Bekijk het origineel

Het heilig Avondmaal naar den Heidelb. Catech. Vr. 75—81,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het heilig Avondmaal naar den Heidelb. Catech. Vr. 75—81,

(Eene leerrede van Dr. H. F. Kohlbrügge, gehouden den 16. Juli 1854.)

10 minuten leestijd

Dewijl wij aanstaanden Zondag bediening hebben van het heilige Avondmaal, zoo houd ik het voor nuttig en noodig, u in dit uur zoo eenvoudig en duidelijk, als het mij mogelijk is, voor te houden hetgeen de God aller genade en barmhartigheid ons leeren en zeggen wil niet het heilige Avondmaal, met andere woorden: waartoe Hij ons het Avondmaal verordend en in Zijne genade bevolen heeft te houden.
Ik houd dit daarom nuttig en noodig , dewijl zoo velen in dit Btuk of geheel onwetend zijn, of zich daarvan allerlei verkeerde begrippen en voorstellingen maken. Velen echter wenschen niets liever dan heldere en bepaalde begrippen daaromtrent te verkrijgen, om er wezenlijke vrucht van te hebben.
Vooreerst weten wij, dat het heilige Avondmaal een Sacrament is. Een Sacrament in kerkelijken zin is eene plechtigheid of vorm, eene heilige handeling, waarbij God aan Zijne Gemeente het Verbond Zijner genade bevestigt, of haar van dit Verbond verzekert. Het Verbond der genade echter is dit: Ik God ben uw God, en gij zijt Mijn volk, gij zijt zonen en dochteren des Alierhoogsten; uwe overtreding ben Ik genadig, en uwer zonden en ongerechtigheid wil Ik niet meer gedenken. Mijne wetten geef Ik in uw verstand en schrijf ze in uw hart. Gij zult Mij allen kennen, van den kleinste onder u tot den grootste.
Toen God dit Verbond met Zijn volk maakte, zag Hij op het Offer, op hetwelk Ilij de overtredingen, de zonde en ongerechtigheid Zijns volks wierp, op het Offer, met welks gerechtigheid en reinheid Hij Zijn volk bekleedde. Hot Verbond werd gemaakt, gelegd, ingewijd en bezworen in een bloed, dat eeuwige waardij beeft voor God, en dat alleen als eeuwig geldig erkend wordt bij Zijn volk.
Het Offer is Christus, en Christus is de Borg en Middelaar dezes Verbonds. Er zijn hier aanwezig voor God, die uit genade in dit Verbond opgenomen zijn, en er worden nog dagelijks tot dit Vei bond toegedaan. Wij allen, die in dit Verbond zijn opgenomen, zijn niet alleen de goederen, de voorrechten, de weldaden van dit Verbond deelachtig, maar ook IIem, die ons in het Verbond opnam, d. i. den Drieëenigen God.
De goederen des Verbonds echter zijn: genade, vrede, vergeving van zonden, eeuwig leven; de voorrechten: eeuwige bevrijding van de macht des duivels, der zonde en des doods; en de weldaden zijn: het in ons wonen van den Vader, van Christus en vau den Heiligen Geest, rechtvaardiging en heiliging, een vaste troost in leven en in sterven, eene ongehuichelde liefde, eene levende hoop en een ongeveinsd kinderlijk geloof, dat het verstand gevangen legt onder de gehoorzaamheid Christi, en in dit geloof een onbedriegelijk doorkomen door al het lijden dezes levens en over den dood heen in het paradijs onzes Gods.
Nu, den trouaen volzaligen Verbonds-God, benevens alle goederen, voorrechten en weldaden dezes Verbonds, worden wij deelachtig, zoodra wij in dit Verbond opgenomen zijn.
Vraagt hier iemand: „Hoe kom ik in zulk een Verbond?" zoo is het antwoord: „Aan de hand des geloofs gaan wjj in dit Verbond over". Vraagt iemand vervolgens: „Hoe kom ik aan zulk geloof?" zoo is het antwoord: „Zulk geloof werkt de Heilige Geest in de harten door de prediking des heiligen Evangelies. Zijt gij een zondaar en met schuld beladen, zoo luister naar de heilige blijde boodschap, dat er een Middelaar en Borg is, die uit genade zalig maakt, zonder uwe verdienste, en die u al uwe zonden vergeeft om niet, uwe zonde op Zich neemt en schenkt u Zijne gerechtigheid en onschuld ; en gelijk de Heilige Geest het hart opent, dat gij in uwe verlorenheid acht geefi op zoodanige prediking, zno schenkt Hij u ook vertrouwen, om zulk eeuen Borg en Middelaar aan te nemen, Hein hand en hart te geven, en alzoo over te gaan in het eeuwige Verbond, hetwelk Hij met Zijn volk alzoo aangaat, zeggende : „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid ; j a Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid, en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen". (Hos. 2: 18, 19.)
De Heilige Geest bedient Zich van het Woord, en daardoor wekt Hij het geloof, het vertrouwen , het zich verlaten en steunen alleen op het offer van Jesus Christus aan het kruis volbracht, als op den eenigen grond onzer zaligheid.
De Heilige Geest is echter zou nederbuigend, dat Hij, om ons goeden moed en vertrouwen te schenken, ons met lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid, met al onze schuld en zonde op het offer Christi te verlaten, ook ons geloof voorkomt, hetzelve ophelpt en bevestigt door het gebruik der Sacramenten. Want daartoe dienen de Sacramenten, om ons tot waarteekenen en zegelen te zijn, welke wij met onze oogen kunnen zien, — en zij zijn niet algemeen waarteekenen en zegelen, door menschen uitgevonden, maar heilige, d. i. door God Zelf ingestelde waarteekenen en zegelen, zoodat God dezelve in de Gemeente ons voorhoudt, dat wij ze met de oogen zien en met de handen tasten kunnen, om door dezelve en aan dezelve een goed en duidelijk inzicht alsmede zekerheid in het hart te verkrijgen, dat ons God een eeuwig leven uit genade schenkt vanwege het eenige offer van Christus, aan het kruis volbracht. Wanneer b.v. God eenen vader of eene moeder, of beide ouders, in het Verbond Zijner genade heeft opgenomen, zoo heeft Hij niet alleen hen, maar ook hun zaad daarin opgenomen. Dewijl echter God weet, hoe zwaar het valt, wegens onze zwakheid, om zulks te gelooven, zoo heeft Hij den Heiligen Doop ingesteld. Wanneer nu geloovige ouders hunne kinderen tot dezen Doop brengen, zoo zijn zij met hun zaad in het bloed en in den Geest van Christus geheiligd. Dit kunnen zij echter vanwege de zwakheid des vleesches nauwelijks gelooven, daarom bevestigt en verzegelt nu de Heere God dit den ouders door don Doop, Hij maakt het hun daardoor helder en zeker, daar zij met oogen zien en met handen tasten kunnen, dat hun zaad met water besprengd wordt op Gods bevel en inzetting, zoo leert en bevestigt Hij ons daarmede, dat wij met ons zaad evenzoo geheel en al geestelijk afgewasschen zijn en gereinigd en geheiligd van al onze geestelijke ongerechtigheid en onreinheid door den Geest en het bloed van Jesus Christus.
Want dat zullen wij vasthouden, dat God de Heere het ons leeren wil door het Evangelie en het ons bevestigen wil door het gebruik der heilige Sacramenten , dat onze geheele zaligheid staat in de eenige offerande Christi, voor ons aan het kruis volbracht. Zoo ook, als wij aan den disch des Heeren gaan, zullen wij het wel bedenken, dat het heilige Avondmaal niet zoozeer een middel tot vergeving onzer zonden is, en wij mitsdien niet met de Roomschen als het ware een misoffer daaruit te maken hebben, maar, vóór dat wjj tot het heilige Avondmaal gaan, hebben wij op het eenig offer Christi, aan het kruis volbracht, te zien en daarop onze zaligheid te bouwen , het geheele vertrouwen ouzes harten daarheen te richten, en tot de genade van Christus onze toevlucht te nemen. Waar wjj nu dit doen, zullen wij ervaren, dat vanwege onze zonden, welke zoo veel en zoo groot zijn, ook vanwege den dood en vanwege Gods heiligheid, die in Zijne Wet vreeselijk dreigt tegen alle overtreders, ons geloof zwak is en hard aangevochten wordt, zoodat wij het nauwelijks voor waar en zeker houden kunnen, dat wij voor onszei ven aan het eenige offer Christi aan het kruis en aan al Zijne goederen, als daar zijn: vergeving van zonden, genade en eeuwig leven gemeenschap hebben, zoodat vanwege onze zonden en onzen dood onze gemeenschap aan het Verbond der genade ons als het ware uit de ziel en uit de gedachten weggeslagen is, daar heeft nu de Heere in Zijne groote lankmoedigheid over zoodanige zwakheid, het heilige Avondmaal ingesteld als eene plechtigheid en vorm, waardoor Hij het Verbond Zijner genade en des vredes ons opnieuw bevestigt en ons van onze opneming in dit Verbond, gelijk wij het in het Evangelie vernomen hebben, verzekert, zoodat het eene plechtigheid en vorm is, waardoor ons de Heere God in Zijne groote genade weder herinnert en ons verzekert, hetgeen Hij ons door de prediking des Evangelies reeds gezegd heeft: dat Hij waarlijk onze God is, en wij Zijn bondsvolk zijn; Zijn volk, dat genade gevonden heeft bij Hem, dat wij het duur gekocht eigendom van Zijnen Christus zijn en leden van Hem, het triumfantelijk Hoofd, dat wij voor ons met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, en dat wij deel hebben aan alles wat Hij, Christus, voor Zijne Gemeente verworven heeft
Ik zeg, dat God de Heere ons daaraan herinnert en daarvan verzekert in het heilige Avondmaal, en dat Hij ons dit met oogen te zien, met handen te tasten en met lippen, tong en gehemelte te proeven en te smaken geeft, dat wij Zijn maaksel zijn in Christus Jesus, en dat ons werk voor Hem waarheid is. Dit doet nu onze Heere alzoo: Hij legt ons gebroken brood op de hand, en reikt ons eenen beker door Zijnen dienstknecht, en Hij zegt, waar wij aan Zijnen disch zitten, dat wij van dit gebroken brood zullen eten en uit den gevulden beker drinken, ja dat beveelt Hij naar Zijne genade over ons, en zegt, dat wij dit doen zullen tot Zijne gedachtenis. Wanneer wij alzoo het brood op de tong nemen en den beker aan de lippen brengen en den wijn proeven, zoo hebben wij des Heeren te gedenken, dat is: allereerst daaraan te gedenken wat Hij ons beloofd heeft. Dat komt nu daarop neer: De dienaar breekt mij het brood op het bevel mijns Heeren, en geeft het mij, — dat zie ik met mijne oogen; daarmede zegt mij nu de Heere, Hij herinnert en verzekert mij daarvarf, dat, zoo zeker als de dienaar mij het gebroken brood geeft, zoo zeker is Christus' lichaam voor mij aan het kruis geofferd en gebroken. De dienaar geeft mij voorts op mijns Heeren bevel den beker met wijn, en zegt, dat ik daaruit drinken moet; en zoo belooft mij de Heere, Hij herinnert en verzekert mij daarvan, dat, zoo zeker ik dezen beker neem en daaruit drink, zoo zeker is het bloed van Christus voor mij vergoten tot vergeving van al mijne zonden. En dat is het niet alleen, waaraan mijn Heere en Heiland mij herinnert en verzekert, maar er is hier nog meer: uit de hand des dienaars ontvang en geniet ik lichamelijk met den lichamelijken mond brood, hetwelk eigenlijk dient tot onderhoud van het natuurlijk leven en tot voeding van het natuurlijk en vergankelijk lichaam. Dat kan ik met de oogen zien v tasten en proeven; wat ik nu echter niet met de oogen zien, tasten en proeven kan, dat verzekert mij de Heere gedurende deze handeling, namelijk dat Hij Zelf, niet bij het Avondmaal alleen, maar voor en na, alzoo mijne ziel spijst ten eeuwigen leven met Zijn gekruisigd lichaam; en — uit de hand des dienaars ontvang en geniet ik met de lippen en de tong van dit vergankelijk lichaam den beker met wijn. Wijn echter geeft men den bedroefden, den zwakken en kranken, en dient tot lafenis en versterking, opdat de geest wederkeere in den zwakke en kranke, — dit kan ik met de oogen zien, met de handen tasten, met den mond proeven, en gedurende deze handeling verzekert mij de Heere, Hij herinnert mij er aan en verzekert mij , dat Hij Zelf niet alleen bij het Avondmaal, maar voor en na, mijne bedroefde en doodkranke ziel evenzoo sterkt met Zijn vergoten bloed ten eeuwigen leven. Dat ik mitsdien met Zijn lichaam en met Zijn vergoten bloed alzoo ten eeuwigen leven onzichtbaar gespijzigd en gelaafd word, daarvan zijn mij het zichtbaar brood en de zichtbare wijn aan Zijnen disch zekere waarteekenen. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Het heilig Avondmaal naar den Heidelb. Catech. Vr. 75—81,

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 februari 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken