Bekijk het origineel

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 15. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 15. (Vervolg.)

8 minuten leestijd

Groote beroering verwekte de verkondiging dezer valsche leer bij de Apostelen, zoodat wij lezen Ys. 2: Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zoo hebben zij verordend, dat Paulus en Barnabas en eenige anderen uil hen zouden opgaan tot de Apostelen en ouderlingen naar Jerusalem over deze vraag. — Kan het ons verwonderen, dat een Paulus, die het zoo uitnemend had geleerd, hoe onze volkomene verlossing in de eenige offerande van Christus staat, eenmaal aan het kruigeschied, den glans van dit kleinood niet kon laten vers duisteren, maar deze waarheid moest handhaven tegen alle valsche leer? In het Jodendom uitmuntende boven velen van zijnen leeftijd en zijn geslacht, kon hij er zicli op beroemen, dat hij overvloedig had geijverd meer dan eenig ander voor de vaderlijke inzettingen en naar de beseheidenste secte van zijnen godsdienst als een Farizeer had geleefd; maar evenzeer had hij ondervonden, dat al deze werken hem niet voor God konden rechtvaardigen, omdat reeds de grond, waaruit zij voortkwamen, bedorven was; zoo moest dan eene andere gerechtigheid dan de zijne hem bedekken, om voor het gericht Gods te kunnen bestaan. Daarom roept hij het met nog grooter blijdschap uit : mij, den voornaamsten der zondaren, is barmhartigheid geschied ! alles, wat ik noodig had, heeft Jesus Christus mij gegeven uit vrije genade, en heeft met Zijne volheid mijne armoede volkomen bedekt; In Hem is de zaligheid alleen en niet in de werken der wet, en ik, Paulus, betuig u : Christus is u ijdel geworden, die door de wet wilt gerechtvaardigd worden, gij zijt van de genade vervallen. Dezelfde Paulus, die het der Gemeente te Rome toeroept: Zijt eensgezind onder elkander, en indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen, — ontvlamt in heiligen ijver, wraar het geldt, de waarheid Gods te handhaven tegen de leugen. Ilier verbreekt hij elke gemeenschap en kent geenen vrede met de valsche broederen, die als wrolven de schaapskooi waren binnengeslopen om de kudde te verderven. Zelfs geen uur, roept hij den Galaten toe, hebben wij hun geweken met onderwerping, om onze eer en onzen naam te handhaven, maar opdat de waarheid des Evangelies bij u zoude verblijven.
Ter wille der Gemeente, en opdat zij niet langer zou geslingerd worden door allerlei wind van leer, maar gegrond op de leer der Apostelen en Profeten in het midden der wereld zou staan als een pilaar en vastigheid der waarheid, kwam men te zamen overeen, deze zaak te onderwerpen aan het oordeel der Apostelen en oudsten te Jerusalem. De uitspraak van deze vergadering, waarheen Paulus en Barnabas en eenige anderen uit hen opgingen, zon de Gemeente bevestigen en sterken, als zij vernamen, dat ook dezen het volkomen met hen eens waren in de leer, en zoo het bewijs ontvingen, dat geen toeval, maar de Geest des Heeren de broederen leidt, allen onderwijst in de waarheid, die naar de godzaligheid is, en hoe verscheiden ook van karakter en aanleg, toch allen ééne taal leert spreken, waarvan de grondtoon immer dezelfde is. De uitspraak dezer vergadering was tevens die der geheele Kerk, zooals zij bestond uit Joden- en Heiden-christenen, en in de Apostelen en ouderlingen te Jerusalem vertegenwoordigd was. Jesus Christus is de Koning Zijner Kerk, Die haar regeert door Zijn Woord en Geest en tegen alle vijanden beschut en bewaart, daarom gaat zij niet ten onder, maar wordt, hoezeer ook bestreden, steeds vaster gegrond in de wraarheid, gelijk de boom, die door den storm geschud, daarna te hechter in de aarde wortelt en naar boven zijne takken uitbreidt nog schooner dan te voren. Menigmaal laat God den menschen toe, hunne dwalingen voor eenen tijd te verkondigen, om daarna Zich te ontdekken en Zijn Woord in des te heerlijker glans te plaatsen, opdat de tegenstelling te treffender zij en een' blijvenden indruk achterlate. Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samarië, verhalende de bekeering der Heidenen; en deden al den broederen groote blijdschap aan.(Vs. 3.)
Eene gewichtige reis was het, die de Apostelen ondernamen; het doel was Jerusalem, daar zou beslist worden, wat in den laatsten tijd de harten der discipelen zoozeer had ingenomen.
Voorzeker hebben dezen met sterk verlangen het besluit deivergadering afgewacht, geslingerd als zij werden tusschen hoop en vrees. Niet minder belangrijk was zij voor Paulus en Barnabas zeiven, die, door de Gemeente uitgeleid, aan deze toch eindelijk hun afscheid moesten geven, en haar nu zagen overgelaten aan de prediking der valsche broederen, die in dien tijd zeker niet zullen gerust hebben, om zich de gelegenheid ten nutte te maken, ten einde hunne dwalingen meer ingang te doen vinden. Toch hebben de Apostelen te midden hunner bekommering eenen vasten grond van hoop, de trouw huns Gods, Die niet zal toelaten dat Zijn werk verstoord worde en afgebroken door de vijandschap van menschen. Deze trouw vervult hen met blijmoedigheid, en zij moeten daarvan spreken op hunnen weg, spreken tot de broederen, die even dierbaar geloof met hen verkregen hebben. Gelijk te Antiochië verhalen zij ook in de steden van Fenicië en Samarië de groote werken Gods; hoe Hij den Heidenen de bekeering heeft gegeven ten leven, en hen, die te voren geen volk wraren, tot Zijn volk heeft aangenomen. Een van deze broederen uit de Heidenen, die mede onder hen was, die de Apostelen vergezelden, Titus, mag wel zelf getuigenis hebben afgelegd, en zoo voor de Gemeenten in deze landen een levend bewTijs zijn geweest voor de waarheid van Paulus verhaal. En de b r o e d e r e n ? . . . . o! zij verblijden zich met groote blijdschap, en nemen daarmede de Heidenen in hunne gemeenschap op, zonder te vragen of deze wel eerst besneden waren geworden en ingeleid met alle formaliteiten der Joodsche wet. Het geloof dezer Heidenen, dat zich uit hunnen wandel openbaart, is voor hen een bewijs, dat deze broederen reeds besneden zijn, t. w. met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de voorhuid des harten. Zoo mogen de Apostelen de Gemeenten verkwikken en wTorden door hare blijdschap mede versterkt en getroost en bevestigd in het geloof, dat de Heere der Gemeente de Zijnen wel leidt en hen allen zeker zal binnenbrengen in de stad, al zijn zij ook in den heeten strijd des geloofs met wenden overdekt gewerden. — Aan alle plaatsen predikende, hebben de broederen het doel hunner reis bereikt. Jerusalem ligt voor hen, e)i daar gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeenteen de Apostelen en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat groote dingen God met hen gedaan had (Vs. 4.) Van de Gemeente te Antiochië uitgeleid, werden de broederen door de Gemeente met de Apostelen en ouderlingen te Jerusalem weder ontvangen, aangename gasten, wier verblijf in de moedergemeente voor allen niet anders dan tot vreugde kan zijn. Wat is na de eerste begroeting de inhoud der gesprekken? Wat zou het anders kunnen zijn dan hetgeen wij lezen : zij verkondigden wrat groote dingen God met hen, zwakke wrerktuigen , gedaan had.
Eene uitnemende voorbereiding voor de vergadering der Apostelen; waar men begint met God te loven en Zijnen Naam te verheffen, daar is men spoedig over alle droefheid en ergernis heen, en kan ten slotte niet anders dan den Heere zingen met psalmen in het hart, daar is Zijn lof voortdurend in den mond en op de lippen. Wat God in Zijne uitnemende liefde voor armen heeft gedaan, wordt door de broederen vooropgesteld; eerst daarna zullen zij tegenover de gedachten des vredes, die God heeft gehad, de gedachten der menschen plaatsen, die het gewaagd hebben, Zijn werk te berispen.
Heeft God dan gevraagd naar eenig voorrecht aan de zijde der Heidenen, om hun het geloof te schenken en hen op te nemen in Zijn verbond? Neen, Hij heeft het gedaan alleen uit vrije ontferming en ongehoudene liefde, en waar Gods harte zóó ruim is, zouden wij het ondernemen, om daarop aanmerking te maken? Het gevoel van eigene onwaardigheid en zonde voor Gods heilige oogen weerhoudt de Apostelen, om zich, gelijk de valsche broederen te Antiochië, uitnemender te rekenen dan de Heidenen, en zich boven dezen te verheffen op vermeende voorrechten, die ook zij, Heidenen, moesten kunnen aanwijzen om in waarheid tot het volk Gods gerekend te worden. De eigengerechtige mensch waant zich in waarheid veel vromer dan God Zelf. God neemt den verloren zoon aan en legt hem aan Zijn Vaderhart; de mensch plaatst er een vraagteeken bij, en zegt: zoudt gij, onreine, een kind Gods zijn! ga eerst henen, reinig u en kleed u in een betamelijk gewaad, eer gij het wagen zoudt tot God te komen.
De Heere zegt: Gij zijt zalig en volmaakt in Mijn Lam: de mensch zegt: toon mij uwe heiligmaking, waar zijn uwe werken ?
Zoo ging het in de dagen der Apostelen, zoo gaat het ook nog heden. Al wat zichzelven zegent, zet zich op de eerste plaats in het Koninkrijk Gods en den armen broeder buiten de deur, terwijl juist wat Christus verkoren en met Zich gezet heeft in Zijnen troon, van heiligen eerbied zich het gelaat bedekt, en van verre staande uitroept O: God! wees mij zondaar genadig! (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, hoofdstuk 15. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken