Bekijk het origineel

Ter verklaring van Leviticus 4.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Leviticus 4.

De wet van het zondoffer. (Slot.)

6 minuten leestijd

Zooals bij de brandoffers geschiedt, zoo zal ook hier, bij het zondoffer, al het vet opgenomen worden; het vel bedekkende hel ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is, daartoe de twee nieren, en hel vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het nel over de lever, (dat ook van vet is) met de nieren, zal hij afnemen, en de priester zal al dat vet aansteken op het altaar des brandoffers (Vs. 8—10). Dus ook hier weder: al ons welzijn, onze beste stand in het geestelijke en lichamelijke, onze hooge en hoogste geestelijkheid, alsmede onze fijnste en teederste gevoelens en bevindingen, wat in ons binnenste leeft en zich beweegt, — het deugt altemaal niet voor God, het is alles zonde en met zonde bevlekt. Daarom weg daarmee! voor Gods aangezicht kan het niet bestaan, — het moet alles in het vuur, in de vlammen van Gods toorn en gericht.
En nu verder Vs. 11. De huid van het offerdier moest afgetrokken worden, zoo lag dan het doode lichaam daar geheel ontbloot. Het is een gruwelijke aanblik, als bij een mensch de bedekkende huid zijns aangezichts weggenomen wordt. Zie eens de afbeeldingen in anatomische boeken ! Maar als God de Heere de huid, de bedekselen, die over geheel ons inwendig leven liggen, wegneemt, hoe ziet het er dan met ons uit ? welke gruwelen komen dan te voorschijn ? En er staat geschreven: „Er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben"! (Hebr. 4 : 13.) Voor Gods oogen ligt er geene bedekkende huid; daar zijn wij niet zoo, als wij voor menschen dikwijls huichelen, niet zoo, als wrij onszelven gaarne verbeelden te zijn, — maar zooals wij werkelijk zijn; en . . . is dat dan niet zoo, dat wij verdienen, geslacht en als iets afschuwelijks weggeworpen te worden ?
Maar aanschouw nu en aanbid de wonderen der genade en barmhartigheid Gods! Niet aan u zal dit geschieden, — de Heere God heeft Zich eenen ander uitverkoren en uitgezocht, op Hem komt het gericht, aan Hem geschiedt dat alles, wat wij verdiend hebben, wat wij moesten dragen, aan Hem, Zijnen lieven Zoon, het waarachtige zondoffer. En nu, de huid van dien var, en al zijn vleescli, de mensch, zoo als hij van buiten en van binnen is; met het hoofd, met al zijn verstand, zijne wijsheid, zijne hooge, en hoogste en heerlijkste gedachten en overleggingen, — en met zijne schenkelen, waarin de kracht en sterkte is, om den ganschen mensch te dragen, — en zijn ingewand, waarin bij al de begeerte en hartstochten ook het fijnste en teederste gevoelen, t. w. de liefde, woont dit beste, wat wij hebben, het wordt alles te zamen geworpen — is het mogelijk? — met den mest! Het is alles, als het er op aankomt, voor God niet beter dan de mest, en wordt met dien op éénen hoop geworpen. Beken het dan nu maar van uzelven : het is waarheid, het beste wat ik heb van wijsheid en verstand, van kracht en sterkte, van liefde en allerlei deugden, is niets meer waard dan met den mest samengeworpen , met dien gelijk gerekend te worden, zooals het hier geschiedt. En waarheen gaat het nu daarmee ? Dat lezen wij in Vs. 12.
Het zal alles uitgevoerd worden tot buiten het leger, waar men de asch uitstort. Onze Heere Jesus Christus, Die alle zonden op Zich genomen heeft en draagt, wat wij dragen moesten, — Hij wordt als het waarachtige zondoffer uitgevoerd buiten de legerplaats, buiten de stad, het heilige Jerusalem, waar Hij toch Koning was, —maar het heette: weg met Hem ! aan het kruis met Hem! En zoo werd Hij uitgevoerd, zooals Paulus schrijft: „Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hoogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Daarom heeft ook Jesus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden''. Hebr. 13: 11, 12.
Naar Golgotha ging Hij uit! naar de plaats waar de misdadigers terechtgesteld werden, naar die ontzettende plaats vol bekkeneelen en doodsbeenderen; zoo werd Hij voor ons een vloek en aller afschrapsel. Evenwel wordt deze plaats genoemd eene reine plaats, — en voorwaar, kunt gij mij op de geheele aarde eene reinere, eene heiligere plaats noemen, dan Golgotha? eene plaats, waar meer de heiligheid Gods en al Zijne deugden en volmaaktheden zijn geopenbaard geworden, dan juist Golgotha? Al is het de plaats des doods en des vloeks, nochtans is het ook de plaats der overwinning, der opstanding Christi, en al onze zonde, schuld en onreinheid is juist daar weggenomen. Is het dan niet eene reine plaats? De duivel schijnt wel te triomfeeren, evenwel juist hier wordt hij uitgeworpen uit den hemel, en lieeft hij zijne macht verloren.
Alles wordt daar wet vuur op het hout verbrand. Christus heeft daar onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout, 1 Petr. 2 : 24; Hij wilde daar verteerd worden door de vlammen van Gods toorn en als verbrand worden tot asch. En zoo is het geschied, — het is volbracht: onze zonde is in Hem voor Gods aangezicht weggedaan, en er staat Gode niets meer in den weg, om eene nieuwe schepping daar te stellen ter verheerlijking Zijner genade.
Van dit altaar, van deze plaats, waar onze Heere voor ons tot asche is gemaakt, gaat nu de verkondiging uit der verzoening, het Evangelie der vergeving der zonden, zooals de Apostel betuigt: „Wij zijn gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen. Want Dien, Die geene zonde gekend heeft, heeft Hij - zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Daarom staat hier: „De priester zal voor hem verzoening doen''. (Vs. 20, 26, 35.)
,,Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou; en dat Hij door Hem alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven. (Col. 1 : 19 en 20.) En het zal hem vergeven worden, — op grond dezer verzoening. Daar komt de volle troost der vergeving der zonden tot hem, en. er wordt Psalm 82 gezongen:
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven;
Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,
Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Leviticus 4.

Bekijk de hele uitgave van zondag 13 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken