Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Verklaring van Psalm 47.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Psalm 47.

13 minuten leestijd

Deze heerlijke Psalm is een jubelzang der Kerke Gods, ter eere yan haren Koning Jesus Christus in Zijne h e m e l v a a r t , afgeschaduwd door de opvoering der arke des verbonds op Zion in den tempel. Hij behoort tot die Psalmen, die aan den opperzangmeester in het huis Gods gegeven werden, om de kinderen Israëls te leeren zingen, en diende in de hand des Heiligen Geestes, Die daarin spreekt, om het volk Gods te vertroosten. Nog heden ten dage zingt de Heilige Geest zulk een Psalm den kinderen Gods voor, opdat zij hem in hun harten nazingen, en met elkander aanheffen ter eere van hunnen Heere en Koning. Met zulk een Psalm in het hart kunnen zij gerust en vroolijk zijn, onder gevaar en nooden zijn zij goed gewapend tegen de macht van zonde, wereld en duivel.
Deze Psalm moet gezongen worden onder de k i n d e r e n v a n Kor ach. Ook dat heeft zijne beteekenis. Bekend is de geschiedenis van Korach , wiens opstand en ondergang ons in het 4e Boek van Mozes (Hoofdst. 26.) beschreven is. Kinderen van opstandelingen, rebellen, maar die begenadigd zijn, worden dan hier de genade deelachtig, om zulk een lied, om zulk eenen lofzang in de Gemeente des Heeren te zingen. Wie zich dan aanklaagt en veroordeelt voor God als een wederstrever, een wederhoorige, een rebel en opstandeling tegen den Heere, wie in dezen nood zijner zonde en vloekwaardigheid voor God zucht: Wees mij genadig! ontferm U mijner! — die verneemt hier, hoe er bij God, voor Wiens aangezicht wij vanwege al onze ongerechtigheden niet bestaan kunnen,'verg e v i n g is, v e r g e v i n g o p d a t Hij g e v r e e s d w o r d t .
Zoo is dit dan een lied, hetwelk de Heilige Geest aan een volk leert, dat zonden heeft, dat vloek en dood verdiend heeft, aan een volk, dat vanwege de zonden in grooten nood zit, uit diepte van ellende schreit tot den levenden God, die alleen machtig is het te. verlossen, van zonde te ontslaan, die — want dit juist leert deze Psalm — zoo groot, zoo onuitsprekelijk groot van genade, zoo rijk in barmhartigheid is, dat Hij met hen niet in het gerichte treedt, maar uit loutere ontferming hen bedekt met Zijne gerechtigheid, met Zijnen zegen in Christus Jesus.
Zondaren dan, groote zondaren, die daar treuren naar God, moeten dezen Psalm hooren, opdat zij recht vroolijk gemaakt mogen zijn door de genadige vergiffenis hunner zonden. Dat wil de Heilige Geest. Verneem, hoe Hij tot deze blijdschap roept:
Vs. 2. Al gij v o l k e n , k l a p t in de h a n d : j u i c h t G o d e m e t e e n e stem van vreugdegezang. Vroolijk zingen, juichen mogen niet alleen Joden, maar ook de Heidenen ; ja juist het volk, dat zich op geene voorrechten bij God beroemen kan, dat alleen door Zijne o n t f e r m i n g leven en bestaan heeft, dat mag vreugde bedrijven, waar de blijde boodschap hun gebracht wordt: Gij zijt gezegend in het Zaad Abrahams ! gij, die in de gevangenis, in de banden van de zonde en den duivel geketend zijt, gij dooden in zonde en misdaden, gij zijt vrij, gij moogt uit uwen kerker uitgaan, gij hebt vergeving van zonde en schuld ; gij moogt u verheugen in de vrijheid der kinderen Gods, begenadigd door Zjjne eeuwige liefde, gezegend door Zijne vrije genade. Te laten varen hebt gij de goden der wereld, die niet helpen, niet zaligen kunnen, en te juichen hebt gij Gode, Christus, uwen getrouwen God en Zaligmaker, in Wien van den hemel betuigd wordt dat eeuwig, eenig, waarachtig heil, dat bereid is voor allen, die Zijnen Naam aanroepen, die in Hem gelooven.
O, hoe heerlijk is toch het Evangelie Gods. Het predikt genade in d e n v o l l e n z i n , — geen genade, die afhankelijk gesteld wordt van eenige goede eigenschap, van waardigheid des menschen, maar genade, zooals zij genade is, die zonde vergeeft, schuld uitdelgt. straf kwijtscheldt om niet, gerechtigheid, zegen en leven aanbrengt aan menschen, die slechts z o n d e hebben, die slechts de verdoemenis verdiend hebben, een Evangelie, waarin het Woord Gods zoo luide spreekt: Ik ontferm Mij, diens Ik Mij o n t f e r m , Ik ben genadig, dien Ik g e n a d i g ben.
Elko vraag dus, die wij menschen gewoonlijk doen, zooals: ben ik wel zus en zoo, is er wel liefde, genegenheid, zijn er wel uitgangen bij mij tot God, heb ik wel dit en dat gedaan, een goed werk verricht, of bezit ik wel de rechte en waardige gestalte voor den Heere, — al deze vragen van het arglistige hart worden door dit Evangelie afgesneden, en ook de booze uitspraak: mijne zonden zijn te groot, dan dat zij mij vergeven kunnen worden. Dit grondbeginsel van alle eigengerechtigheid, wordt door hetzelve veroordeeld. Het luidt tot ons menschen: Gij zijt zondaars, onrein door en door, goddeloos en vloekwaardig voor God, gij hebt niets , waardoor gij Hem behaagt en aangenaam zijt, integendeel, gij hebt slechts dat wat u voor Hem een gruwel en afschuwelijk doet zijn, gij zijt H e i d e n k i n - d e r e n , in zonde ontvangen, in ongerechtigheid geboren, overtreders van jongs af. Maar zoo als een Gode geheel onwaardig en verfoeilijk volk — L o - A m m i , L o - R u c h a m a , g e n a d e l o o z e n — wil de Heere Zich uwer ontfermen. Zoo heeft Hij Zijne ontferming, vrij en machtig, in Christus Jesus aan u geopenbaard. Naar dit Evangelie geldt dus alleen genade met uitsluiting van alle werk, waardigheid, verdienste des menschen.
Dit Evangelie heeft een wijdstrekkende macht; het weet zich den weg te banen tot a l l e volkeren der wereld, gelijk de Heere Christus ook gezegd heeft: Maakt discipelen onder alle volkeren. Uit alle geslacht, taal, natie en volken heeft God de Zijnen verkoren; zij moeten allen gekomen zijn tot Zijne Gemeente, niet één uit hen zal achtergebleven zijn, — en zoo wrordt (bij manier van spreken) de diepstgezonken Heiden uiet uitgesloten; het luidt naar dit Evangelie : „Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer, spreekt de Heere." Maar zoo is dit Evangelie alle eigene wijsheid en kracht te schande makende, alle eigene eer en roem te niet doende, opdat alleen God in Christus erkend en verheerlijkt zij. Dit Evangelie doet het huldigen van de goden der wereld, 's menschen wijsheid, kracht, deugd, naam en werk, ophouden en brengt in het hart der volkeren teweeg, dat zij den Naam boven allen naam eeren en lofzingen, dat zij Gode juichen, Christus, de wijsheid en kracht Gods, roemen, Zijne gerechtigheid, Zijne deugden verkonden. Het predikt aan al wat verloren is, wat in nood der zonde ternederligt, wat treurt en zucht onder de tirannie des duivels: — weest welgemoed! zijt getroost; heft aan een vroolijk gezang den Heere ! zingt luide van de vrije genade, zegt aan zonde, wereld en duivel vrij uit: niet.u, maar Christus behoor ik toe; Hij heeft mij verlost uit genade uit al uw geweld, mij tot Zijn eigendom gemaakt.
Zie, zoo wil de Heilige Geest door het Woord, door de blijde boodschap des heils in Christus Jesus den armen zondaar vroolijk gemaakt hebben. En in waarheid, geen ander Evangelie kan wel vroolijk maken dau d i t , dat ons, die geheel in de zonde en den dood steken, verkondigt: Gij zijt gerechtvaardigd, gij zijt Gode levend in Jesus Christus uwen Heer. Want het neemt ons, zooals wij zijn, op uit de diepte van onze verlorenheid, en stelt ons op den Rotssteen des heils, die allen vijanden te hoog is. Maar daarom is het ook juist Evangelie, blijde boodschap voor zondaren, verlorene zondaren, ellendige, nooddruftige lieden, die geen heil en liulpe in het zichtbare hebben, en hebben deze alléén, die zich voor God met de diepst gezonkene Heidenen op ééne lijn laten plaatsen, die met de volkeren, die op geene eigene voorrechten zich kunnen beroemen, maar als geheel goddeloozen in zichzelven van ontfe r ni i n g moeten leven en bestaau voor den Heere, er waarachtige vertroosting van, en kunnen zij in waarheid Godejuichen, ja klappen in de hand van wege de heerlijkheid huns Verlossers, die met zoo groote genade hen bedekt heeft en bedekt, ja eeuwig hen zal handhaven in Zijne verlossing, waarmede zij om niet verlost zijn; (Ys. 3.) w a n t de H e e r e , de A l l e r h o o g s t e is v r e e s l i j k , een g r o o t K o n i n g over de g a n s c h e aarde. Ja, de H e e r e , Jesus Christus, gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid, — Die alleen te eeren, te vreezen en te aanbidden is, zal Zijnen nooddruftigen wel ter zijde blijven, Hij zal den ellendige redden, die daar roept; doch verschrikkelijk zal Hij zijn voor Zijne vijanden, Hij zal den verdrukker verbrijzelen. Maar is II ij dau te vreezen, dan zijn de duivel en de dood niet te vreezen; deze vijanden mogen met zonde en wereld samenspannen tegen de ellendigen Gods, zij zijn toch niet bestand tegen den Heere, voor Hem moeten zij hunne prooi loslaten, en de door alle angsten en benauwdheden gekwelde ziel mag in den Heere gerust zijn en den duivel met al zijne listen en aanklachten op den Heere Christus wijzen, die onze gerechtigheid en sterkte is, onze Heere en Koning; ja Koning is Hij, een groot Koning; de Koning der koningen, de Heere der heeren, aan Wieu alles onderworpen is. Hem moet al het schepsel eeren. Zijne is de macht in hemel en op aarde. Al Zijne vijanden moeten voor Hem wijken. Al wat Hom tegenstaat, weet Hij te verbreken. Al wat van Hem hulpe verwacht, kan Hij helpen; daar is geen nood zoo groot, waar Hij niet uitkomst zou kunnen schenken. Hij heeft den hemel tot Zijne troon, en de aarde tot eene voetbank Zijner voeten, Hij woont wel hoog, maar Hij ziet laag. Hij behoudt Zijne grootheid en heerlijkheid niet voor Zichzelven, maar Hij openbaart ze aan Zjjne ellendigen; op aarde, bij vloekwaardige zondaren, juist daar openbaart Hij Zijne grootheid, door hen uit allen nood der ziel en ook des lichaams te redden. En met zulk eene heerlijkheid Zijner koninklijke goedheid en genade vervult Hij de gansche aarde, zoodat Hij overal ter wereld, waar zich arme, nooddruftige zondaars bevinden, die in hunne nooden tot Zijnen troon der genade opzuchten, gereed staat met Zijne almachtige en genadige hulp Zoo slaat Hij, onze Koning Jesus Christus, van uit den hemel al Zijne ellendigen op aarde voortdurend gade, verlost wat Hij verlost wil hebben, en waakt er met eeuwige trouw over, dat geen der Zijn en omkomt, maar dat zij allen beërven de heerlijkheid, die Hij voor hen verworwen heeft, en hun heeft toegezegd.
Vs. 4. Hij b r e n g t de v o l k e u onder ons en de n a t i ë n onder onze voeten. Daartoe staat Hem niets in den weg. Waar Hij Zijne genade wil verheerlijken, daar kan geen schepsel Hem weerstaan, daar kan de zondaar het niet tegen Hem uithouden. Volken, die tot hiertoe van Hem niets wilden weten, natiën, hoe vijandig zij ook zijn, weet Hij door Zijn Woord en door Zijnen Geest wel zoo te verbrijzelen, zoo klein te maken, dat zij zich met allen, die des Heeren zijn, vereenigen tot Zijnen dienst, of zich wel buigen moeten onder de waarheid. Hij weet den mensch wel daartoe te dwingen, eerst door Zijne oordeelen en dan door het Evangelie, zoodat de meest hardnekkige aan Zijne leer zich moet onderwerpen. Zoo weet Hij alles aan Zjjne macht en heerschappij dienstbaar te maken, opdat al wat Hij naar Zijne eeuwige zondaars-liefde gered wil hebben, gered zij, en dat Zijn volk beschermd en beschut, behoed en bewaard blijve in eeuwigheid. Ja, dat volk moet de erfenis hebben, die Hij voor hen verkoren heeft, zooals ook de Psalm zegt:
Vs. 5. Hij v e r k i e s t voor ons onze e r f e n i s , de h e e r l i j k h e i d J a k o b s , d i e n Hij h e e f t l i e f g e h a d ; — dat is de erfenis, naar I Petr. 1, de onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. Het is de volle zaligheid en heerlijkheid voor en bij God. Deze heeft de Heere Christus voor ons verworven; voor ons, die deze erfenis in Adam verloren hadden, en die al ons heil en onze zaligheid moedwillig er aan gegeven hadden, die sedert ons leven zochten, waar slechts de dood antwoordt, en slechts vloek vonden, waar wij door onze eigengerechtige werken der wet heil dachten te vinden; die, ten leste met al ons willen en loopen te schande geworden, terneer lagen in onze ellende; maar in die ellende gaf de Heere een roepen en schreien tot Hem, en de Heere hoorde en Hij toonde ons, wat Hij voor ons was, hoe Hij naar Zijne eeuwige liefde, waarmede Hij al de Zijnen heeft liefgehad, ons met Zijne heerlijkheid in Christus heeft gezegend. De h e e r l i j k h e i d J a k o b s heet zij in onzen Psalm; daarmede wordt gewezen op den zegen, dien Jakob ontving, toen hij tot den Man, die met hem worstelde, sprak: Ik zal U niet laten gaan, tenzij Gij mij zegent. De Christus was de Man, die met Jakob worstelde, en hem zegende met Zijnen zegen; dat is de eeuwige zegen, en daaruit vloeien voort alle tijdelijke zegeningen. Nu, deze zegen is weggelegd voor allen, die de worsteling Jakobs kennen, voor allen, die, gelijk hij, eigene kracht verliezen, die niet leven kunnen buiten den zegen Christi. Deze Jakobs heeft de Heere liefgehad, en heeft Hij lief tot den einde, tot in eeuwigheid. Het zijn in zichzelven verlorene, vloekwaardige zondaren, zij kunnen het niet uithouden in hunne zonden en vervloeking; zij moeten gezegend zijn door den Heere Christus. En j a , zij zullen van Hem gezegend zijn, en beërven de erfenis, die Hij hun verkoren heeft. In Hem zijn zij gezegenden des Vaders; de hemel is hun ontsloten; op den dag Zijner toekomst zullen zij het uit Zijnen mond vernemen: Komt in, beërft dat Koninkrijk, dat u weggelegd is van de grondlegging der wereld! — Sela —: rust een weinig, denk eens na. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 May 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Verklaring van Psalm 47.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 11 May 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken