Bekijk het origineel

Iets over het onderwijs en den troost des Heiligen Geestes.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Iets over het onderwijs en den troost des Heiligen Geestes.

7 minuten leestijd

De Heilige Geest, die meer dan achttien eeuwen de Gemeente van Christus allerwegen getroost heeft, keere ook heden bij ons in en zij bij ons ingekeerd, opdat wij ervaren mogen, welk eenen grooten Trooster en machtigen Helper wij aan Hem hebben. Spreken wij in alle eenvoudigheid heden een weinig met elkaar over deze ervaring. Wel is waar kunnen wij eenen oceaan niet leegscheppen, maar enkele droppels mogen genoegzaam zjjn.
De Geest Gods bedient Zich van de door God verordende middelen. Hij verbindt Zich met het Woord Gods en keert daarmee tot onze harten in. Hjj opent het hart door het Woord, komt zoo binnen en is een licht in het harte. En het kind, zoowel als de volwassene, beginnen te gelooven van God: dat Hij goed, dat Hij goedertieren is, en van den Heere Jesus, dat Hij een goede Herder is en Zijn leven voor Zijne schapen stelt. Dezen God nu en dezen Jesus moet het kind evenals de volwassene tot zjjn deel hebben. Daar geschiedt het dan wel, dat de Heilige Geest bij een menseh het pas aangestoken licht weder uitdooft. Het * ordt duister, — en daar heeft Hij middelerwijl met vlammend schrift de Wet Gods op de wanden des harten geschreven. Steeds meer moet het kind, evenals de volwassene, zijn gansch schrikkelijk innerlijk bederf in het licht van dit vlammend schrift leeren kennen. Daar wordt men de eigene duisternis gewaar. Het hart is eene plaats der duisternis; men gevoelt zich zonder God en zonder leven; de zonde heeft ons in hare macht; wij voelen ons in de handen des duivels, in de strikken der wereld, in de ketenen van eigen lust, — geen lichtstraal van genade, van vergiffenis van zonden is daar.
Intusschen gaat de Heilige Geest voort met Zijne bestraffing in hart en geweten, waarbij Hij Zich van het geschrevene Woord bedient, totdat Hij ons iets te zien geeft van Gods genade, van de liefde van Jesus en Zijnen wil om Zich over zulk eenen zondaar te ontfermen. —
Daar ontsteekt de Heilige Geest nu een vurig verlangen naar zulk eene genade, een verlangen naar den Heere Jesus in ons. Zoo breekt de dageraad in het harte aan. En in die voege brengt Hij nu den mensch nader tot God en den Heere Jesus, maar als eenen goddelooze, brengt hem zoo in het gericht, — en houdt den mensch de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christns voor. Daar gaat dan de morgenster in het harte op, — de Geest maakt, dat de mensch met de banden aangrijpt, en de Geest getuigt in het hart: „Mijne genade zal nimmer van u wijken", kortom, Hij leert ons en onze kinderen, dat onze gansche zaligheid in het eenige offer van Christus staat, voor ons aan het kruis geschied. —
De Heilige Geest is voorts ook een vuur in het hart. Evenals het vuur licht geeft, en de vlam haar licht uitstraalt, zoo is de Heilige Geest in Zijne leering: Hg maakt verlichte harten; en gelijk het vuur verwarmt, zoo maakt de Heilige Geest in Zijne leer ook warme harten. Want waar Hij ons het hart ontsluit bij het hooren van het Woord, daar bewerkt de Geest, dat de mensch van zijne zonde en zijn bederf afziet en steeds weer opziet tot de genade, die in den hemel op den troon is, en dat hij tot Christus komt, als tot den eenigen Man, die aan de rechtvaardigheid Gods voor ons genoeggedaan heeft en het recht der Wet vervuld heeft, daarbij het ook alleen tegen zonde en duivel vermag op te nemen. O, hoe goed is het dan den mensch voor het hart, als de Geest ons onderwijst, dat men aan Christus, als het begin, het middelpunt en het einde van den ganschen weg des heils zich vasthoude. Hoezeer gevoelden dat de twee jongeren, die naar Emmaüs gingen, toen de Heere Jesus hun de Schriften uitleide , die van Hem getuigd hadden. Was ons hart niet brandende in ons, zoo zeiden zij tot elkander, toen Hij met ons op den weg sprak, toen Hjj ons de Schrift opende? Hoe kostelijk is Zijne leer! Hoe weet Hij op eenmaal de schillen van de oogen te doen vallen. Hoe verrassend is Hij dikwijls met eene enkele spreuk, of meteen woordje, als bijv. het woordeke: „genade" of „vrede zij u", of het woordeke: „nochtans" (Psalm 46: 5), zoodat men wel ervaart, dat Hij een Geest der genade, een Geest des geloofs, een Geest des vredes en een Geest der aanneming tot kinderen is! En hoe onvermoeid is Hg bij het knagen van het geweten, bij het vreezen en zorgen van het harte, als wij voortdurend verlegen staan en geenen raad weten, zoodat wij, die nog zooeven weenden en meenden, dat alles verloren was, al ras van heilige vreugde beven en jubelen.
Ook weet Hij in het harte te oordeelen, zoodat men bestendig zichzelven verklagen en veroordeelen moet, daarentegen God alleen van harte de eere geeft en de vrije ontferming roemt. Daar ontsteekt Hij evenwel tegelijkertijd een vuur in het binnenste, dat alles verteert, wat op het altaar Christi geworpen wordt. Als wij nu in de aanvechting onze zonden, mitsgaders onze ongeloovigheid, kleinmoedigheid en vreeze op Christus' altaar werpen, daar gaat het alles in zulk een vuur op, en wij bevinden ons met den opgestanen en verheerlijkten Jesus alleen; al het overige is verbrand. Onze zonden zijn daarbij gelijk aan het vele water op het altaar van Christus, zoodat het offer onmogelijk voor ons branden kan, totdat het vuur van boven er op valt, dan is alles verteerd. (1 Kon. 18: 32 vv.)
Zoo leert de Geest ook de blinden lezen, opdat zij vol vreugde uitroepen: dat staat voor mij geschreven. Den armsten toont Hij, hoe zij nochtans rijk zijn, en zegt: Dat alles is voor u. Den dooven opent Hij de ooren en spreekt tot hen: Zing: de Heere is mijn heil, ik zal niet vreezen. Zoo leert Hij ook de zwakken te gelooven, dat zij nochtans machtig zijn. Thomas moet gelooven, of hij wil of niet, en de lamme gaat eenen weg van veertig dagen en nachten in de kracht des Geestes, en wie over zijnen grooten nood en zijne ongeschiktheid klaagt, dien maakt Hij levend.
Evenzoo maakt Hij blijmoedige belijders, zoodat melaatschen belijden, dat en hoe zij nochtans rein zijn, — en de belijdenis wordt in de hitte der aanvechting steeds vuriger, deze belijdenis : Ik geloof, dat God om het genoegdoen van Jesus Christus al mijne zonden, ook mijnen zondigen aard, waarmede ik mijn loven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gerichte Gods kome.
Gelijk nu de Geest de harten verwarmt, zoo maakt Hij ook vurige bidders. Waar de Heilige Geest in het harte is, daar drijft Hij de verzuchtingen, gelijk het brandende vuur zijne 'vlammen, boven zich heen naar den hemel. Dat maakt de bevreesden sterker dan God, de diepbedroefden machtiger dan de Heere Jesus, zoodat God wel zegenen moet, de Heere Jesus wel helpen moet (Gen. 32 : 28; Matth. 15 : 27, 28), en zelfs een Bileam zegenen moet, en alle wederwaardigheden ten goede medewerken moeten. Daar regent het dan brood uit den hemel, en het water vloeit uit de harde rots door den Geest; bergen worden voor ons in de zee geworpen, afgronden worden gevuld, stroomen in hunnen loop tegengehouden, zeeën indroog land veranderd, en waar het dor was, daar ruischt het van water. Zon en maan staan stil, — met een vochtig], onrein ezelskinnebakken worden duizenden verslagen, — uit den gewissen dood haalt men de zijnen weder, — en een wolf wordt herschapen in een lam. (Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Iets over het onderwijs en den troost des Heiligen Geestes.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken