Bekijk het origineel

Ter verklaring der zeven Brieven: Openbaring van Johannes 2 en 3.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring der zeven Brieven: Openbaring van Johannes 2 en 3.

(Uit een Brief van Dr. Kohlbrügge aan een vriend, — Mei 1842.)

11 minuten leestijd

AAN DE GEMEENTE VAN EFEZE, 2 : 1—7.
Cap. 2. Vs. 1. S c h r i j f aan den e n g e l der G e m e e n te van E f e z e : Dit zegt Hij, die de z e v e n s t e r r e n in Z ij n e R e c h t e r h a n d houdt, die in .het midden der z e v e n g o u d e n k a n d e l a r e n w a n d e l t . Bij die Gemeente was alles, behalve de eerste, dat is, de eerste en de voornaamste liefde (Vs. 4), de eerste en de voornaamste werken (Vs. 5); — de eerste en de voornaamste liefde bestond daarin, dat men zich aan hen hield, die het onvervalscht getuigenis aan de Gemeente gebracht hadden, gelijk de voornaamste werken daarin bestonden, dat men deze aanhankelijkheid aan de zoodanigen door liefde toonde, en door te blijven in derzelver lotgemeenschap. Dat had die Gemeente niet gedaan, maar zich na veel lijden, ook al aan quasi-wet-leeraars cijnsbaar gemaakt. Hoe geheel nu, naar hunnen stand, is deze toeroep: „Die de zeven sterren in Zijne Rechterhand houdt"; de engel, bode, leeraar der Gemeente moest dus niet denken, dat hij den Heere naar zijne hand kon zetten, noch de Gemeente, dat zij den leeraar haar ter wille konde hebben. En: „Hij wandelt in hun midden," dus Hij was er wel tegenwoordig; Hij zag en hoorde alles wel. Wat zou het einde zijn, zoo zij zich niet bekeerden?
Vs. 5. Gedenk dan, waarvan gij u i t g e v a l l e n zijt, en b e k e e r u, en doe de e e r s t e w e r k e n ; en z o o niet, I k zal u h a a s t e l i j k b ij k o m e n , en zal u w e n kandel a a r van zijne p l a a t s e w e r e n , i n d i e n gij u niet b e k e e r t . — Ik zal uwen kandelaar (luchter) uit zijne plaats wegnemen, juist zoo als het gaat, zoodra men des Heeren getuigenis en getuigen ter zijde zet, — alle licht wijkt; er komt verwarring van leer, duisternis, aanstoot.
Vs. 7. Die o v e r w i n t , Ik zal hem g e v e n te eten van den boom des l e v e n s , die in het m i d d e n van het p a r a d i j s Gods is. Overwinnen zegt hier veel; het is, met het getuigenis doorbijten, zich daarmede er doorslaan, stand houden tegen alle valsche uitlegging van des Heeren Wet, van het Evangelie des volzaligen Gods, — bestookt zonder ophouden van den Satan en alle van vleesch opgeworpen bedenkingen : hoe zou God gezegd hebben ? enz. Wij kennen de paradijsgeschiedenis; nadat Adam had gegeten van den boom der kennis des goeds en des kwaads, waarvan alle vleesch eet, en pretendeert goed en kwaad te kunnen onderscheiden, staat er: „nu dan, dat niet misschien Adam zijne hand uitstrekke, en neme ook van den boom des levens , en ete, en leve in eeuwigheid", en God dreef hem uit zijnen hof. Kon vleesch aan dezen boom des levens komen, dan kon het zichzelf blijven handhaven; maar nu het van dien boom is weggedreven, zoodat het er niet bij kan, moet het met al zijne plannen, wijsheid, kennis, bekwaamheid en behendigheid toch in den dood, en kan dien niet vermijden. Alleen den volhoudenden bij het getuigenis, den volhardenden i n en den terugkeerenden t o t de voornaamste liefde, — dat zijn de voornaamste werken, — wordt hier juist dat beloofd, waar alle vleesch niet by kan komen : wandelen in gerechtigheid, gevoed worden met eeuwig voedsel, een blijven met zijn werk in eeuwigheid, zoodat hij nooit sterft, of sterven kan. Tegen zulk eenen is geene wet, geen afweerende engel. — Denk hier na over de wet, waarbij is kennis van zonde, — over de wet in hare uitgebreidheid, als vorm van het genadeverbond, — en onzen tegenwoordigen toestand, — daarbij dien boom des levens, en het geplaatst worden van ons zooals wij zijn in den hof Gods. — Het is niet uit te spreken, wat deze belofte in zich bevat, dat wij geplaatst worden in het paradijs God, alwaar den afgematte en versmachtende de vruchten van dezen wonderboom genezing en verkwikking brengen. Eten van den boom des levens is: wandelen in nieuwigheid des levens, in den weg van Gods geboden, — de waarachtige heiligmaking met al het genot daaraan verbonden.

AAN DE GEMEENTE VAN DIE VAN SMYRNA, 2 : 8 — 1 1 .
Vs. 8. En s c h r i j f aan den e n g e l der G e m e e n te van die van S m y r n a : Dit zegt de E e r s t e en de L a a t s t e , die dood g e w e e s t is, en w e d e r l e v e n d is g e w o r d e n . — „De Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en Hij is levend geworden," korte geschiedenis van het Hoofd, en Zijner waarachtige Gemeente! Haar en Zijn aanwezen is van eeuwigheid tot eeuwigheid; zooals de Heere zegt: van eeuwigheid heb Ik u liefgehad. Zijn lot hier op aarde was: gedood te worden door de vijanden; haar lot is even hetzelfde; maar terwijl in dat dooden de vijand zichzelven doodt en heeft gedood, zoo blijft Hem en haar het veld. Juist uit dat zich laten slachten als een lam, dat zich laten dooden als schapen, komt de opstanding voort, — het alleen levend gebleven zijn, terwijl het bestrijdende dood en te niet is gegaan. Bij het profetisch en getuigend volhouden tegen degenen, die zeggen, dat zij Gods volk zijn, en zy zijn het toch niet, is voor ons wel niets anders te wachten, dan een gedood worden van allen, zooals ook David klaagde: ik ben uit hun hart vergeten als een doode.
Vs. 10. V r e e s g e e n der d i n g e n , die gij lij d e n zult Z i e t , de d u i v e l zal e e n i g e n van u l i e d e n in de g e v a n g e n i s w e r p e n , opdat gij v e r z o c h t wordt; en gij zult eene v e r d r u k k i n g hebben van tien d a g e n . Zijt g e t r o u w tot den dood, en Ik zal u g e v e n de kroon des l e v e n s . — Getrouw tot het volslagen ondergegaan-zijn, zoodat wy uit het zichtbare totaal zijn uitgezet, en wij het oordeel hebben, dat datzelve ons voor altijd heeft uitgesloten, verworpen, enz. Zoo onttroond, ontkoningd, afgezet, verworpen, ten eeuwigen dage uitgesloten, — zie, daar komt eene kroon van boven, uit Zijne hand, op ons hoofd, eene kroon des levens. Het razen der Heidenen, het woeden der volken vermag tegen zulk eene kroning niets.
Vs. 11. Die o o r e n h e e f t , die h o o r e wat de Geest t o t de G e m e e n t e n zegt: Die o v e r w i n t , zal van den t w e e d e n dood niet b e s c h a d i g d worden. Hij zal niet beschadigd wrorden van den tweeden dood : de algemeene afval zal den volhardende niet medeslepen, zal hem niet schaden. De eerste dood is in den hof Eden. Door het Evangelie is onverderfelykheid en onsterfelijkheid aan het licht gebracht; de dood is gedood voor die in het licht des Heeren wandelen; die daar uitgaan, sterven andermaal, ten tweeden male. Dezulken beschrijft Judas, de Apostel, als hij zegt (Vs. 22.) : tweemaal verstorven boomen zijn zij.

AAN DE GEMEENTE, DIE IN PERGAMUS IS, 2 : 12 — 17.
Vs. 12. En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pergamus is: Dit zegt Hij, die het tweesnijdend scherp zwaard heeft. — Die het zwaard houdt, dat tweesnijdend , dat scherp is. De beschrijving van de hoedanigheid en de werking van des Heeren getuigenis ontdekt volkomen genoeg aan hen, die er zich aan willen onttrekken , wat zij doen, zoodat hun alle verontschuldiging van hun wederstreven, van hunnen oproer en afval is ontnomen; anderzijds geeft zij allen moed aan de getrouwe getuigen, dat hun dragen van dat zwaard en hun verhouwen er mee niet ijdel is in den Heere; vervolgens stelt zij met Vs. 16 de verschrikkelijke verwachting der ongehoorzamen voor oogen : Bekeer u; en zoo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren, met het zwaard Mijns monds".
Vs. 14. Maar Ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de leering van Balaam houden, die Balak leerde den kinderen Israëls een' aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodeno f f e r e t e n , en h o e r eer en. — Balaam beteekent: niet-volk. De Heere zegt, dat Hij er tegen heeft, dat men in zijn midden dezulken duldt, volgens wier leer diegenen als Zijn volk gehoord worden, die Zijn volk niet zijn, en omgekeerd, welke Zijn volk zijn, behandeld worden, als waren zij Zyn volk niet. — Balak beteekent: woestheid, ledigheid, waartoe de leerlingen der Bileams leiden, terwijl zij, in wie niets is, al maken zy wat vertoon, de onnoozelen in hunnen strik trachten te krijgen en te doen vallen door het lokaas van aan menschelijke behoeften vervulling te geven op ergerlijke en ongeoorloofde manier.
Vs. 15. Alzoo hebt ook gij, die de l e e r i n g der N i c o l a ï e t e n houden, hetwelk Ik haat. — Nicolaïeten beteekent: Yolkswinners die volk winnen, en het volk overwinnen, aan het volk inruimende, wat hun niet ingeruimd mag worden , terwijl zij het overigens genoeg in strengheid van discipline houden, om het te tiranniseeren onder belofte van vrijheid. Bij Nicolaïeten komt de telkunde meer dan de taalkunde in aanmerking. Antipas (Vs. 13.) beteekent: Tegen allen.
Vs. 17. Die oor en h e e f t , die h o o r e wat de Geest tot de G e m e e n t e n zegt. Die o v e r w i n t , Ik zal hem g e v e n te eten van het manna, dat v e r b o r g e n i s.,en Ik zal hem geven eenen w i t t e n k e u r s t e e n , en op den k e u r s t e e n eenen n i e u w e n naam geschreven, w e l k e n niemand kent, dan die hem ontvangt.
Manna dat v e r b o r g e n is, — alle mogelijke systema's worden steeds door velen begrepen; maar dat, waarmede de ware getuigen gevoed worden, waarop zij leven, rieken, hooren, zien, smaken, spreken, handelen, dat is alles verborgen. Waar zit het hem toch? vragen allen; zij zoeken het na te maken; maar het geheim kunnen zij niet ontdekken. Een witte keursteen, — voor de rechtbank der Wet, der reine Wet; een witte steen , om hem rechtvaardig te verklaren, hem het leven toe te spreken. Een voor alle anderen onbekende n i e u w e naam. Hoe heet die mysterieuse (geheimzinnige) persoon, die niets heeft, en om niets geeft, op wien allen aankomen, en hij vat allen aan, en niets bestaat tegen hem? Waar heeft hij geleerd? Hoe doet hij dat? Waarop grondt hy zich dan eigenlijk? Wat hij was, is hij niet meer; hij is niet nieuw, en niet oud; ouder dan oud, nieuwer dan nieuw; noch ketter, noch rechtzinnige. Hoe noemt hij zich? Vergelijk Filipp. 2 : 9: „Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem eenen Naam gegeven, welke boven allen naam is." Hoe was de Naam „Jesus" in tel vóór Zijne opstanding! — Wie zijt gij dan toch? zoo vraagden de Farizeën ook aan Johannes, opdat wij bescheid kunnen geven dengenen, die ons gezonden hebben, Joh. 1 : 21—23.
([Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring der zeven Brieven: Openbaring van Johannes 2 en 3.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken