Bekijk het origineel

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, Hoofdstuk 16: 18 v.v. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, Hoofdstuk 16: 18 v.v. (Vervolg.)

7 minuten leestijd

Er behooren oogen toe, verlicht door den Heiligen Geest, om den duivel, die zich voordoet als een engel des lichts, in zijne ware gedaante te onderscheiden. Zulk een vrome duivel is voor de Gemeente Gods een veel gevaarlijker vijand, dan een, die gekleed is in zijne eigene kleederen. Groote eere was voorzeker den Apostelen bereid geweest, zoo zjj slechts den duivel als hulpprediker hadden meegenomen, dan zou de geheele stad gekomen zijn, om hun getuigenis te hooren, en het Evangelie zou natuurlijk veel meer veroveringen hebben gemaakt; want velen zouden gebracht zijn tot een uiterlijk Christendom, wat in den grond evenwel niets anders is dan een verfijnde wereld- en duivelsdienst, die eenmaal hier begonnen, haar einde vindt in de woonplaats der duivelen. Maar dan ook zou op liet Evangelie de smaad gerust hebben, dien de Parizeen suoodehjk op den Heere Jesus wierpen: Gij drijft de duivelen uit door Beëlzebul, den overste der duivelen; de Apostelen hadden dan met recht moeten hooren, dat zij met den duivel in verbinding stonden, het met hem eens waren, en deze smet kan Paulus niet op het Evangelie des volzaligen Gods laten vallen. Het breekt hem als het ware het hart, langer de stem van dit werktuig des Satans te moeten aanhooren, nochtans lezen wij: zij deed dit vele dagen lang. Waarom dan dreef de Apostel niet op den eersten dag dezen duivel uit? Voorzeker is ook hierin de geuadige hand Gods openbaar, Die alle dingen doet medewerken ten goede Zijner uitverkorenen, ook de zonde, hoe scherp Hij Zijn volk ook afscheidt van alle werken der duisternis; door het geroep dezer waarzegster is het verblijf der Apostelen in Filippi ook weer in ruimer kring bekend geworden. Eindelijk evenwel is de tijd daar, dat de Heere, na lang geduld, Zich opnieuw bewijzen zal als de s t e r k e God, Die gekomen is om de werken des duivels te verbreken. Daar wendt zich de Apostel, die tot hiertoe der dienstmaagd den rug heeft toegekeerd, om en zeide tot den geest: lk gebied u in den Naam van Jesus Christus, dat gij van liaar uitgaat. En hij ging uit terzelfder ure (Ys. 18). Nu ervaart de duivel eerst recht, dat de macht des allerhoogsten Gods, die sterker is dan zijne kracht, met Zijnen dienstknecht naar Filippi is gekomen. Yoor den Naam van Jesus Christus siddert de gansche hel en wijkt terug naar hare eigene plaats; geen handbreed gronds kan zij op Immanuël veroveren; waar de banier des kruises wordt geplant, daar ligt hare macht in het stof vertreden. Heeren en meesters heeft de Heere Christus de Zijnen gemaakt met Zich, over alle machten der duisternis, en waar zij zonder Hem door dezelve zouden overweldigd worden en spoedig medegesleept in den afgrond, daar ondervinden zij, aan den Heere verbonden en met Hem één geworden, de waarheid van het woord der zeventig discipelen: Heere! ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uwen Naam! Zulk eene macht heeft de Koning aan elk Zijner knechten gegeven, dat zij den voet zetten op alle kracht des vijands, en geen ding hun eenigszins zal beschadigen, zelfs de Satan niet, hoezeer hij ook woedt en in blakende vijandschap zijne werktuigen ophitst tegen het Woord der waarheid. Dit Woord heeft hen gebonden, en aan deze keten kan hij wel veel getier maken en de zielen der eenvoudigen verschrikken, maar over hen heerschen zal hij niet, en zij worden goedsmoeds, als zij deze keten in het oog krijgen. Daar stonden deze nederige getuigen des allerhoogsten Gods in de mogendheid des Heeren Heeren! De weldaad, die zij zoo even aan deze ongelukkige vrouw bewezen, waardoor zij vrijgemaakt was van den knellenden band des duivels, wordt door de menigte even weinig gewaardeerd, als weleer de weldaad des Heeren Jesus aan den bezetene dooide inwoners van het land Gadara; dezen toch betreurden het verlies hunner zwijnen meer, dan dat zij zich verheugden over de genezing eens broeders en de tegenwoordigheid van dien Heere, Die gekomen was, om hen zalig te maken en te vervullen met hemelsche schatten.
Werd de hoogste liefde, die kwam om Zichzelven te geven, zoodanig miskend, dat zij wijken moest voor de beden der dwaze inwoners, den discipelen gaat het niet beter dan hunnen Meester. Om hen heen woedt de hel, en waren er tot heden nog, die gedreven door nieuwsgierigheid en door het geroep der waarzegster kwamen, om hun woord te hooren, nu zij het gewaagd hebben in de kracht Gods, dit orakel hunner stad het zwijgen op te leggen, staat niemand op, om den Apostelen te hulp te komen, waar zjj in den hoogsten nood verkeeren; veeleer volgen zij hen met nieuwsgierige blikken, begeerig om te zien wat toch de afloop van dit geval mocht wezen, en hoe deze vreemdelingen zich uit hunne benarde positie zullen redden. De woede is het hoogst bij hen, die meenen door dit wonder het meest verongelijkt te zijn, t. w. de heeren der dienstmaagd, — daarom als zij zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naaide markt voor de oversten (Ys. 19). Hoe sterk heeft de hel de eigenaren dezer slavin in hare ketenen geklonken, en hoe waar blijkt ook hier weer het woord des Apostels: de geldgierigheid is de wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende, zijn van het geloof afgeweken, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken. Waar het er om gaat zich schatten te vergaderen, daar moet alles wijken; er wordt niet gevraagd, of de middelen, die gebruikt worden, geoorloofd zijn of niet; de glans van het goud verblindt zoodanig de oogen zijner bezitters, dat zij niets meer zien dan geld, en hart noch oogen hebben voor het welzijn van anderen, ja zelfs niet voor het heil der eigene ziel. De eerlijke, arbeid, waarop God Zijnen zegen belooft en ook gewisselijk geeft, is veracht, en veel liever neemt men de toevlucht tot die wegen, die wel verboden zijn,' maar waarop het geld als het ware bij stronmen vloeit, zonder dat men er zich zelfs eenige moeite voor behoeft te getroosten. Is iemand eenmaal op dezen weg verdwaald, zoo gaat het van kwaad tot erger; wat in den beginne nog gevreesd werd, is spoedig uit den weg geruimd, en ten slotte gaat het, zoo God niet tusschen treedt, als bij de heeren der dienstmaagd: zelfs eene onsterfelijke ziel wordt op het spel gezet en gebruikt, om datgene te bereiken, waarop men zijnen lust heeft gezet, zoodat de zucht naar geld ten slotte uitloopt in moord en doodslag. In den beginne hebben de Apostelen zeker wel in deze heeren hunne ijverigste volgelingen gevonden, want zij hebben stellig niet anders verwacht, dan dat ook deze mannen hun offeren zouden, tot dank voor den dienst, dien hunne slavin hun bewees. Hoe deerlijk zijn zij dan hierin teleurgesteld ! Ontneemt de Heere Jesus den Gadarenen hun onwettig eigendom, de zwijnen, de Apostel doet hier hetzelfde, en slaat uit de handen dezer Filippensen datgene weg, wat zij, als eene gave des duivels, zeiven met verachting moesten van zich gestooten hebben; beiden de Heere en Zijn Apostel worden hierover hard bejegend, terwijl het beiden toch niet ging om anderen te benadeelen, maar om hun uit het tijdelijk verlies een eeuwig voordeel te doen geboren worden. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 maart 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Ter verklaring van Handelingen der Apostelen, Hoofdstuk 16: 18 v.v. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 maart 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken