Bekijk het origineel

Verklaring van Psalm 47. (Slot).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Psalm 47. (Slot).

11 minuten leestijd

Vs. 6. God v a a r t op met g e j u i c h , de H e e r e met g e k l a n k der b a z u i n . Dit is de grond van de macht en heerlijkheid, waarover de ellendigen Gods juichen. Christus — God te prijzen in eeuwigheid —- God de Zoon, die nedergedaald is, die hier op aarde kwam, en Zich op het diepst vernederde, die ook dezelfde is, die op het hoogst verhoogd is, die opgevaren is boven alle hemelen, opdat Hij alles zou vervullen, — van Hem is hier sprake. Zijne hemelvaart is de grond van de macht en heerlijkheid, van welke deze Psalm in de Gemeente Gods getuigt. Dat den v o l k e r e n , dat aan vloeken doemwaardige zondaren genade gepredikt en geschonken wordt in de vergiffenis hunner zonden, dat de verlossing van in banden des doods en des duivels gezetenen zeker is, dat de verlosten in deze verlossing gehandhaafd zullen blijven, dat niets daartoe voor den Heere in den weg staat, daar alles voor Hem buigen moet, het zij gewillig, bewust of onbewust; dat, waar de Christus komt, alles voor Hem wijken moet, dat Zijne macht onweerstaanbaar is; dat Zijn Koninkrijk in weerwil van al wat het vijandig is, gekomen zal zijn, dat Zijne heerlijkheid eene eeuwige is, en al de Zijnen in die heerlijkheid God hebben, de hemel hun geopend is en blijft, eene zoo schoone erfenis hun ten deel is geworden, — de zekerheid van dat alles predikt ons de hemelvaart van Christus. Daarin wordt ons immers toegeroepen, dat Hij, onze verhoogde Heer en Heiland, alles overwonnen heeft wat onze zaligheid tegenstond, dat Hij de gevangenis der zonde en des doods, waarin wij moesten versmachten met triumf heeft gevangen genomen, dat Hij Zijnen genadigen zegen legt op vloekwaardigen, Zijnen Geest schenkt aan wederhoorigen, opdat zij bij Hem genade hebben, d. i. in Zijne gemeenschap eeuwig leven hebben. Door Hem toch hebben alle nooddruftigen, alle naar genade vragenden vrijen toegang tot het harte des Vaders, tot den geopenden genadetroon. Door Hem hebben eene reine, vrije, liefelijke woning in het huis des Vaders allen, die hier beneden geen ruimte, geen rust of duur voor hunne ziel vinden. Wijl Christus ten hemel voer, heet het aan alle verslagene zondaars, die vanwege hunne schuld en zonde van verre staan en vreezen, die de oogen niet durven opheffen ten hemel, die op de borst slaan, zeggende: „O God, wees mij zondaar genadig!" zijt wel getroost, uwe zonden zijn u vergeven, gij hebt genade bij God, gij zult eeuwiglijk bij den Volzalige wonen. Het Hemelrijk is u ontsloten. Jesus Christus, die in alle eeuwigheid leeft, die de sleutels heeft der hel en des doods, houdt den ingang tot het paradijs nacht en dag geopend. Niemand kan toesluiten, waar Hij opent, — en Zijn Woord luidt tot bemoediging van eiken ellendige: Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. O Hij daar in den hemel ter Rechterhand Gods Zijns Vaders als de groote Hoogepriester en Koning, de genadige Borg en Voorspraak van Zijn volk, —Zijn lusten Zijne vermaking is het om te waken voor hun heil, hunne eeuwige zaligheid, — Hij spreekt voor het aangezicht des Vaders ten opzichte van eiken zondaar, die zichzelven aanklaagt en God in het recht stelt: „Ik wil niet, dat deze in het verderf nederdale, Ik heb verzoening voor hem gevonden; Ik heb voor hem betaald"; en op grond van Zijne gerechtigheid spreekt de Vader in den hemel den goddelooze rechtvaardig. Hij is liet, die alwat zichzelven niet helpen en redden kan, en hierbeneên weerloos in zichzelven staat tegen de macht van zonde, dood, wereld en duivelen, aangevochten door alle zichtbare en onzichtbare vijanden, ten hemel schreeuwt om redding, — met machtige, almachtige hand beschermt en uitredt, Wiens scherpe pijlen treffen in het hart Zijner vijanden. Zie, waar Hij daartoe ten hemel voer, daar juicht Hij, dat Hij opvaart. Want nadat Hij door Zijn bloed en dood de verlossing, de redding van verlorene zondaars had v o l b r a c h t , stelt Hij in Zijne hemelvaart hun den hemel voor eeuwig open.
Gelijk de maaier, na te voren weenende het zaad gezaaid te hebben, daarna juichend den rijken oogst binnenhaalt; zoo vaart nu de Heere na den arbeid Zijner ziel, nadat Hij te voren „gebeden en smeekingen met sterke roeping eu tranen geofferd heeft" juichend op, om voor de Zijnen, die Hij met Zijn bloed gekocht heeft, als Borg en Middelaar, als hun God, van den hemel bezit te nemen. Daarom juicht Hij en al Zijne heilige engelen met Hem; en het geklank der bazuin, het is de schrik van de vijanden, maar tot vreugde van alle heilige engelen en voleindigd rechtvaardigen. En met die bazuin zal Hij eens wederkomen, als Hij komt om te oordeelen de levenden en de dooden. Welk eene majesteit en heerlijkheid predikt ons dan Christus' hemelvaart, en welk eene machtige vertroosting schenkt zij aan allen, die in Zijnen Naam gelooven, die op Hem hopende zijn.
Vs. 7. P s a l m z i n g t Gode, p s a l m z i n g t ! p s a l m z i n g t o n z e n K o n i n g , p s a l m z i n g t , zoo doet de Heilige Geest in de Gemeente uitroepen. Heel de wereld door, overal, waar menschen, zondaren wonen, zal het verkondigd worden, welk een God en Koning de Heere Jesus Christus is. J a , Hij is God en Koning, Hij die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigtnaking. Christus Jesus, de gekruisigde, die opgevaren is ten hemel en gezeten is ter Rechterhand Gods, bekleed met alle macht in hemel en op aarde, door Wien de Yader alle dingen regeert. Met aller schepselen lof en eere, met alle macht en heerschappij zij het uit. Ons zeiven hebben wij aan te klagen en te veroordeelen, op ons is de schande; bij ons zij de beschaamdheid des aangezichts vanwege onze zelfverheerlijking en aanbidding van wat niet God is; van ons geen heil, geene verwachting, met ons en het onze is het uit en voorbij. Te loven is alleen Jesus Christus, onze getrouwe God en Zaligmaker Hij alleen heeft dit heil volbracht. Zijne alleen is de eere, de lof, de aanbidding en de dankzegging, Zijne de wijsheid, de kracht en heerlijkheid tot in eeuwigheid. En gewis, voor dat psalmzingen vliedt de zonde, zwijgen wet en conscientie met hare aanklachten, en gaat Satan op de vlucht. Yoor het psalmgezang van het volk Gods verstomt de hel. In dat gezang is de Gemeente onverwinnelijk. Daarbij blijkt de machteloosheid van den vijand Christi en Zijner Kerk, en schittert de almacht van den Koning der gerechtigheid en des vredes Jesus Christus.
Ys. 8, 9. Hij is K o n i n g o v e r de g a n s c h e a a r d e . God r e g e e r t over de H e i d e n e n . God zit op den t r o o n Z i j n e r h e i l i g h e i d . Hij regeert, zoover de blinde Heidenen wonen, tot Hem bekeerd. En geene macht kan Hem van Zijnen troon stooten; hoezeer Zijne vijanden er ook tegen woeden, Hij zal wel blijven zitten, om Zijnen ellendigen vrede en rust te verschaffen, om hen onder al het woelen en woeden der zonde, van wereld en duivel, te leiden en te bewaren in Zijne wegen, in de paden der gerechtigheid, der waarheid, der heiligheid en in alle godzaligheid. Of zal de Koning Christus, onze groote God en Zaligmaker, ons, die de Zijnen zijn, en die juist daardoor aan allerlei verzoeking en gevaar, aan verdrukking en vervolging, aan allerlei aanvechting van binnen en van buiten blootstaan, aan ons zei ven overlaten ? O geenszins! Hij weet het wel, wat arme, zwakke, ellendige schepselen wij zijn, hoe wij zonder Hem ons verderven en een buit van dood en verderf, eene prooi van leugen en ongeechtiglieid zijn. Maar juist daartoe zit Hij ter Rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen, opdat Hij ons vandaar zegene met Zijn Woord en Geest, regeere, onderhoude en bescherme, aan Zijn Woord getrouw : Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Onder Zijne regeering is het waarlijk goed. Dat leert en ervaart elkeen Zijner onderdanen, zoodat zij onder alle onrust en tegenheên hier beneden moeten betuigen: nergens heil dan bij Jesus Christus, onzen Koning. Alles wat zichtbaar is, en waarheen het oog zoo vaak gewend is, waarop vleesch zoo gaarne steunt, ontvalt al meer en meer, zoodat in het harte des geloovigen de psalmtoon weerklank vindt: „In God is al mijn heil, mijn eer, mijn sterke rots, mijn tegenweer!" en dit leeft in het binnenste: Gij Heere Christus , Gij zijt mijn Heiland. Buiten U vind ik nergens waren troost. J a , (Vs. 10.) d e e d e l e n der v o l k e n , de grooten der aarde, die onder Koning Jesus geleerd hebben zich te buigen, zij zullen „verzameld tot het volk van den God Abrahams," het bekennen, dat al hunne grootheid niets gelden kan bij den Koning der Koningen, dat het met hunne macht en heerschappij een einde heeft, j a dat zij zich met al hunne grootheid in het verderf storten, zoo zij niet staan onder de genadige heerschappij des IleerenJesus. W a n t de s c h i l d e n d e r a a r d e zijn G o d e s ! Hij i s z e e r v e r h e v e n ! d. i. de vorsten, de machtigen op aard, die tot schild en bescherming van de volken zijn, staan onder de macht van Koning Jesus Christus, zij allen zijn Hem onderworpen, en vermogen niets zonder Hem. Als Ilij hen niet beschermt, zijn zij zonder bescherming, hoe machtig zij ook mochten zijn. Geene macht, geene heerlijkheid zonder den Heere Christus, — zoowel de edelen als de geringen, — zullen zij welvaren, hebben zich onder Zijne Macht en genadige regeering te stellen, in Zijne hand alleen zijn wij wel bewaard. Hoe hoog men meene te staan, hoezeer men zich beroeme en verheffe, hoe zeker men zich wane, z o n d e r d e n K o n i n g C h r i s t u s , van I s r a ë l s God g e g e v e n , zal men neergestort zijn in de diepte van den eeuwigen, vreeselijken afgrond des verderfs. Maar in het Koninkrijk Christi zal groot en klein tezamen zich vernederen, en geene andere heerlijkheid, geene andere macht weten te roemen, dan die van Koning Christus, en dies samenstemmen in den lof: Hij is zeer verheven, gelijk David sprak, toen hij zong: De Heere is mijn Steenrots en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op welken ik vertrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn hoog Vertrek."
J a , de Heere is Koning, Christus is Koning. Hij zit op den troon Zijner heiligheid. Hij voert Zijnen schepter over heel de wereld. Hij aanschouwt alle werkers en alle werken der ongerechtigheid, Hij ziet ook den stillen wandel der rechtvaardigen, Hij kent hunnen weg en strijd, al hunne nooden. Niets is voor Hem verborgen. Door Zijn Woord richt Hij alreede in de wereld, maakt scheiding tusschen licht en duisternis, tusschen de kiuderèn des lichts en die de duisternis liefhebben. Niet verre is de dag, de dag Zijner toekomst, wanneer Hij komen zal op de wolken des hemels, om gerichte te houden over alle vleesch. Alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben — Juichen zullen allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad, die in het geloof hebben volhard; maar allen, die niet gewild hebben, dat Jesus over hen Koning ware, zullen weenen in eeuwige smart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van Psalm 47. (Slot).

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken