Bekijk het origineel

De rechtvaardigheid Gods naar Romeinen 1 : 17—32 en 2 : 1—24.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De rechtvaardigheid Gods naar Romeinen 1 : 17—32 en 2 : 1—24.

10 minuten leestijd

Steeds hierop bedacht om u in de Heilige Schrift in te leiden, opdat gij uit dezelve eenen blijvenden troost en eene wel gegronde levende hope des eeuwigen levens moogt putten; eveneens altijd bereid mijne taak te vervullen om u duidelijk te maken, wat gij bij het lezen der Schrift niet zoo aanstonds verstaat, acht ik het alleszins gewichtig u de hoofdleer dor Schrift omtrent de rechtvaardigheid Gods naar aanleiding van het eerste Hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen kortelijk voor oogen te stellen.
De Apostel schrijft in dezen Brief Hoofdstuk 1 : 17: ,Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof." De woorden in h e t z e l v e hebben betrekking op het Evangelie van Christus. Diensvolgens wordt in het Evangelie van Christus de rechtvaardigheid Gods geopenbaard.
De Apostel spreekt van de rechtvaardigheid Gods, dat is, van eene rechtvaardigheid, volgens welke God rechtvaardig is en blijft, als Hij ons de zonden vergeeft, of ons de zonden niet toerekent, en volgens welke wij voor God rechtvaardig zijn mogen, ofschoon wij in en voor onszelven goddeloozen zijn, en wij nochtans voor God rechtvaardig zijn mogen, ofschoon wij zonden hebben. De Apostel leert ons, dat zulk eene rechtvaardigheid geopenbaard wordt uit geloof tot geloof. Hij wil zeggen, dat zulk eene rechtvaardigheid ons duidelijk en klaar in het harte wordt, of dat wij daarvan het helder licht in het harte ontvangen, derhalve dezelve deelachtig worden, als wij gelooven, en dat wij zulk eene rechtvaardigheid alsdan alzoo erkennen, dat zij ons onder de tucht houdt om bij het geloof te blijven en niet van het geloof tot werken der wet terug te gaan. Dat bedoelt hij met de woorden: u i t g e l o o f t o t g e l o o f .
Het helder licht van die rechtvaardigheid gaat in onze harten op, als wij het geloof, het vertrouwen op God of de gehoorzaamheid van Jesus aanschouwen, en het voor zeker houden, dat op grond Zijner gehoorzaamheid, waarmede Hij aan de rechtvaardigheid Gods genoegdoening gegeven heeft, God rechtvaardig blijft, als Hij ons de zonden vergeeft, en ook wij, op grond van zoodanige genoegdoening vergeving van zonden hebben. Waar wij met het harte gelooven en met den mond belijden, dat zulks gewisselijk waar is, zoo zullen wij uitsluitend daarbij blijven, en zijn in dat geloof rechtvaardig en zalig. De openbaring eener zoodanige rechtvaardigheid ligt dus in de blijde boodschap of het Evangelie van Christus. Waar zulk eene blijde boodschap tot ons komt, daar gaat ons het licht van zulke eene rechtvaardigheid en zaligheid in het harte op, terwijl wij slechts nergeils elders iets hebben kunnen vinden, waar God rechtvaardig zijn en blijven kan, als Hij ons de zonden vergeeft, of wij als goddeloozen nochtans voor God rechtvaardig zijn.
Zulk eene rechtvaardigheid Gods kan en zal ons vleesch en bloed niet openbaren, en is het, dat wij ook de verkondiging er van vernomen hebben, zoo zal toch het vleesch, dat zich handhaven wil, er niet in kunnen rusten, maar zal geene andere begrippen van Gods rechtvaardigheid kunnen vormen dan deze, dat God alleen dan rechtvaardig zijn kan in de vergeving van zonden, wanneer wij Zijner rechtvaardigheid genoegdoening aangebracht hebben met de werken der wet, dus zelf voor de zonden geboet hebben, en dat wij slechts rechtvaardig voor God kunnen zijn, als wij onszelven door onze deugden eene inwendige rechtvaardigheid, hetzij geheel of gedeeltelijk althans, verworven hebben.
Yoor het blinde verstand schijnt zulk eene leer, dat wij, hoewel in onszelven goddeloozen, door eene vreemde rechtvaardigheid in het geloof voor God rechtvaardig mogen zijn, en dat God rechtvaardig zijn kan, als Hij op grond van zulk eene vreemde rechtvaardigheid eenen goddelooze, die daar gelooft, rechtvaardig verklaart, eene dwaasheid te zijn, en dat het eenen verstandigen mensch niet betaamt zulk eene leer voor te staan , maar dat hij zich veeleer er voor te schamen hebbe, indien hij met zulk eene leer komt. Daarom schrijft de Apostel: „Ik schaam mij het Evangelie van Christus niet," dat is, ik schaam mij niet voor zulk eene leer; zij is toch waarachtig. Alle andere leer is menschelijke kracht, welke verderft, uit welke ook niemand op den duur gelooven kan of zal, naardien zij ons ontzinkt, wanneer wij voor God verschijnen moeten en het geweten wakker geworden is. De blijde boodschap van Christus daarentegen is eene kracht Gods, die het geloof aangrijpt tot zaligheid, want dat geeft den geloovige kracht uit God, en vrijmoedigheid om voor God te verschijnen, als het licht in zijn hart opgaat om te zien, dat en hoe God met eenen, die in zichzelven goddeloos is, verzoend is.
Het blinde verstand nochtans houdt God slechts in dezen zin rechtvaardig, dat Hij de zondaren straft en den rechtvaardige tot Zich komen laat, en voorts, dat niemand voor God rechtvaardig zijn kan, tenzij door werken der wet. Met zulk een verstand is het aangevochtene gemoed en het angstige geweten het eens. Daar heeft dan de meening de overhand, dat de mensch toch iets van deugd en rechtvaardigheid in zich hebben moet, indien hij voor God rechtvaardig zijn zal en God rechtvaardig blijven zal, als Hij dien mensch de zonden vergeeft.
De Apostel ontkent niet, dat de rechtvaardigheid en het leven oorspronkelijk uit de Wet komt, en dat de mensch rechtvaardig voor God zal zijn, wanneer hij de Wet volbrengt. Hij ontkent evenwel, dat iemand, wie hij ook zijn moge, de Wet vervult, en besluit daaruit, dat een iegelijk, wie hij ook zijn moge, des doods is, of dat hij in de gerechtigheid eens anderen moet gevonden worden, indien hij leven zal.
Daarom toont de Apostel in het 18d6 Yers aan , dat niemand bij God in genade is, maar veeleer Gods toorn over zich verwekt, gelijk zulks wel kennelijk is, als de mensch wil staande houden, dat hij de Wet vervult, terwijl hij wel beter weet.
Het is de waarheid in ongerechtigheid te onder houden, wanneer men staande wil houden, dat men iets doet, dat voor God rechtvaardig is, terwijl men toch met zijn gansche inwendige zijn en met zijnen verborgen en zichtbaren wandel wel klaarlijk betoont, dat zulk eene bewering leugenachtig is. Wie de rechtvaardigheid uit geloof tot geloof prijsgeeft en met de werken der wet omgaat, moet den toorn Gods van den hemel over zich verwachten, want wat hij van God weet en van Zijn wezen, van Zijne rechtvaardigheid, goedertierenheid en barmhartigheid zelfs uit de schepping kan weten en verstaan, dat verdraait hij in leugen en huichelarij.
Immers moet het dan op grond eener gerechtigheid eens anderen zijn, dat God rechtvaardig blijven kan, wanneer Hij Zijne zon over de menschen laat opgaan of hun regen en vruchtbare tijden geeft, — indien de mensch maar eens bedenken wil, wat hij doet en drijft in het verborgen en in het openbaar en beproeve, wie hij in het binnenste zijns harten is.
Zoo behoorde dan toch de mensch, in het bewustzijn van zijne zonden en schulden , God te eeren en Hem dank te zeggen en in te zien, dat zulk eene goedertierenheid over hem op den grond eener Goddelijke genoegdoening rusten moet en niet op grond van menschelijke deugd, rechtvaardigheid of heiligheid, als zijnde die ganschelijk niet daar. Echter is de menschelijke leugen en waan deze, dat Gods weldaden tot hem komen óf vanzelf óf wegens zijne werken en verdiensten. Terwijl de mensch daarbij l i e g l , dewijl hij toch weten kan, dat hij niet doet, wat hij zegt te doen, — zoo is God rechtvaardig, als Hij een mensch aan zulk eene leugen en zoodanig een waan overgeeft.
Maar waar de mensch aan zijnen waan, als vervulde hij de Wet, wordt overgelaten, daar wordt liet openbaar, hoe goed de mensch de Wet vervult; daar wordt het zichtbaar, dat hij de Bron, den Sprinkader zijns levens en zijns geluks laat varen, dat hij in zijne leugen, in zijnen waan van het werken en doen der Wet het eerste en het tweede gebod zóó varen Iaat, dat hij de heerlijkheid des onverderfelijken Gods verandert in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten.
Zoo meent hij dan de Wet te doen en zijnen Schepper te eeren, en is in zijn hart zoo verduisterd geworden, in zijn vermeend doen, dat hij zichzelf niet meer vraagt: aanbid ik niet een afgodsbeeld, een stuk hout? J a , hij houdt zijnen afgodendienst voor waren godsdienst, ook dan zelfs, als hij met zulk eenen afgodendienst, zoo hij dien door anderen houden ziet, den spot drijft en er de schouders voor ophaalt. Waar evenwel de mensch de heerlijkheid des onverderfelijken Gods heeft verzaakt, daar i s , naardien hij zonder God een verdorven mensch is, Gods toorn over hem verder rechtvaardig, w'aar Hij hem overgeeft in de begeerlijkheden zijns harten. Zoo wordt het dan ten volle openbaar, wat de mensch bij allen waan, bij alle leugen, als zou hij de Wet vervullen, deugd en vroomheid betrachten, en daardoor eenmaal als rechtvaardig voor God komen te staan, eigenlijk doet en bedrijft.
Brengt mij den mensch, die werkelijk in het binnenste zijns harten zóó is, gelijk Gods Wet hem hebben wil; brengt mij den mensch, die waarlijk/datgene doet, wat de Wet eiscbt, zoo zal zijne rechtvaardigheid uit de werken der Wet zijn. Maar wat leert de ervaring anders, dan d i t , dat Gods toorn gericht blijft op allen, die niet gelooven in den Zoon Gods en op eene andere wijze dan in Hem voor God rechtvaardig zijn willen. Ten bewijze daarvoor stelt ons de Apostel de geschiedenis des menschdoms, met name die des Heidendoms, de geschiedenis van alle tijden, van alle volkeren en van den enkelen mensch voor oogen, die allen gestreefd hebben om door hunne vervulling van de Wet rechtvaardig te zijn; hij doet dat in het eerste Hoofdstuk van het 24s t e Yers tot het einde.
W a a r l i j k , als men de boeken der Grieksche en Romeinsche schrijvers, vooral der dichters, maar ook de geschiedboeken der Joden, toen zij den Rotssteen, uit Welken zij gehouwen waren, verlieten, eens raadpleegt, zoo wordt men bijna op elke bladzijde schaamrood bij het zien, wat er van den mensch wordt, en waartoe hij in staat is, als hij zich bekwaam acht om ziclizelven met Gods rechtvaardigheid in overeenstemming te brengen door zijne werken, door werken der wet.
Die schrijvers leveren intusschen mede het bewijs, dat zij, gelijk de overige menschen, daarin Gods recht goed geweten hebben, dat, wie zulke gruwelen doen en zoo gruwelijk zijn, strafbaar en des doods waardig zijn, maar evenzeer het bewijs, dat zij, hoezeer zij allerlei gruwelen en afschuwelijkheden van anderen in het openbaar afgekeurd hebben, die niet slechts zelf pleegden, maar, bij al hunne afkeuring, er medeplichtigen van waren, daar zij een welgevallen hadden in degenen, die ze deden.
Immers liet gedrag van liet zichzelf rechtvaardigende menschdom is alleszins als dat van zekeren landheer, die andere landheeren wegens hunne hebzucht en handelingen in een geschrift als het ware aan de kaak stelde, terwijl hij zelf behagelijk en in overdaad op zijne landgoederen leefde, die hij van zijne hem ondergeschikten afgeperst had, en als het gedrag van zoovele wetgevers, wijsgeeren en dichters, die met hunne wetten, hunne afkeurende woorden en spotdichten, het wel lieten hooren, voor hoe goddeloos en strafwaardig zij de stomme zonden bij mannen en vrouwen, als ook in het algemeen de uitspattingen der booze lusten des vleesches, hielden, en die niettemin hetzelfde deden en door hun mededoen toonden, welk een welgevallen zij in de zoodanigen hadden.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

De rechtvaardigheid Gods naar Romeinen 1 : 17—32 en 2 : 1—24.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken