Bekijk het origineel

De Opstanding onzes Heeren Jesus Christus. (Matth. 28: 1 — 15.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Opstanding onzes Heeren Jesus Christus. (Matth. 28: 1 — 15.)

14 minuten leestijd

Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft;
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, Die ons blijdschap geeft. —
Niet altoos heeft onze Heere geleden, na het lijden is heerlijkheid gevolgd, — niet voor altoos heeft de dood Hem gehouden, het sombere graf Hem besloten; — uit de dooden opgestaan, verrezen is Hij, de Levensvorst. Er is een dag geweest, waarop zonde en dood en duivel en wereld het veld hadden behouden, — zij hebben echter te vroeg gejuicht en zullen immer te vroeg juichen in hunnen triomf over Christus en Zijne uitverkorene Gemeente, — er is een andere dag gevolgd, de dag des Heeren, een dag der genade, een dag van troost en vreugde, een dag, waarop het luidt: „Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning?"
Verstaat gij dat echter, arm, bekommerd volk des Heeren ? kunt gij uwe zorgen staken, uwe zorgen vanwege uwe zonden, vanwege uwe nooden? kunt gij gelooven, dat Jesus Christus u is opgestaan, om u die gerechtigheid en dat leven deelachtig te maken, dat Hij door Zijnen dood u heeft verworven ? Kunt gij uw geloof betoonen op de wijze van zoovelen, die dapper strijden voor de waarheid van des Heeren Opstanding ? kunt gij u verheugen, gelijk zoovelen thans jubelen, omdat het nu eenmaal Paschen is? O, de Heere kent de Zijnen in hunne zwakheid en in hun onvermogen; Hij weet, dat hunne zorgen hen drukken als zware steenen, — maar Hij is opgestaan, om ze van hen af te wentelen, Hij is opgestaan, Hij heeft onzen ganschen dood te niete gemaakt, en Hij leeft, om ons, trots zonde en duivel en wereld, het eeuwige leven te schenken, dat Hij stervende ons verwierf.
Wat predikt ons toch het Evangelie der Opstanding? Wie heeft het geloofd, dat Jesus uit het graf verrezen was, wie heeft zelfs Zijne opstanding verwacht? Het Evangelie meldt ons, wat de vrouwen hebben gedaan, Maria Magdalena en de andere Maria; het meldt ons, wat zij gedaan hebben op dien dag, toen Jesus, naar Zijn Woord, reeds opgestaan was uit de dooden. Het was een éénige dag, deze dag. De Sabbat was voorbij, die Sabbat, dien de Heere in het paradijs als eenen rustdag geschonken had. Ook al die Sabbatten waren voorbij, die God ook na den zondeval aan Israël had gegeven. Maar niemand had den rustdag kunnen houden, allen verbraken de rust door hunne zonden, gelijk niemand tot rust der ziel komen kan door zijn Sabbathouden. Al wordt ook de Sabbat gehouden naar het gebod, juist het gebod maakt de zonde in ons levend en beneemt ons de rust. Dat hadden Jesus' discipelen wel ervaren op dien Sabbat, toen onze Heere in het graf lag. Er was ook voor hen geene rust, dan in Jesus alléén, Die gesproken had: „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven"; in zulke belofte van genade en vergeving der zonden lag hunne rust, ligt onzer aller rust. Maar Jesus was dood, lag in het graf, hoe zal Hij Zijne belofte vervullen ? Hebben wij te vergeefs op Hem vertrouwd, toen Zijn Woord ons tot Hem trok ? Neen, niet te vergeefs! Wel lag Hij in het graf op den ouden Sabbat, dien wij door onze zonden verbroken hadden, maar alzóó heeft Hij onze zonden verzoend en een einde gemaakt aan al de Sabbatten, die tegen ons getuigen. Reeds vóór het aanbreken van den dageraad stond Jesus op; de Vader wekte Hem op uit de dooden, Hij had Zijn offer voor onze zonden aangenomen en gaf Hem het beloofde Koninkrijk der genade, waarin zonde en dood zijn overwonnen, — daarom stond onze Heere op en dreef den nacht voor Zich uit, Hij deed het aanlichten over de donkere aarde, Hij bracht eenen nieuwen rustdag mede uit Zjjn graf, Zijnen dag, den dag des Heeren, die ons predikt: Jesus is Koning; Hij heeft al onze zonden verzoend; Zijne genade heeft de zege weggedragen; Hij heeft èn zonde èn dood èn duivel gebonden; niets kan u verdoemen, zoo gij in Jesus Christus zijt; al wat u beschuldigt, terecht beschuldigt, zal nochtans niets tegen u vermogen, — de dag dei- Opstanding is de dag des Heeren; op dezen dag geldt alléén Zijn Woord en al wat beschuldigt moet voor Jesus Christus zwijgen. Machtige en zalige troost voor de Gemeente des Heeren! Die in Hein gelooft, wordt niet beschaamd! Nog verkondigt elke rustdag, elke dag des Heeren, dat Jesus is de Heere, de Overwinnaar der zonde en des doods, de almachtige Heiland, Die al de beloften Zijner genade vervullen kan, ook in den lioogsten nood, en zekerlijk vervult aan allen, die aan Hem en Zijn Woord zich hebben overgegeven. Al moeten Gods kinderen met het Woord, waarin zij de rust hunner zielen gevonden hebben, wegen bewandelen, waar nood en dood hen dreigen te verslinden, waar zij wegens oude en nieuwe zonden, door onverstand en ongeloof in hunne aanvechting niet kunnen vasthouden aan Gods genade, Jesus is opgestaan, Hij is de Heere, en er komt ook in den hoogsten nood telkens weder een dag des Heeren, waarop Hij Zijn Woord, Zijne belofte, Zijne genade bevestigt en vervult.
Het moet ons echter gepredikt en telkens gepredikt worden, want allen, die des Heeren zijn, zijn arme zondaars en zondaressen, die met hunne zonden en ellenden niet schertsen, en wegens hunne zonden en nooden ook' werkelijk des Heeren genadebeloften niet kunnen vasthouden. Daarom predikt ons het Evangelie der Opstanding, dat- de dag der Opstanding is de dag des Heeren, maar tevens een dag, waarop al des Heeren volk den moed verliest en haast bezwijkt. De Heere Jesus Zelf brengt de Zijnen tot liet geloof, dat Hij leeft, dat Zijne genade alle zonde heeft verzoend in Zijnen dood, en dat geene macht ons scheiden kan van Zijne liefde. Daarom laat uw Heere, juist op dezen dag der overwinning, u voorhouden, hoe Zijne lieve kinderen ook geene gedachte hadden aan Zijne Opstanding, en gansch en al verzonken waren in al hunne ellende en in al hunnen dood. Ziet, Gemeente des Heeren, gij, die het eeuwige leven zoekt, ziet uwe zusters in het geloof! Maria Magdalena, uit wie de Heere Jesus zeven duivelen had uitgeworpen, die zoo groote genade had ondervonden, — welk een sterk geloof moet zulk eene zoozeer begenadigde vrouw bezitten! Ziet, daar nadert zij met de andere Maria! hoe zal zij begeerig zijn, om met eigene oogen te zien, dat het graf ledig i s , dat de Heere is opgestaan ! Ach neen! geen sterk geloof, geen geloof zelfs aan Opstanding; zij komen zoo vroeg in den morgen, als het begint te lichten, w a a r t o e ? . . . om h e t g r a f te b e z i e n , — 0111 nog eenen blik te werpen op liet graf, waarin de Heere begraven ligt en met Hem begraven al haar hoop en lust en al hare verwachting. Geene rust bij deze heiligen Gods, bij deze vrome vrouwen, geen geloof, geene hoop, alléén de liefde is gebleven, de liefde tot het woord der genade, dat zij van Jesus hadden gehoord.
Maar nu, ach, het is verloren, smart en hopeloosheid dreigen haar te verstikken, het woord van Jesus aangaande Zijne Opstanding is vergeten, en zij vinden er een smartelijk welbehagen in, om in eigen ingewanden te wroeten, — om het graf te bezien, waarin hare zaligheid is begraven. Neen, zij kunnen niet gelooven, dat het nu de dag des Heeren is. de dag, waarop de Heere overwint en het veld behoudt en al Zijne haters verstrooit. Als de Heere is opgestaan, moet al wat onwankelbaar scheen beven, Hij zendt eenen engel uit den hemel, die de aarde doet beven, die den steen afwentelt van het graf en zegevierend zich daarop nederzet. Hoe moest het alles aan deze vrouw toeroepen : Uw Heere leeft en heeft verwonnen ; immers de wachters aan het graf verschrikken en vluchten naar de stad; en de bode des hemels zit in een blinkend gewaad, een teeken van overwinning, bij het ledige graf! Maar ook daar bevangt haar de vreeze, ook deze hoog begenadigde vrouwen waren vleesch , en konden de heerlijkheid Gods niet verdragen, en het is de engel, die naar den wil des verrezenen Zaligmakers haar bemoedigen moet met deze woorden : „Vreest gijlieden niet: want ik weet, dat gijlieden zoekt Jesus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet; want Hij is opgestaan; ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. E11 gaat haastelijk heen, on zegt Zijnen discipelen, dat Hij opgestaan is van de dooden; en ziet, Hij gaat u voor uaar Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet, Ik heb het ulieden gezegd." Welk een getrouwe Heere en Heiland ! Hij kent de macht van zonde en dood en -van al het zichtbare, waarmede de duivel ons aftrekt van Zijn Woord en belofte; Hij rekent het Zijn arm zondaars, volk niet toe, dat zij onverstandig en ongeloovig in hunnen grooten nood Zijn Woord vergeten, dat zij Hem bij de dooden zoeken, en moedeloos worden, als zij in zichzelven enkel zwakheid en onvermogen gevoelen. Hij is opgestaan en heeft ook zulke zonden verzoend in Zijnen dood; Hij is verrezen, het is een nieuwe dag van genade, van overwinning en zaligheid; de dag behoort den Heere; Hij kan Zijne armen niet laten omkomen, noch laten blijven in hunne treurigheid; Hij zendt Zijne boden uit, die alle vreeze moeten wegnemen, die verzekeren en betuigen, dat Jesus, de Zaligmaker, het veld heeft behouden en is opgestaan uit de dooden. Dat Woord brengt aan de vrouwen gerechtigheid en leven, schenkt haar de aangebrachte gerechtigheid des Heeren Jesus, en verwekt haar tot een nieuw leven, 1111 zij hooren, dat Zijn Woord en genade, Zijn otter en gerechtigheid over dood en hel hebben overwonnen. Dat Woord heeft de vrouwen vertroost, al durfden zij het nauwelijks aannemen, — en als zij op dat Woord zich beginnen te verlaten, als zij in dat Woord ingaan, en met dat Woord bezig zijn in hare harten, als zij zich ook haasten, om het aan Jesus' discipelen te boodschappen, zij het dan ook met vreeze, toch ook met groote blijdschap, — zoo is Jesus Zelf haar ontmoet, en sprak vriendelijk en troostend: „Zijt gegroet!" J a , de getrouwe Heere, Hij heeft gedaan naar Zijn Woord, Hij heeft alle zonden vergeven en ook de laatste twijfelmoedigheid weggenomen; Hij is Zelf verschenen aan haar, die blijde, van harte blijde waren met de tijding Zijner Opstanding. Welk een troost, welk eene vergeving aller zonden, welk eene bevestiging in het geloof, welk eene zaligheid en zielerust, als zij tot Hem komen en Hem aanbidden. — Het is toch niet genoeg, om te h o o r e n van de Opstanding onzes Heeren, h e b b e n moeten wij Hem, onzen dierbaren Zaligmaker, en dat gevoelen allen, dien het gaat om waarachtige rust en vrede. Maar Hij wordt ook gevonden, Hij openbaart Zichzelven aan eenen iegelijk, die wegens den nood zijner ziel daarover hartelijk verheugd wordt, verheugd te midden zijner vreeze: Jesus is opgestaan uit de dooden, Jesus is meerder dan al mijne zonden en dan al mijne verlorenheid.
Wanneer wij dan het Evangelie der Opstanding in korte woorden samenvatten, dan roept het ons toe: Het is uit met de macht van zonde en dood en wereld en duivel, zij hebben hunnen dag gehad tot op Jesus Christu9. Toen Hij opstond, is het Zijn dag geworden, het Koninkrijk is Hem geworden en al de macht en al de zaligheid. Zijn Koninkrijk is een nieuw Rijk, — het is een Kijk, waarin onze Koning ons alles heeft aangebracht, de vergeving aller zonden en het eeuwige leven; een Koninkrijk, waarin wij Hem dienen, niet door Hem iets met onze werken toe t e brengen, maar door Hem te gelooven en ons in Zijn Woord en belofte te verheugen, alle onze zorgen te staken en ze op Hem te werpen ; Hij brengt het tot een goed en zalig einde, ook door de diepste nooden heen. Hij, onze Koning en Heere, leeft, om ons d i t t e l e e r e n , Hij leeft, om ons Zijn Woord als een Woord der overwinning te laten brengen, juist dan, als zonde en dood en duivel en wereld ons aan den hals hangen en verstikken; Hij leeft, om ons voor en na te laten ervaren: „ I k heb alle steenen, die u bezwaren, afgewenteld, en zal u verschijnen in Galilea, in het land van duisternis en schaduwen des doods, in het arme zondaarsland." lljj leeft, om ons in onzen dood te verblijden rnet de boodschap Zijner overwinning, met het woord: „Ik ben uwe gerechtigheid en sterkte", opdat wjj bemoedigd te meer verlangen naar en bidden en aanhouden om de kracht Zijner Opstanding te ondervinden. Daar kent Hij ook Zijnen tijd, daar weet Hij onzen nood daar komt Hij met den groet des vredes, en geeft eene stille rust in het zoo onrustige hart.
Zekerlijk is de dag des Hoeren, de dag der Opstanding, niet allen tot vreugde en troost. „Vreest gijlieden niet", zegt de engel tot de vrouwen, „want ik weet, dat gij zoekt Jesus, Die gekruisigd was." — Wanneer nu zal men Jesus den Gekruisigde zoeken ? wanneer zal men zich houden aan Hem, Die den Jood eene ergernis, den Griek eene dwaasheid is? Als het ons gaat om vrede met God, om rechtvaardig te zijn in de oogen Gods, — en als men dit niet vinden kan noch in zijne werken en offers, noch in de begeerlijkheden der wereld. J a , als het wTaarlijk gaat 0111 het eeuwige leven en om gerechtigheid voor God, dan wordt ons Jesus dierbaar in het Woord Zijner genade en zaligheid, — dan wenschen wij Hem niet dood, noch wenschen ons van Zijn Woord te ontslaan, en worden recht verblijd als wij vernemen, hoe Hij het voor ons arme schuldenaars heeft opgenomen, hoe Hij ook door den dood henen, heeft getriomfeerd in Zjjne Verrijzenis.
Zookt men niet anders dan een tijdelijk genot en kortstondige vreugde, zoekt men ook onder den schoonsten schijn van werken en offers naar de letter der Wet nochtans niets dan de wereld en wereldsche macht, — als Jesus uit de dooden opstaat schudt de aarde, beven de fondamenten van al het zichtbare, vlucht al wat de waarheid in het graf wil houden, en kan de wereld slechts door leugen en omgekochte leugensprekers zichzelven voor een tijdlang handhaven, en dan nog slechts met een kwaad geweten. Dan is men niet van harte blijde met de boodschap, dat Jesus leeft, en dat de Heere overwonnen hoeft, dan gevoelt men zich onrustig en moet vreezen, al wil men niet vreezen.
Vreeze is bij de oprechten, als zij do heerlijkheid Gods, de heerlijkheid Zijner eeuwige liefde en de genado onzes Heeren Jesus Christus aanschouwen in dit Evangelie der Opstanding; vreeze is er in het h a r t , dat daar vraagt: „is het ook voor m i j ? " vreeze bij de vraag: „maar zijn mijne zonden niet te groot ? " vreeze bij het gevoel van nietigheid en onwaardigheid; vreeze bij het gevoelen van den dood, waarin wij liggen, van onze verdorvenheid en zwakheid. Nochtans, kan slechts dit Evangelie u van harte verblijden, kan de dag des Heeren alleen u troosten, de dag Zijner overwinning- en Zijner r u s t e , begeert gij steeds dit Woord te hooren, om tegen uwen nood en uwe aanvechting door den Heere Jesus bemoedigd te worden, — „vrees niet", zegt de hemelbode, „geloof alleenlijk''; aanbid en houd aan in het gebed, — de Heere zal het u toch steeds doen ervaren, dat Hij voor u is opgestaan, en als uw dag verdonkert, zal Hij Zijnen dag over u toch laten aanlichten tot in alle eeuwigheid.

Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft ;
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen. Die ons blijdschap geeft.
Och Heer! geef thans Uw zegeningen!
Och Heer! geef heil op dezen dag!
Och, dat men op deez' eerstelingen
Een' rijken oogst van voorspoed zag!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 april 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

De Opstanding onzes Heeren Jesus Christus. (Matth. 28: 1 — 15.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 april 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken