Bekijk het origineel

Over den Heiligen Doop

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over den Heiligen Doop

13 minuten leestijd

Eene Leerrede van Dr. H. F. Kohlbrügge, gehouden 16 Januari 1853, waarbij gezongen werd Ps. 119 : 65, 66; Ps. 18 : 5; Ps. 146 : 6, 8.

De leer van den Heiligen Doop nader overwegende, willen wij niets nieuws voorbrengen, maar het aloude. Want hetgeen eenmaal waar is, blijft waar en moot slechts altijd opnieuw ingescherpt worden, daar wij het ware dikwijls vergeten, en evenals iu andere zonden, zoo ook in eene verkeerde meening omtrent den Doop geraken, wanneer ons het ware niet steeds opnieuw voorgehouden en ingeprent wordt.
Wat het woord „doopen" aanbelangt, beteekent het allereerst: met water overstroomen, indompelen, — vervolgens: wassclien met water, hetzij door indompelen of besprengen. Luk. 11 : 38; Mark 7 : 3; Luk. 16 : 24.
Figuurlijk gesproken is er een liclitdoop, daar is de doop de leer; er is een bloeddoop, dat is een zwaar lijden en vervolging; een vuurdoop, daar is het de uitgieting des Heiligen Geestes over een mensch; maar eigenlijk gesproken werd het woord gebruikt van het wasschen des liehaams en van huiselijke voorwerpen, alsmede van de ceremonieele wasschingen; en zoo verstaan wij daaronder het Sacrament des Nieuwen Yerbonds, hetwelk in de plaats der Besnijdenis gekomen is. In dien zin zegt de Apostel: Eén Heer, één geloof, één Doop. Deze Doop is ingesteld door God en Christus. Daarom vraagt deHeere: „De Doop van Johannes, was die uit den hemel, of was die uit de menschen?" Daarom zegt Johannes zelf: „Die mij gezonden heeft om te doopen"... en spreekt de Ueere: „Nadat gij heengegaan zijt in de geheele wereld, maakt alle volken , tot discipelen, door hen te doopen."
Deze Doop is eerst door Johannes den Dooper bediend geworden, vervolgens door de discipelen van Jesus, en na Zijne opstanding door Zijne Apostelen, Evangelisten, herders en leeraars, die Hij daartoe heeft gezonden en die door de Apostelen, daarna door de Gemeenten, als herders en leeraars zijn beroepen geworden.
Dat de Doop van Johannes en van Christus, wat het wezen betreft, dezelfde Doop was, bewijzen wij hieruit: de Doop van Johannes heeft, evenals de Doop van Christus, tot Insteller God Zelf, — heeft hetzelfde teeken, namelijk water, — heeft dezelfde beteekende zaak, n. 1. het bloed van Christus tot vergeving der zonden, — dezelfde overeenstemming van het teeken en de beteekende zaak: water — en het bloed van Christus; ook had hij hetzelfde doel, t. w. hij geschiedde ter inlijving inde Gemeente of in het volk des Heeren, en tot verzegeling van de vergeving der zonden.
Vervolgens Christus is door Johannes gedoopt, en de Doop van Christus en van Zijne geloovigen is dezelfde. — Ook is de Doop der Apostelen met water, evenals de Doop van Johannes. De waterdoop geeft den Geest niet, dat deed en doet nog Christus alleen; en zoo men mocht tegenwerpen, dat Johannes niet gedoopt heeft in den Naam der Drieëenheid, zoo zeggen wij, dat dit te bewijzen valt. De Heilige Drieëenheid heeft Zich juist troostvol geopenbaard, toen Johannes Jesus doopte. Wat overigens de schriftuurplaats Hand. 19: 4, 5 aanbelangt, zoo is het alleen uit verkeerde vertaling en opvatting van deze woorden, wanneer men beweert, dat de Apostel Paulus de discipelen andermaal heeft gedoopt; en dat de discipelen niets wisten van den Heiligen Geest, is te verstaan van de buitengewone gaven des Geëstes, anders hadden zij wel daarvan gehoord; immers Johannes, die van moederslijf aan vervuld was met den Heiligen Geest, had zelf gezegd: Deze zal u met den Heiligen Geest doopen. Men verstaat zoodanige plaats, wanneer men haar anders opvat, evenzoo verkeerd, als wanneer men van Jozua leest, dat hij de kinderen Israëls andermaal besneden heeft, daar het toch duidelijk is, dat allen, die hij besnijden liet, nog niet besneden waren.
Gelijk echter de Besnijdenis, welke vóór Christus het teeken en zegel van het Nieuwe Verbond of van het Qenadeverbond was, slechts eenmaal geschieden mocht, zoo mag ook de waterdoop als teeken en zegel van het Nieuwe Verbond, nadat de Heere in het vleesch gekomen is, slechts éénmaal geschieden.
Dat het verbond met Abraham het verbond der genade, of het Nieuwe Verbond in tegenstelling met een Werkverbond, alzoo een eeuwig verbond is , is uit de apostolische uitspraken daarover zoo helder en klaar als de dag; wij hebben daarvoor alleen Romeinen 4 en Galaten 3 in te zien.
De Doop mag alleen bediend worden door mannen, en wel door hen, die daartoe door de Gemeente rechtmatig beroepen , en van God gezonden zijn. Eene vrouw mag niet doopen , zelfs niet in een zoogenaamd geval van nood ; dat Zippora haren zoon besneden heeft, bewijst niet, dat God de Heere het goed geheeten heeft, al heette Hij het ook goed , dat haar kind besneden was. Zij was tegen de besnijding geweest en was, daar zij het deed, slechts de hand, door welke Mozes het deed. Zoo liet Petrus in zijne tegenwoordigheid C'ornelius en de zijnen doopen.
Van de tijden van Christus aan is de Doop alleen bediend geworden door mannen, die rechtmatig beroepen waren. Christus heeft leeren en doopen te zamen verbonden, en heeft de Apostelen en door hen de leeraars gezonden, om dit Zijn bevel te doen. En in dit leerambt mag zich niemand indringen ; hij moet van God en Christus gezonden zijn.
Daaruit volgt, dat een Doop, bediend door zulken, dieniet door God gezonden en niet door de Gemeente rechtmatig beroepen zijn, geen Doop is, en dat de Doop, door ketters bediend, in geen geval Doop is; want de Doop heeft slechts geldigheid, zooals zij in de Kerk geschiedt, welke door Christus gesticht is, en door zulken is bediend, die zending hebben. Dat echter is de Kerk van Christus, welke het fundament bewaart of nog in zich aanwijzen kan, al mag zij overigens door vele dwalingen misvormd zijn, en een leeraar voor zichzelven onbekeerd zijn, of in het geheim dwaalleeringen koesteren, dit ontneemt aan den Doop zijne geldigheid niet voor den gedoopte.
Het uitwendig teeken in den Doop is water. „Kan ook iemand het water weren, dat deze niet zouden gedoopt worden?" sprak Petrus; en de kamerling: „Ziedaar water, wat verhindert mij gedoopt te worden?"
De wijze van bediening geschiedt door onderdompelen of door besprengen. Het onderdompelen geschiedde in den eersten tijd het meest, daar de Doop bediend werd in een land, waar het des daags zeer warm was en alzoo der gezondheid niet schadelijk is. Daarop doelt de Apostel Paulus in Romeinen 6. De Doop geschiedde echter reeds op den eersten dag der uitstorting des Heiligen Geestes door besprenging , want om drieduizend menschen onder te dompelen, zou in Jerusalem, dat arm aan water was, ondoenlijk geweest zijn ; en bij Cornelius geschiedde die ook door besprenging, want er werd water in het vertrek gebracht, hetgeen duidelijk blijkt uit de woorden van Petrus: „Kan ook iemand het water weren"; zoo ook kan de stokbewaarder volgens Hand. 16 slechts besprengd zijn geworden.
Dat zoodanige besprenging evenzoo overeenkomstig de Schrift is, als het indompelen, blijkt uit de beteekende zaak, welke is het bloed van Christus, dat de ziel reinigt, van welk bloed in dezen zin gezegd wordt, dat wij daarmede besprengd worden , Hebr 9 : 1 2 - 14; 12: 24; en 1 Petr. 1: 2. Zoo is dan de volkomene overeenstemming aanwezig tusschen teeken en de beteekende zaak, zoowel in het besprengen als in het indompelen, — beide reinigt. Daarom luidt het ook van de besprenging of uitgieting des waters, Ezech. 36 : 25: „Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden." — Tot de wijze, waarop dezelve bediend wordt , behoort vervolgens, dat dezelve geschiede in den Naam des Drie-eenigen Gods. Zoo heeft Christus het bevolen. En de Drie-eenige God heeft het oog op den doopeling, dat de Vader zijn Vader, de Zoon zijn Verlosser, de Heilige Geest zijn Trooster en Heiligmaker zal zijn. Wij lezen in de Handelingen der Apostelen, dat er gedoopt zijn in den Naam van den Heere Jesus; daarmede is echter niet bewezen, dat zulk een woord eene formule geweest is, en er is geen God dan de Drieëenige.
De beteekende zaak is het bloed van Jesus Christus, hetwelk reinigt van alle zonde. Dit bewijzen wij uit Ef. 5: 26 en Hand. 22: 10.
Het doel van den Doop is de verzekering en verzegeling van de vergeving der zocden, van de wedergeboorte en de inlijving in de Kerk van Christus. Want gelijk Abraham het teeken der Besnijdenis verkreeg tot een zegel van de gerechtigheid des geloofs, zoo ontvangen wij in denzelfden zin het teeken des Doops. Van de wedergeboorte in dezen zin lezen wip Titus 3 : 5; en van de inlijving in de Gemeente van Christus1- 1 Cor. 12: 13: „tot één lichaam gedoopt".
Wij vragen nu , of het water in den Doop eene bijzonderekracht in zich heeft, om de zonden weg te nemen, en door d& plaats gevondene handeling de wedergeboorte teweeg te brengen,, dus door de uitwendige daad, zoodat het in de jonge kinderen een middel is tot wedergeboorte zonder het Woord. Dit beweren de Roomschen. Wij zeggen: Neen. Het waterals element heeft geene geestelijke eigenschappen, het waterbehelst zoodanige kracht niet, anders zou Johannes niet gezegd hebben: Ik doop u met water, maar die na mij komt enz. De zaligmakende genade komt van Christus door Zijnen Geest, dien. Hij schenkt. Deze kracht ligt in de opstanding van Jesus Christus ^ dit zegt Petrus 1 Petr. 3. En hetgeen teeken en zegel eener zaak is, dat is de zaak zelve niet, waarvan het teeken en zegel is. De regenboog zou op zichzelven geenen zondvloed afweren. Het water schenkt de genade zelve niet, maar het Woord, in het geloof aangegrepen; en indien in het water de kracht lag, zoo zouden ook alle gedoopten waarlijk wedergeboren zijn, dit kwam echter bij Simon den toovenaar wel anders aan het licht; en wie de Sacramenten misbruikt, ontvangt dezelve tot een oordeel. Zoo blijft dan de oude uitspraak: Het Woord komt tot het element, zoo wordt het tot een Sacrament.. En wanneer in de Schrift dit aan het water toegeschreven wordt, zoo geschiedt dit figuurlijk. Mozes verdeelde met zijnen staf de Schelfzee, dat deed de staf niet, maar God. — Vragen wij verder: Of de Doop de zonden zoo wegneemt, dat zij niet alleen meer toegerekend worden, maar ook werkelijk niet meer aanwezig zijn? De Roomschen zeggen: ja. Wij : neen. Want wie kan in zoodanigen zin zeggen: Ik ben rein van zonde? Spr. 20 : 9. Vragen wij vervolgens: Of de Doop volstrekt noodzakelijk is tot de zaligheid? De Roomschen zeggen: ja. Wij: neen. Want wij zullen wel eenen brief aannemen, ook al is hij niet verzegeld. Daarom zijn ook alle ongedoopte kinderen niet verdoemd, zooals de Roomsehen willen. Wanneer echter de ouders de gelegenheid hebben, en deze uit lichtzinnige en wereldsche gronden den Doop niet gebruiken, of uit dwaling met betrekking tot den Kinderdoop denzelven verachten, waar het hun beter is geleerd, dan wel; want er staat geschreven: „Al wie niet ten achtsten dage zal besneden worden, diens ziele zal uitgeroeid worden," Gen. 17; maar dan ligt het toch bij God, Zijn Woord aan het kind waar te maken: „De zoon zal niet dragen de ongerechtigheid zijns vaders."
De Doop moet bediend worden aan menschen, en niet aan devenlooze dingen; en deze menschen moeten geloovigen zijn, -want alleen zoodanigen hebben recht op de Sacramenten. Voor geloovigen houden wij al degenen, die hunne zonden bekennen, 'het geloof in Christus uitspreken, en het voornemen te kennen geven Christus na te volgen en naar Gods geboden hun leven en wandel in te richten. Blijven zij daarbij onbekeerd, of zijn zij huichelaars, dat komt voor hunne eigene rekening. Wie aich alzoo hebben laten doopen, zijn ook schuldig eu verplicht, hunne kinderen in het verbond der genade te laten opnemen.
In de eerste tijden werden volwassenen gedoopt, die tot het geloof gekomen waren; deze lieten zich met hunne kinderen -doopen; zoo nam de Kerk later door de gedoopte kinderen toe, deze waren alzoo reeds gedoopt en lieteu als volwassenen hunne kinderen doopen; daarom geen Doop van volwassenen meer, tenzij dan, dat sommigen uit de Joden of Heidenen zich tot den Heere bekeerden.
De kinderen, welke gedoopt worden, mogen geene kinderen -van Joden, Turken of Heidenen zijn, zelfs dan niet, wanneer •«en christelijk huisvader hen bij zich opgenomen heeft, want zij zijn niet in het verbond der genade geboren; ook niet kinderen van zulke ouders, die afgesneden zijn, maar het moeten kinderen van bondgenooten zijn, ook dan nog, wanneer <le ouders gecensureerd zijn, of de kinderen door bondgenooten uit hoererij zijn verwekt
Het is niet uitdrukkelijk bevolen, w a a r de kinderen moeten gedoopt worden; wij bewijzen echter uit de Handelingen der Apostelen, dat de doopsbediening voor de Gemeente heeft plaats gevonden. Hoe groot het getal van de aanwezige Gemeente was, doet niets toe aan de geldigheid van de handeling; hetstichtelijkst geschiedt de Doop, waar de geheele Gemeente samenkomt.
De grond, waarop kinderen gedoopt worden, kan en mag geen uitwendig verbond zijn, want daarvan weet de Schrift niets, maar het moet zijn het eeuwig Genadeverbond; de grond kan en mag ook niet zijn de eeuwige verkiezing, want dat is niet onze zaak; wij hebben de kinderen hier te beschouwen, zooals zij in zichzelven zijn, zoodat de grond niet eene zekere genade kan zijn, welke in het kind zou zijn.
De Doop is een teeken en zegel, en is alleen beteekenend «n verzegelend; hij is niet éen uitwendig teeken, in, op of door hetwelk God de wedergeboorte bewerkt. Dientengevolge zijn de genadewerkingen Gods op zichzelven beschouwd niet gebonden aan den tijd of de handeling van den Doop. Zoo zet ook de Doop op zichzelven niet een kind in eenen anderen toestand over, n. 1. inwendig, dan de toestand was, waarin het zich vóór den Doop bevond, maar de geheele kracht des Djops bestaat daarin, aan het kind te verzegelen het Verbond der genade en alle beloften van dit Verbond; niet dat het kind dezelve in zich heeft, maar dat het recht op dezelve heeft, en dat God Zijne beloften bij het kind zal vervullen.
Alle kinderen der bondgenooten, bekeerd, of onbekeerd, gedoopt of niet gedoopt, wanneer zij in hunne jeugd sterven, mogen wij zalig spreken krachtens het Verbond Gods, in hetwelk zij geboren zijn, want als zoodanig zijn zij kindereu des Verbonds. Worden de ouders ontrouw aan dit Verbond, de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders. Wij hebben hen' ook voor bondgenooten en kinderen Gods te houden, als zij opwassen, zoolang zijzelven niet met woord en daad toonen, dat zij het Verbond ontrouw zijn, en geen deel aan de belofte hebban, tenzij zij zich bekeeren, waardoor het dan blijkt, dat zij in den Doop zijn verzegeld geworden. Want de Doop verzegelt in waarheid alleen de uitverkorenen. Wanneer in het Formulier, om den Heiligen Doop te bedienen, gevraagd wordt of de ouders en getuigen niet geloDven, „dat de kinderen in Cliristns geheiligd zijn, en mitsdien als lidmaten Zijner Gemeente behojren gedoopt te wezen", zoo hebben wij wel te bedenken, dat het Formulier tot de bondgenooten en van hunne kinderen spreekt. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Over den Heiligen Doop

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 februari 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken