Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het heilig Avondmaal naar den Heidelb. Catech. Vr. 75—81.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het heilig Avondmaal naar den Heidelb. Catech. Vr. 75—81.

(Eene leerrede van Dr. H. F. Kohlbrügge, gehouden den 16. Juli 1854.) (Slot.)

17 minuten leestijd

Het laatste, dat ik opmerk, n. 1. dat wij in het heilige Avondmaal daaraan herinnerd en verzekerd worden, dat wij zoo zeker voor en na het gekruisigd lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken, namelijk met den mond der ziel, d. i. met het geloof, zoo zeker wij bij het heilige Avondmaal van het zichtbare brood eten en van den zichtbaren wijn drinken, hebben wij goed te verstaan, opdat wij daarvan geene vleeschelijke, maar heldere en naar den Geest ware begrippen hebben. Dit, dat wij Christus' vleesch eten en Christus' bloed drinken, hebben wij toch niet letterlijk te nemen , want Christus is nu in den hemel met Zijn verheerlijkt lichaam; dit verheerlijkt lichaam geeft Hij niet te eten, Hij geeft Zijn gekruisigd lichaam te eten, en uit Christus' verheerlijkte lichaam vloeit geen bloed meer, dat Hij ons zou kunnen te drinkengeven. Christus geeft ons Zijn op Golgotha vergoten bloed te drinken; in werkelijkheid vloeide dat bloed eenmaal, het vloeit echter nu niet. Waar alzoo sprake is van het eten van Christus' lichaam, en van het drinken van Zijn bloed, daar hebben wij dit allereerst te verstaan van het genot, hetwelk onze ziel voor en na heeft van hetgeen Zijn gekruisigd en gebroken lichaam en Zijn op Golgotha vergoten bloed voortdurend werkt in de Gemeente der geloovigen, alzoo dat de geloovigen van deze werking in hunne harten en voor hunnen geheelen mensch in het Avondmaal verzekering , bevestiging en verzegeling verkrijgen.
Het vleesch en bloed van Christus eten is dus: het gansche lijden en sterven van Christus voor zich aannemen, zoodat, wanneer het ons om de vergeving van zonden en het eeuwige leven te doen is , wij het daar zoeken, waar het te vinden en te verkrijgen is, namelijk in de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en wanneer wij het daar gevonden hebben, hebben wij ons ook met een geloovig hart daarop te verlaten voor tijd en eeuwigheid.
Dat wij nu met geloovige harten het gansche lijden en sterven van Christus aannemen, en in dit lijden en sterven de vergeving van zonden en het eeuwige leven verkrijgen, dit wordt bij ons veroorzaakt door de prediking van het heilige Evangelie; want daardoor maakt de Heilige Geest een geloovig hart, eenen vroolijken moed en een goed toevoorzicht. Zoodra wij derhalve gelooven, eten wij het vleesch van Christus en drinken Zijn bloed; nu wil echter God bovendien ons in zulk geloof, dewijl wij zoo zwak zjjn, bevestigen, en zoo komt dan het geloof uit het hooren des Woords en wordt bevestigd in het heilige Avondmaal, "en eet en drinkt het geloof het vleesch en bloed van Christus, zoowel gedurende het hooren des Woords, als mede wanneer hetzelve door het Sacrament bevestigd, opgeholpen en bekrachtigd wordt, en neemt in beide gevallen het gansche lijden en sterven van Christus voor zich aan, en ziet, proeft, smaakt en ondervindt in dit lijden en sterven de vergeving van zonden en het eeuwige leven.
Vervolgens beteekent Christi vleesch eten en Zijn bloed drinken dit, dat wij met Zijn gezegend lichaam hoe langer hoe moer vereenigd worden. Ik zeg: hoe langer hoe meer, — want, alhoewel wij met Christus volkomen één worden, zoodra wij met een geloovig hart Zijn gansche lijden en sterven aannemen, zoo is er toeh een wasdom in deze vereeniging, zoodat wij Hem hoe langer hoe meer genieten, hoe meer wij van het onze ontledigd en ontbloot worden. Zoodra wij het lijden en sterven van Christus met een geloovig hart aannemen, nemen wij ook Hem persoonlijk aan, Hem, Christus, waarachtig God en waarachtig mensch; nemen Hem aan niet alleen als onzen lijdenden en stervenden, maar ook als onzen levenden, opgewekten en verheerlijkten Immanuel, — nemen Hem aan met alles wat Hij voor ons verworven heeft op Golgotha, en met alles wat Hij voor ons in den hemel is, — nemen Hem aan niet alleen voor onze ziel maar voor onzen geheelen mensch, geheel en al voor ons, zooals wij hier op aarde verkeeren, zoodat wij met ziel en lichaam, met vleesch en beenderen, met Hem, den Mensch Christus Jesus , Die voor ons in den hemel is; ofschoon wij nog op aarde zijn, alzoo vereenigd worden, en hoe langer hoe meer vereenigd worden, evenals man en vrouw vereenigd zijn, zoodat het van Christus en den geloovige eeuwig geldt hetgeen van de echtelieden uu tijdelijk geldt: „Zij zijn niet twee, maar één vleesch", en Christus van de geloovigen, d. i. van Zijne Gemeente, zegt: „Deze is vleesch van Mijn vleesch en been van Mijne beenen". Deze vereeniging geschiedt door den Heiligen Geest, "VVeiken Christus verworven heeft, en met Welken Hij boven al Zijne broederen gezalfd werd; deze Geest, Die in Christus woont, wordt door Hem gezonden in de harten der uitverkorenen, opdat Hij daar ook wone, gelijkerwijs Hij in Christus woont; en gelijk nu alle leden van ons lichaam door ééne ziel levend zijn, en door ééne ziel geregeerd worden, alzoo zijn wij, die gelooven, allen als leden aan Hem en in Hem, door Zijnen Geest levend en worden door Zijnen Geest in Hem, naar den geheelen mensch, in het eeuwige leven onderhouden en geregeerd.
Zoodanige vereeniging wordt wel is waar gegrond door het hooren des Woords, en onderhouden door het Woord; zij wordt echter tegelijkertijd onderhouden en bevestigd door het Sacrament, en de bevestiging is niet eene werkelooze, welke alleen met het verstand gevat wordt, maar is eene wezenlijke en in den hemel waarachtig, zoodat zoodanige vereeniging gedurende de bevestiging, als slechts nood aanwezig is, in het geloof kan worden ondervonden.
Toen onze Heere het heilige Avondmaal instelde, zeide Hij, dat wij, zoo dikwijls wij het zouden doen, doen zoudeti tot Zijne gedachtenis. Daar Hij nu een levende en eeuwige Heiland is, zoo heeft Hij daarin eene belofte gelegd, dat Hij onzer wil gedenken, zoo dikwijls wij in het Avondmaal Zijns gedenken. Zóó wil Hij uu onzer gedenken, gelijk Hij het beloofd hoeft, dat Hij ons zoo zeker met Zijn lichaam en bloed spijst en laaft, zoo zeker wij van het gebroken brood in het Avondmaal eten en van den drinkbeker Zijns Nieuwen Yerbonds drinken.
Deze belofte ligt in de inzetting van het heilige Avondmaal. Want toen onze Heere Jesus Christus brood nam, dankte en hetzelve brak en sprak: „Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt", toen zat Hij met een gezond lichaam voor Zijne discipelen; zoo ook, toen Hij den drinkbeker nam na het Avondmaal en zeide: „Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, dat voor u en velen vergoten wordt," toen was Zjjn bloed nog niet vergoten. Dientengevolge was voor de discipelen des Heeren en is ook voor ons het brood en de drinkbeker eene herinnering en verzekering, eene bevestiging, een teeken en zegel: Zoo zeker als gij dit brood en dezen drinkbeker ontvangt, zoo zeker komt al Mijn lijden en sterven u ten goede. Zoo zeker als gij dit brood eet, zoo zeker is Mijn gekruisigd lichaam de spijs van uwe ziel, dat zij nimmermeer verderve. Zoo zeker als gij dezen wijn drinkt, zoo zeker is Mijn bloed de drank uwer zielen en wordt voor u vergoten, dat gij het met den mond der ziele drinkt, gelijk men water drinkt uit eenen stroom en den wijn uit eene druif in den mond perst.
Waar ons nu echter de Heere zulke zekerheid schenkt, daar doet Hij het als waarachtig God en mensch, als onze Middelaar en Borg, en als Degene, die ons vleesch en bloed volkomen is deelachtig geworden en in Zijn vleesch ons vleesch mede in den hemel genomen heeft. Zoo spreekt Hij dan als Die macht heeft, het Testament, het Yerbond der genade uit te voeren, zoo dat de toepassing niet eene verstandelijke is en slechts in de idee ligt, maar door Zijnen Geest, Dien Hij nederzendt, deelt Hij ook werkelijk dat mede, wat Hij zegt en belooft: zoodat, terwijl Hij het brood breekt voor de Zijnen door Zijne of door des dienaars hand, geeft Hij tegelijkertijd Zijn lichaam en de bevestiging, dat Hij Zijn lichaam gegeven heeft; en terwijl Hij den drinkbeker den Zijnen geeft door Zijne of door des dienaars hand, zoo geeft Hij tegelijker tijd Zijn bloed te drinken en de bevestiging, dat Hij het uitgegoten en te drinken gegeven heeft tot vergeving der zonden. Daarom noemt Paulus den drinkbeker „de gemeenschap van het bloed Christi", en het brood „de gemeenschap van het lichaam van Christus".
Wij ontvangen het brood en den drinkbeker uit Zijne hand, evenals de verkooper het handgeld, en evenals de knecht den huurpenning. Het handgeld en de huurpenning hebben gemeenschap met den koop en met den dienst, zoodra zij daarvoor bestemd en uitgegeven zijn. Het handgeld en de penning zijn op zichzelve bloote muntstukken, verkrijgen echter zulk eene beteekenis door de bestemming [uit de hand en in de hand des koopers en des verkoopers, des heeren en van zijnen knecht.
Dit laatste hebben wij goed te verstaan, want zoo gemakkelijk 'sluipt de meening en de dwaling bij ons in, als bevond zich Christus' lichaam en bloed-in het brood en in den drinkbeker; öf dat Christus' lichaam en bloed met en onder het brood en den wijn ons gegeven werd; öf dat het brood geen brood en de wijn geen wijn bleve, ons gegeven zijnde, maar zich verandert in het wezenlijke lichaam en in het wezenlijke bloed van Christus. Het is met het brood en den wijn in het Avondmaal evenzoo als met het water in den Doop. Wij zien toch wel met onze oogen, dat het water in den Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, maar het water blijft water; het water is daar een beeld, en de Doop teeken en zegel der afwassching onzer zonden, door het bloed en den Geest van Christus; 'ook brengt de Doop de afwassching der zonde niet te weeg door Zijn bloed, maar de Doop is eene bevestiging, een teeken en zegel der afwassching. Zoo ook in het heilige Avondmaal, daar zien wij het ook wel met de oogen en proeven het met het gehemelte, dat het brood brood, en de wijn wijn blijft, en niet het lichaam of het bloed van Christus is, en ook het lichaam en het bloed niet daarin is; ook is het Avondmaal niet een offer, dat het vergeving van zonde zou teweegbrengen, want zoo zou het Avondmaal de plaats van Christus innemen.
De offerande van Christus brengt de vergeving van zonden te weeg, en Zijn lichaam en bloed is de spijs en drank der zielen, en wij, die gelooven , zijn en worden met Hem , waarachtig God en mensch, hoe langer hoe meer vereenigd door den Geest des geloofs; daarvan is het brood en de wijn een beeld, en is het Avondmaal een teeken en zegel, eene bevestiging van deze vereeniging en van ons gevoed-worden met het lichaam en bloed van Christus ten eeuwigen leven. En als wij zeggen, dat het brood het lichaam van Christus is, en de wijn Zijn bloed, zoo is dit eene wijze van spreken naar den aard der Sacramenten, en bedoelen wij, dat het brood de gemeenschap is des lichaams en de drinkbeker de gemeenschap des bloeds Christi, dat is: nadat dit brood en deze drinkbeker bepaald afgezonderd en gegeven zijn naar het bevel van Christus, deze aardsche en vergankelijke spijs en drank in betrekking staat tot de hemelsche en eeuwige spijs en drank, als het handgeld en de huurpenning tot den koop en tot den dienst.
Daarom houdt ook ons Formulier, vóór wij tot den disch des Heeren gaan, de volgende waarheid voor: „opdat wij dan met het ware hemelsche brood Christi gespijzigd" — ik voeg er bij: en met den waren hemelschen drank Christi gelaafd — „mogen worden, zoo laat ons met onze harten niet aan het uiterlijke brood en den wijn blijven hangen, maar onze harten en ons geloof verheffen in den hemel, waar Christus is, onze Voorspraak, ter Rechterhand Zijns hemelschen Vaders, waarheen ons ook de Artikelen van ons Christelijk Geloof wijzen; niet twijfelende, of wij zullen zoo waarachtig door de werking des Heiligen Geestes met Zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespijzigd en gelaafd worden, als wij dat heilige brood en dien drank tot Zijne gedachtenis ontvangen."
Verstaan wij het recht, dat Christus niet in het brood en den wijn is, maar dat wij door de werking des Heiligen Geestes met het lichaam en bloed van Christus gespijzigd worden, zoo hangen wij niet met het hart aan de teekenen en zegelen, zijnde deze eene herinnering en bevestiging daarvan, dat wij aan Christus en al Zijne goederen, aan alle voorrechten en weldaden des Genadeverbonds gemeenschap hebben. en dat voor onzen gelieelen mensch ; en terwijl wij niet door het brood en den wijn, als middelen, maar door den Heiligen Geest onder het teeken van brood en wjjn in zoodanige gemeenschap bevestigd en daarvan verzekerd worden, bekennen wij, dat hier meer is, dan dat brood en wijn het lichaam en bloed van Christus slechts zouden beteekenen, of dat deze handeling slechts een gedachtenismaal van den dood des Heeren en van Zijne liefde jegens ons zou zijn; integendeel, wij spreken met blijdschap uit en wel met alle vrijmoedigheid, dat het zoo zeker waar is, dat wij onder het teeken van brood en wijn door de werking des Heiligen Geestes ontvangen en genieten, eten en drinken het waarachtige en wezenlijke lichaam van Christus, Zijn wezenlijk bloed, in den zin zooals wij het boven hebben uitgelegd.
De mond echter, waarmede wij eten en drinken voor onzen geheelen mensch, ook voor het vergankelijke lichaam, zoodat wij troost en verzekering hebben, dat het in de opstanding aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden, is niet de mond des lichaams, maar de mond der ziel, dat is: het geloof, en de Heilige Geest in ons getuigt met onzen geest, dat deze dingen alzoo waarheid zijn.
Zoo noemt dan Christus niet zonder groote oorzaak het brood Zijn lichaam en den drinkbeker Zijn bloed of het Nieuwe Testament in Zijn bloed, en de Apostel Paulus het brood en den drinkbeker de gemeenschap des lichaams en des bloeds Christi. Hij wil ons met deze benaming eene dubbele waarheid leeren. De eerste waarheid is, dat Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed de waarachtige spijs en drank is ten eeuwigen leven, evenals brood en wijn het tijdelijke leven onderhouden. De andere en nog dieper gaande waarheid is, dat het zichtbare brood en de zichtbare wijn in het Avondmaal ons een onzichtbaar pand en teeken is, beantwoordende aan onze wijze van opvatting, een pand en teeken van deze onzichtbare genade, dat wij zoo zeker en waarachtig Zjjns waren lichaams en bloeds door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, zoo zeker wij het zichtbare brood en den zichtbaren wijn met den lichamelijken mond, als van IIem gegeven, en alzoo als heilige waarteekenen, ontvangen. En zoo is dan het Sacrament van het heilige Avondmaal ons eene bevestiging, dat wij, terwijl wij hetzelve ontvangen en aan onzen Heere gedenken, Hij aan ons in dien zin gedenkt, dat Hij al Zijn lijden en gehoorzaamheid ons zoo toeeigent, als hadden wij zeiven in eigen persoon alles geleden en genoeg gedaan. Zoo betuigt ons dan het Avondmaal, het Woord en de Heilige Geest onder het teeken des broods en des drinkbekers in het Avondmaal, dat wij volkomene vergeving van al onze zonden hebben; niet dat wij vergeving van zonden door het Avondmaal verkrijgen, maar het Avondmaal betuigt ons, en is ons eene verzekering en bevestiging, dat wij haar hebben, t. w. de volkomene vergeving van al onze zonden, door de eenige offerande van Jesus Christus, die Hij Zelf voor ons eenmaal aan het kruis volbracht heeft.
Vervolgens betuigt het Avondmaal, dat wij door den Heiligen Geest Christus, Die thans met Zijn waarachtig lichaam in den hemel is, naar onzen geheelen mensch worden ingelijfd- Wij worden niet door het Avondmaal Christus ingelijfd, evenmin als door den Doop; maar wij worden door het Avondmaal, evenals door den Doop, door de werking van den Geest des geloofs, door God verzegeld en bekrachtigd, dat deze inlijving geschied is, geschiedt en gehandhaafd wordt door de genade des Heeren in alle eeuwigheid. De inlijving en vergeving der zonden hebben wij door het lijden van Christus en door den Geest des geloofs; het Sacrament echter is ons van deze inlijving en van deze vergeving der zonden een teeken en zegel voor God, eene vernieuwing, bevestiging en verzekering van den Heere en Zijnen Geest.
Het mag u zijn opgevallen, waarde lezers, dat wij herhaald hetzelfde gezegd hebben; dat heb ik echter met onzen Catechismus gedaan, duidelijksheidshalve, en tot uwe en mijne onderwijzing en troost. Wanneer dus iemand denkt: Ach, ik arme zondaar zou zoo gaarne verzekerd zijn, dat ook mij, ja ook mjj, al mijne zonden genadiglijk vergeven en bedekt zijn, en dat ook ik, ook ik deel heb aan mjjnen lieven Heere Jesus, en ook ik, ik Hem waarlijk ingelijfd ben en tot het Verbond Zijner genade behoor, en dat Hjj ook mij door Zijnen Geest regeeren, ook mij een zalig uiteinde verleenen en hiernamaals in heerlijkheid opwekken zal, zoo trede hij toe tot des Hoeren disch en zie op het brood en zie op den drinkbeker, en als hij dan het brood in de hand neemt en in den mond steekt, zoo wete hij en bedenke: het brood geeft u de Heere tot een onderpand en een zegel daarvan wat gij gaarne weten en voor uzelven voor waar en waarachtig houden moogt, en evenzoo doe hij met den drinkbeker; hij verwachte niet iets bijzonders van den hemel, maar hij zie aan het teeken wat de Heere hem zegt, wat Hij hem bekrachtigt en verzegelt, en heffe alzoo hart en oogen hemelwaarts, en zij niet ongeloovig, maar geloovig op grond van het woord en de belofte van Christus: Ik geef u en heb u gegeven Mijn vleesch te eten ten eeuwigen leven, Mijn bloed te drinken tot vergeving van al uwe zonden; gij zijt eeuwig Mijn, zooals gij z i j t , en Ik ben eeuwig de uwe als uw getrouwe Borg des Yerbonds en almachtige Verbonds-God; gij hebt in brood en wijn pand en zegel daarvan van Mijne band.
Dewijl het bovengenoemde alzoo de ware leer en beteekenis des heiligen Avondmaals is, zoo verzoek ik allen, die met hunne belijdenis en openbaar en verborgen leven zich als goddeloozen aanstellen, het wel te bedenken, hoe noodig hun allereerst de betering huns levens is, opdat Gods Verbond niet veracht en Zijn toorn over de geheele Gemeente verwekt worde, en zij mitsdien zich niet een oordeel eten en drinken.
"Wat echter de ware betering des levens is, dat moet ook allen voorgehouden en gezegd worden. Zij is deze, welke ons waardig maakt tot den disch des Heeren te komen ; zij is deze: Dat wij eerstelijk onszelven vanwege onze zonden mishagen en nochtans vertrouwen, dat ons die zonden vergeven zijn, en onze overige zwakheid met het lijden en sterven van Christus bedekt is. Ten andere, dat wij ook begeeren, hoe langer hoe meer ons geloof te versterken en ons leven te beteren. Ten derde, dat wij voorts ons verstand en twijfel en bedenken en allerlei „ja maar", daartoe elke verdienste en elk werk en elke gezindheid, met één woord alles uit ons prijsgeven, en daarnaar niet vragen, maar alleen ons vertrouwen stellen op Christus ter Rechterhand des Yaders, en neme in eenvoudigheid des harten de teekeuen en zegelen van Zijne handen, zoodat wij bij het zien der zichtbare teekenen de onzichtbare genade voor waar en zeker houden.
Daartoe schenke ons de Heere Zijnen verlichtenden Geest en Zijne genade. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 maart 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Het heilig Avondmaal naar den Heidelb. Catech. Vr. 75—81.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 maart 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken