk des lands, dan moest het bloed gebracht worden op de hoornen van het altaar des brandoffers, en bovendien aan den bodem van dat altaar uitgegoten worden. (Vs. 25 en 30). Gelijk de beesten, die hoornen dragen, als stieren, bokken, enz., daarin hunne kracht hebben, daarmee hunne kracht uitoefenen, zoo gaat ook van het altaar des brandoffers kracht en werking uit. Op dit altaar worden de brandoffers verbrand en gaan in vlammen op tot eene verzoening, dus uit zich de kracht, de werking dezer verzoening uit het altaar, om zoo te zeggen d o o r deze hoornen, zoodat wie des doods schuldig is, naar dit altaar vliede, deze hoornen aangrijpe, en zoo gered zij, zulke verzoening deelachtig.
Wat op dit altaar gebeurd is, dat oefent zoo zijne werking uit door deze hoornen, tot waarachtige verlossing. Opdat nu het altaar met zijne hoornen in zijne kracht blijve, opdat hij, die altijd door de zonde des volks, welke hij op zich neemt, verontreinigd wordt, zelf gereinigd en verzoend zij, daarom moest dat bloed op hem komen , daarom moest hij daarmede besprengd, en het bloed aan den bodem uitgegoten worden.
(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Leviticus 4.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken