Bekijk het origineel

Schets uit de Kerkgeschiedenis.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Schets uit de Kerkgeschiedenis.

De tijd der eerste christenvervolgingen.

11 minuten leestijd

Het is de roeping der Gemeente van Christus in het algemeen en van elk harer leden in het bijzonder, het kruis haren Koning na te dragen. Verblijdt zij zich ook in den hoogsten vrede met God en mwnschen, het gaat nochtans met haar als door dood en hel henen, maar uit en door dit lijden ook gewisselijk de eeuwige heerlijkheid binnen. Vragen wij naar den tijd van hoogsten bloei der Christelijke Kerk, zoo is die niet te zoeken in de eeuwen, toen keizers en koningen het zich eene eere rekenden voor haar den handschoen op te nemen, en er bijna geen adellijk geslacht te vinden was, waarvan niet één der zonen voor den geestelijken stand bestemd werd; maar veeleer in de eerste eeuwen na Christus, toen zij onder de v e r v o l g i n g e n d e r R o m e i n s c h e k e i z e r s gedoopt in stroomen bloeds, en omringd door houtmijt en schavot, als de phenix opsteeg uit hare asch en gelouterd door het lijden voor de oogen van Joden en Heidenen daaT stond als een toonbeeld der genade Gods, een sierlijk meesterstuk Zijner almachtige ontferming. Toen vooral was het de tijd, dat de vervulling der belofte werd gezien: gij zult uitbreken ter rechter- en ter linkerzijde, en uw zaad zal de Heidenen beërven, zij zullen de verwoeste plaatsen doen bewonen; des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig, hare kleeding is van gouden borduurselen. Liefelijk ontkiemden te midden der levensstormen de knoppen en bloemen van het geestelijk leven, en menige vrucht zette zich en rijpte voor de eeuwigheid, waar alles als ten doode scheen opgeschreven.
Reeds het Boek „de Handelingen der Apostelen" vermeldt vervolgingen der Christenen, de heftigste evenwel zijn van latere dagteekening, toen de grootste kracht van het Jodendom tegenover hen was gebroken, en het Grieksch-Romeinsche Heidendom opstond, om te vuur en te zwaard de nieuwe sekte uit te roeien. Zoolang het Christendom in de oogen der Heidenen één) was met den Joodschen eeredienst, genoot het dezelfde voorrechten, waarin alle volken deelden, die door de Romeinen overwonnen waren, wij bedoelen: vrije uitoefening van hunnen godsdienst; maar toen het openbaar werd als losgemaakt van den Joodschen eeredienst, ja tegenover denzelven optrad, viel het onder de tucht van „de wet der twaalf tafelen",, die de uitoefening van vreemden eeredienst in het Romeinsche rijk verbuod. De godsdienst was hier uitsluitend eene Staatsinrichting en zoo met den Staat vereenzelvigd, dat eene aanranding van haar gold als een aanval op den Staat zelf.
Het lievelingsdenkbeeld van den Romein was de eeuwige duur van zijn rijk; dit was hem het hoogste goed, zijn god, weshalve ook aan den keizer, als den vertegenwoordiger van den Staat, goddelijke vereering werd toegebracht. Plaatsen wij nu tegenover den trotschen Romein de Christenen, die hunne hope slechts gevestigd hadden op het eeuwige Rijk van den Koning der eere, den grooten Zoon Davids, en daarom weigerden den keizer goddelijke eere te bewijzen, daarbij hun tegenzin in den van Heidensche plechtigheden doordrongen staats- en krijgsdienst, hunne nauwe vereeniging en besloten samenkomsten, dan baart het ons geene verwondering, wanneer Rome hen met wantrouwen aanzag en beschuldigde van schending der keizerlijke majesteit. Daar zij geene goden erkenden dan den God des hemels en der aarde, werden zij beschouwd alsatheïsten (godloochenaars), en achtte men hen in staat tot de meest gruwelijke en snoodste handelingen; geen wonder, dat onder deze omstandigheden alle staatsmisdrijven en overtredingen op het schuldregister der Christenen werden gezet; alle rampen, die het rijk troffen, werden beschouwd als straffen der goden,, vertoornd op de aanhangers der nieuwe leer. Behalve deze lagen echter nog andere drijfveeren aan de vervolgingen ten grondslage deHeidenwereld gevoelde het,dat zij den ondergang te gemoetging, en zag in het jeugdige Christendom de macht, die hare afgoden van den troon zou stooten. Bij de verachting van de Christenen voegde zich alzoo eene geheime vrees voor hen, en deze werd devonk, die het vuur van een onverzoenlijken haat deed ontvlammen. Waar het Woord komt daar verlicht het de donkerste hoeken en ontdekt de diepste diepten van het rijk der duisternis; wat te voren bedekt was, komt in al zijne gruwelijkheid en verfoeilijkheid voor het licht dezer Zon, en niets of niemand is verder i n s t a a t , om tegenover de macht van dit Woord den wankelenden troon van ongeloof en bijgeloof staande te houden. De vorst van dit rijk der duisternis, die te voren onbeperkt den schepter zwaaide, ziet zich door dit Woord van zijne macht beroofd en gebonden, ziet zijnen helschen toeleg ontmaskerd, om door eenen uiterlijken godsdienst, vol wereldsche pracht en werken van eigene handen, die, onder welken vorm ook komende, immer weerklank vindt in onze van natuur zoo hooge harten, de zielen in slaap te sussen en aan zich gekluisterd te houden. Wat wonder, dat hij zich opmaakt en personen zoekt, om dit Woord, dat toch eeuwig blijft en overwinnen moet, te dooden en voor zich en zijne trawanten onschadelijk te maken De dragers van dit Woord mogen vallen, liet Woord kiest zich weder anderen en trekt door het land, alles veroverendeT waarop het van eeuwigheid zijn zegel heeft gedrukt. Zoo werd het Christendom de macht, die het Heidendom ontzenuwde niet alleen, maar doodde; en vraagt niemand van nature naar God, de Heere doet Zich een volk geboren worden op één eenigen stond, en waar Hij liet land begeerig gemaakt lieeft, daar verrijkt Hij het grootelijks en geeft boven bidden en denken. Ook voor het Heidendom van het uitgestrekte Romeinsche rijk was de tijd des welbehagens aangebroken, die tijd, dat God het bezocht met Zijne genade, en waar het zijne armoede leerde kennen en van dorst versmachtte, daar stond het Christendom gereed, het den weg te wijzen naar de nimmer opdrogende Bron van eeuwige vertroosting, en voor do oogen der arme wereld in het Woord de eeuwige schatkameren des heils te ontsluiten. De overwinning van dit Woord was eene .zekere, de nederlaag van het rijk des Satans onvermijdelijk, en •dientengevolge de haat volkomen in laaien brand ontvlamd.
T i e n v e r v o l g i n g e n vinden wij in de geschiedenis der Kerk uit dezen bloedigen tijd opgeteekend. De eerste heftige vervolging brak uit onder keizer Nero (64 na Chr.), een waanwijs , zinnelijk vorst, vol zucht naar ijdelen roem, en wiens wreedheid en bloeddorst als het ware spreekwoordelijk zijn geworden. Wie kent niet dien beruchten naam! Het was onder zijne regeering, dat de Apostel Paulus, als gevangene naar Rome gevoerd , hier te gelijk met Petrus het Evangelie verkondigde, en deze beide Apostelen hun getuigenis met den marteldood bezegelden, in het jaar 64 na Chr., volgens anderen eerst in het jaar 68. Paulus werd waarschijnlijk onthoofd, Petrus gekruisigd, met het hoofd naar beneden. Dat hun optreden in het Heidensche Rome niet zonder vrucht was, daarvan getuigt wel eene vermelding van den grootsten Romeinschen geschiedschrijver van dien tijd, Tacitus, als hij zegt: De stichter, naar wieu het Christendom zijnen naam ontleent, is onder de regeering van Tiberius door den stadhouder Pontius Pilatus met den dood gestraft geworden, maar het verderf aanbrengend ongeloof (!), daardoor voor eenen tijd onderdrukt, is weder uitgebroken, niet alleen in Judea, de bakermat van dit onheil, maar ook in de hoofdstad. Dezelfde Tacitus vermeldt, dat in Nero's tijd een hevige zesdaagsche brand in Rome woedde, waarvan niet is bewezen, of niet de keizer zelf dien heeft aangestoken, in elk geval rustte de verdenking des volks op hem. Om zich van deze verdenking te ontdoen, zoo verhaalt Tacitus, wentelde Nero de schuld op de bij het volk om hunne gruweldaden (!) beruchte Christenen, en pijnigde dezen met de meest uitgezochte straffen. Enkelen wist hij door martelingen eene valsche bekentenis af te persen, en greep op hunne aanwijzing nog vele anderen, die «venmin van brandstichting werden verdacht, maar door den haat der menigte niet anders dan des doods waardig werden gekeurd. Hiermede niet tevreden, dacht Nero allerlei gruwelen uit: hij deed de weerloozen tn dierenvellen wikkelen, om hen daarna den honden voor te werpen ; anderen werden gekruisigd, of met brandbare stoffen overgoten op puntige palen bevestigd, om als fakkels voor de keizerlijke tuinen te dienen, terwijl Nero zelf, op zjjuen wagen staande, zich onder de toeschouwers mengde en van het schouwspel genoot. Deze vervolging, die zich waarschijnlijk slechts over de Gemeente te Home uitstrekte, was als een bloedig voorspel voor latere, toch was zij zoo hevig, dat na Nero's dood zich de sage verspreidde, dat hij niet gestorven was, maar uitgeweken naar de oorden achter den Eufraat, vanwaar hij spoedig als de Antichrist zou wederkomen.
Boven de plaats, die men later hield voor die, waar de Apostel Paulus den marteldood had ondergaan, stichtte de eerste Christenkeizer Constantijn de beroemde Basilika St. Paul, die later door Theodosius den Groote verfraaid, tot in het jaar 1823 behouden bleef, om toen eene prooi der vlammen te worden.
Inmiddel naderde de tijd, dat in het Joodsche land het oordeel des Heeren over Jerusalem werd voltrokken, en deze stad, steeds dieper verdorven door valsche leeraars en valsche messiassen, en telkens in opstand tegen de macht van Rome, eindelijk door Titus,den zoon van keizer Yespasianus, Nero's opvolger, werd verwoest. (70 na Chr.) Eene algemeene Jodenvervolging en hunne verstrooiing over de geheele wereld was hiervan het gevolg. Slechts weinigen, die te Jerusalem woonden, ontkwamen den algemeenen moord of den hongerdood. De Christengemeente werd echter gered, en vond door den Geest haars Heeren geleid, haar Pella, waarin zij veilig was, en den geesel der verwoesting ontkwam. Zoo heeft de Heere steeds voor de Zijnen eene schuilplaats gereed, eene vaste stad, j a , Hij Zelf is hunne Steenrots, hunne Burcht', hun Uithelper en Verlosser, en Schild en Schutsheer voor allen, die tot Hem de toevlucht nemen in hunnen nood. En, omdat de Heere dit voor Zijn volk is, mogen de vijanden woeden en in bliuden ijver de Gemeente Gods vervolgen, uitroeien zullen zij dezelve nimmer, want God is in het midden van haar, om haar in het leven te behouden. Liet de edele Titus onder zijne regeering de Christenen ongemoeid, zijn broeder en opvolger Dom i t i a n u s , (81 — 96) vervolgde hen opnieuw, en zond velen in ballingschap, om, door hebzucht gedreven, zich met hunne goederen te verrijken; onder deze laatsten behoorde ook de Apostel Johannes, die, zijne woonplaats in Efeze hebbende, vandaar uit het herderlijk opzicht had over de Gemeenten van Klein-Azie. Het woeste Patmos was de plaats, waarheen de Apostel des Heeren verbannen werd, om daar, verre van zjjne Gemeente, naar de gedachte des keizers onschadelijk te zijn , en in deze eenzaamheid eindelijk van allen verlaten te sterven. Maar anders dan de gedachten van Domitianus zijn de gedachten Gods, juist dit onherbergzame Patmos met zijn woeste stroomen en steile rotsen werd voor Johannes en voor de Gemeente Gods van alle eeuwen een hof der lieflijkheid, want daar verscheen Hem de Verheerlijkte, Hij, Die dood is geweest en weder levend geworden, en ziet Hij leeft in alle eeuwigheid en draagt de sleutelen der hel en des doods; van Hem ontving de Apostel te midden van zijne duisternis de Openbaring, die zijn oog aftrok van het lijden dezer wereld, om het te richten op de zalige eeuwigheid, en hem een blik te doen slaan in de dingen, die haast geschieden moeten. Waar hij niet prediken kon. daar behoefde hij nochtans niet werkeloos te zijn, maar predikte nu den zeven G e m e e n t e n door brieven, die de Heere der Gemeenten hem in de pen gaf, brieven niet alleen aan deze Gemeenten gericht, maar als het eeuwige Woord Gods bewaard, door allen strijd heengedragen, geldend tot op dezen dag en zoolang nog eene Gemeente des Heeren op aarde gevonden wordt. Maar ook de mondelinge prediking mocht Johannes de Gemeenten nog brengen. Patmos werd zijn graf niet, maar hij keerde vandaar naar Efeze terug, om daar nog 30 jaren werkzaam te zijn, en dan in hoogen ouderdom in de ruste zijus Heeren in te gaan.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Schets uit de Kerkgeschiedenis.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 mei 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken