Bekijk het origineel

Ter verklaring der zeven Brieven: Openbaring van Johannes 2 en 3.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring der zeven Brieven: Openbaring van Johannes 2 en 3.

(Uit een Brief van Dr. Kohlbrügge aan een vriend, — Mei 1842.)

9 minuten leestijd

AAN DE GEMEENTE, DIE TE PHILADELPHIA IS, 3 : 7 — 9 .
Vs. 7. En schrijf aan den engel der G e m e e n t e, die in P h i l a d e l p h i a i s : Dit zegt de H e i l i g e , de W a a r a c h t i g e , Die den s l e u t e l Davids h e e f t ; Die o p e n t , en n i e m a n d s l u i t , en Hij s l u i t , en niemand opent. P h i l a d e l p h i a wil zeggen: liefde tot hen, van wier maagschap men is. Heb g e s c h r e v e n , (schrijf) — zoo staat er voor alle Gemeenten; er staat niet: heb gezegd. Dat schrijven is gebleven, en terwijl deze getuige van alles verstoken was, is de stem dergenen, die de leer- of predikstoelen beklommen, vervlogen als stof en kaf voor den wind. — Dit zegt de H e i l i g e , — aangezien gij hoort, dat Hij, Die afgescheiden was van de zondaren Zich tot u bekent, zijt gij voor Hem heiligen, schoon die Joden zeggen : „Wijkt van ons, wij zijn heiliger, dan gij,*1 en u lasteren, dat gij leert: Laat ons het kwade doen, opdat het goede er uit voortkome. De Waara c h t i g e , — en gy hebt gemeenschap met Hem; dus is uw werk in waarheid en geene dwaling of ketterij in u, zooals die Joden voorgeven; en het zal zoo uitkomen, als Ik u beloof: Ik houd Mij geheel rein bij de reinen, trouw by de trouwen , en ben niet bij hen, die u uitgesloten hebben. Die den s l e u t el D a v i d s h e e f t , — eene koninklijke poort tot het heiligdom, tot den tempel Gods; eene bijzondere poort, waar niemand door mag, dan de rechtmatige Erfgenaam en Troonbezitter Davids. Daartoe heb Ik, zegt deHeere,den sleutel; niemand der Joden kan die poort sluiten, als Ik ze voor u open ; niemand van Levi zal ze die kunnen openen, voor wien Ik ze gesloten houd.
Vs. 8. Ik weet uwe w e r k e n ; zie, Ik heb eene geo p e n d e deur voor u g e g e v e n , en niemand kan d i e s l u i t e n : want gij hebt k l e i n e k r a c h t , en gij hebt Mijn W o o r d bewaard, en hebt Mijnen Naam n i e t v e r l o o c h e n d . — „Ik weet u we w erk en. Gij hebt niet gevraagd, of gij verder nut kondet stichten, maar gij hebt u laten uitsluiten: gij wildet niet zijn, waar Ik niet ben. — Zie, gij hebt uwe oogen gesloten voor al het zichtbare, terwijl die Joden grooten ophef maken, als breidden zij Mijn Koninkrijk uit. Het is u als deedt gij niets, en gij wordt daarover beschuldigd, verdacht. Zijt getroost! uw recht gaat van uwen God niet voorbij, en de arbeid uwer ziele is niet ijdel in den Heere. I k heb voor u, — voor uw aangezicht, voor uwe oogen, — e e n e deur g e g e v e n , die g e o p e n d is. Zoo Paulus: 1 Cor. 16: 9: „Mij is eene groote en krachtige deur geopend."
Zie verder 2 Cor. 2: 12; Col. 4 : 3; Hand. 14: 27. Ik heb Mij in de stilte harten bereid, die naar de gerechtigheid hongeren en dorsten; en uw getuigenis, Mijn Woord, waarom gij uitgesloten zijt, en dat gij aan de boomen en velden schijnt gepredikt te hebben, heeft toch akkers gevonden, waarin gij Mijn zaad moogt werpen; Ik heb die opgeploegd. En n i e m a nd kan die s l u i t e n . Mij heeft men uitgesloten, toen men u uitsloot; maar Mijn Woord laat zich niet binden of bannen; Mijne getuigen zijt gij; en Mijn getuigenis, hetwelk gij getuigt, is allen tegenstanders en lasteraars te machtig; het laat zich niet stuiten in zijnen loop, dien Ik aan hetzelve gegeven heb. — Want gij hebt k l e i n e macht (kracht), in vergelijking van al die predikers, die zich voordoen, als waren zij predikers der gerechtigheid, hebt gij weinig invloed ; waar allen als dolende schapen gaan, en elk op zijnen weg ziet, beduidt g i j niet veel, en zijt als machteloos bij de overmacht dergenen , die in de Gemeente voor het Fac-totum, het doe-al, aangezien worden en Jodengenoot op Jodengenoot maken. Daarom ben Ik u zoo te hulp gekomen, en gij h e b t Mijn W o o r d b e w a a r d, en den menschen geene bedriegerijen geschouwd, noch kussens onder de okselen gelegd. Gij hebt Mijne Wet liefgehad en de kwade ranken gehaat, en gij hebt Mijnen Naam n i e t verl o o c h e n d , door denzulken de handen op te leggen, die de zalving niet hebben van Mij, om zoodoende uwen naam als wat goeds in de Gemeente te laten gelden. Die den Naam Mijns Vaders niet op het voorhoofd hadden, dien hebt gij het gezegd, hoe machtig zij zich ook voordeden; wat er ook van uwen naam worden mocht: M ij n Naam bleef uw leven en getuigenis.
Vs. 9. Zie, Ik g e e f u e e n i g e n uit de s y n a g o ge des S a t a n s , d e r g e n e n , die z e g g e n , dat zij J o d en z i j n , en zijn het n i e t , maar l i e g e n ; zie, Ik zal maken, dat zij z u l l e n komen, en a a n b i d d e n v o or uwe v o e t e n , en b e k e n n e n , dat Ik u l i e f h e b . Zie, — hoedanig elks werk zal zijn, zal de dag openbaren. Ik g e e f ; men gaf u niets, toen men u uitsloot, maar dreef u in het woeste, zeggende: daar zal hij sterven, en zijne gedachtenis vergaan. — U i t de s y n a g o g e , — synagoge, d. w. z. vergadering, waar deSauls, die tienduizenden willen verslagen hebben, met de spies op u geworpen hebben, om u aan den wand te spitten. — Des S a t a n s , — Satan is tegenstander; zulk eenen boozen geest had Saul in zich, daarom kon hy den Techtvaardigen David niet bij zich dulden. Meent niet, dat het de Heilige Geest is, Die hem tot dat besluit aanzette, en zóó dezen. „Ja maar, als zij dat leeren, dan .....?"
Kent dien geest, die hem aanzet! Och, dat zij kenden, wie hen opzette! Maar zij wanen zich zoo zeker van hunne rechtschapene liefde voor de waarheid, dat zij de waarheid, als ware het de afgrijselijkste logen, bezweren bij den Almachtige; d i e z e g g e n , dat zij voor zich J o d e n zijn. Joden beteekent: lovers, die Gods lof vertellen. Lof betaamt den oprechten; den oprechten moet het licht aldoor weder opgaan uit de duisternis, zy vertellen den ganschen dag, dat Ik hun dit en dat gedaan heb, dat Ik zoo ben voor hen, zij zoo voor Mij. Ziet, die evangelisten doen zich als wat wonders voor. Ziet, uw voorhoofd zij koper tegen hen, en uw hart ijzer, uwe ingewanden staal; wijkt niet voor hen, maar verhouwt hen met Mijne Wet. Want, wat zij voorgeven te zijn, zy zijn het n i e t , zij l i e g e n . Mijn Geest in hen laat hen wel gevoelen, dat zij geen recht op den akker hebben, waarin zij den schat gevonden hebben. Zij kunnen van dien •schat veel loven, en dien beschrijven, zy hebben al het hunne er niet aan gegeven, om dien akker te bezitten, daarom vreest hen niet! Ziet, eindelijk drijft de waarheid toch boven, hoe lang ook er onder gehouden. Ik zal maken, dat zij, — daartoe zal Ik hen in de nieren steken, nadat Ik alle hunne voortreffelijkheden tot rook zal gemaakt hebben, en nadat zij zullen verstijfd zijn bij hunne uitgedoofde spranken, en verhongeren bij hun geschilderd houten brood, waarover zij juichen, alsof het Mijn Manna ware, — z u l l e n zy komen en aanb i d d e n voor uwe voeten (2 Kon. 1: 13, 14.) en bek e n n e n , dat Ik u liefheb, liefgehad heb, dat gij Mijne bijzondere lievelingen, getuigen en vertrouwelingen zijt en waart, toen zij, u aanhoorende, zeiden: „gij hebt den duiver' -en van u tot elkander mompelden: „deze mensch is niet van God, want ....." De gedachtenis des rechtvaardigen zal in zegening blijven, maar de naam der goddeloozen zal verrotten. 2 Sam. 19: 16—20. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring der zeven Brieven: Openbaring van Johannes 2 en 3.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1889

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken