Bekijk het origineel

6. Het getuigenis van Jesus aangaande de deelgenooten van Zijn Rijk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

6. Het getuigenis van Jesus aangaande de deelgenooten van Zijn Rijk.

10 minuten leestijd

De zonde, waarmede het Nieuwe Testament het te doen heeft, is een bijzondere vorm en wel een zeer fijne. Onder de oude bedeeling verlaten de zondaren Jehovah en dienen den afgoden. Deze zonde was erg, zelfs waarneembaar voor het bloote oog. In het Nieuwe Testament hebben wij de zonde der eigengerechtigheid, waarbij men wel is waar niet uitwendig God verlaat, maar zich aan Zijnen Gezant ergert, en alzoo tegenover Hem Gods wil niet vervult, maar God lastert in Zijnen Gezant, Mark. 8 : 38. Wij hebben lieden, die Jesus verzoeken, Matth. 12 : 40, of die het hunne niet om Jesus wil willen verlaten, Matth. 8 : 21, die liever naar den akker gaan en aan hun beroep denken, in plaats van gevolg te geven aan de noodiging tot het Avondmaal. De zonde in het Nieuwe Testament loopt uit op en bestaat in den tegenstand tegen Jesus, onder den dekmantel der Wet, zooals weleer zonder Wet Gode en Zijnen Profeten tegenstand geboden werd. Men eerde niet hetgeen God had gegeven, men heeft de meening Zijner Profeten niet erkend. Nu komt de tijd van afrekening voor vromen en onvromen, rechtvaardigen enonreclitvaardigen. Het merkwaardige is, dat de rechtvaardigen daarbij slechter varen, dan de tollenaren en zondaren, Luk. 18 : 10. Zacheüs gaat voor alle groote heiligen, Luk. 19; de verloren zoon wordt gesteld boven den in huis geblevene, Luk. 15 : 32. Jesus roept tot Zich de armen en ellendigen, Matth. 11 : 28, daarentegen verstoot Hij de eigengerechtigen, en de Parizeen heeten blind. (Joh. 9).
Wegens deze natuurlijke gesteldheid van het menscheljjk hart houdt Jesus de redding voor zulk eene zaak, waartoe alleen God machtig is. Ook dit komt slechts bij gelegenheid ter sprake, want in den grond was dit eveneens de leer van Mozes en vande Profeten. De verlossing uit Egypte was toch eene verlossing, welke alleen God kon teweegbrengen. De verlossing uit allerlei geestelijken nood leiden de Profeten ook van God af. Jesus spreekt daarvan echter slechts bij gelegenheid: Matth. 1 9 : 2 6 . Hier had Jesus gesproken van de onmogelijkheid, dat een rijke in het Koninkrijk der hemelen inging. Dit hooren de discipelen, en op zeer eigenaardige wijze vragen zij, schoon zij n i e t rijk zijn: Wie kan dan zalig worden? Jesus geeft hun ten antwoord: „Bij God zijn alle dingen mogelijk.'' Met deze woorden onderwijst Hij de Apostelen, af te zien van de menschelijke onmacht en op de Goddelijke almacht te vertrouwen. De uitdrukking blijft staan: „bij menschen is zulks onmogelijk". Daarmee stemmen overeen andere woorden des Heeren: Joh. 6 : 44, 39, 65 Een geven en trekken des Vaders tot den Zoon is het beslissend keerpunt, ja iets waarmede Zich Jesus in Zijne verlatenheid troost Op dezelfde wijze zeide reeds Johannes de Dooper : „Een mensch kan niets aannemen, tenzij het hem van den hemel gegeven zij." Op ééne plaats vat Jesus een oordeel betreffende de gesteldheid van den mensch samen in deze woorden: „Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, en wat uit Geest geboren is, dat is Geest," Joh. 3. Hiermede zijn twee groote kategoriën aangegeven, welke het leven beheerschen.
Zooals eensdeels de zonde der menschen vaste leer is in het Nieuwe Testament, zoo komt het anderdeels alleen op het geloof aan, om Gode welbehagelijk te zijn. Ook in dit geval brengt Jesus geene nieuwe leer van geloof tegenover werk, maar het gaat Hem om het doode geloof, dat Hij aanwezig vindt, door een levend geloof te vervangen. Hij wekt het volk op, ernst te maken met zijn Catechismus-geloof van eenen Verlosser, die komt, om te verlossen van de zonde en van den duivel. Van zulk eene verlossing wisten de Israëlieten ; zij hadden het ondervonden in Egypte, ten tijde van David, ten tijde van de ballingschap, hoe God verlost. Nu zullen zij zulks ook thans toepassen; hetgeen zij weten, zullen zij op dezen Jesus toepassen, die het ware Zaad Abrahams is. Zoo zegt Jesus Zelf herhaaldelijk: „Wanneer gij niet gelooft, dat I k die ben, op Wien de Profeten wijzen, zoo zult gij in uwe zonden sterven", Joh. 8 : 2 4 ; 4 : 26. Jesus treedt voornamelijk in het Johannes-evangelie als de Zoon van God op, die des Yaders zaak voor het aangezicht der menschen handhaaft. Zijne gezindheid is dezelfde, die de Vader heeft; zooals de Vader gewerkt heeft in de Heilige Geschiedenis van weleer, alzoo werkt ook de Zoon, Joh. 5 : 17 —19. Zulk eene Goddelijke nederbuiging, om zielen te zoeken en te bekeeren, welke wij uit het Oude Testament reeds kennen, komt hier ons weder tegen in Jesus. Het bidden, roepen en bezweren der Wijsheid Gods, Spr. 1 : 20; 8 : 9, het roepen door Zijne Profeten hooren wij hier weder uit den mond van Gods Zoon. Alles is berekend op verteedering van het hart des menschen. Hij treedt hun tegen in den weg, waarop zij den afgrond toesnellen; Hij laat Zich van hen terugstooten en afwijzen, eindelijk aan het kruis nagelen: of zij wellicht op zoodanige wijs hunne zonden zouden mogen erkennen. Voornamelijk kunnen wij in het Evangelie van Johannes zulk eenen strijd van Jesus met het volk nagaan. Hij stelt Zich aan de grootste beleedigingen bloot, slechts om hen te overtuigen. Dit alles geschiedt in de onderstelling, dat zij eenigszins op de hoogte zijn. Jesus wil hun geene nieuwe leer brengen of met woorden van menschelijke wijsheid tot hen komen. Wordt Hij dan eindelijk miskend en teruggestooten, dan spreekt Hij in gelijkenissen, die alleen Zijne discipelen verstaan, Matth. 13; bij Johannes echter zeer actueel en op den man af. Ook bij de Synoptici (Mattheiis, Markus en Lukas) treedt Jesus op met de prediking: Bekeert u en gelooft het Evangelie. Het Evangelie is den menschen bekend, dit behoeft men hun niet meer te zeggen, Hij wil slechts den volke aanleiding geven, dat zij in Hem het doel der belofte erkennen. Door het geloof, dat Jesus Gods Zoon is, de ware Verlosser van zonden, door dit geloof verkrijgt de geraakte de zekerheid van de zondenvergeving, Mark. 2 : 3—11, zoo ook de zondares, Luk. 7 : 48. Beiden staan nu voortaan als rechtvaardig voor God op grond van de verklaring van J e s u s ; door het geloof aan het Evangelie wordt de mensch rechtvaardig verklaard voor God. Luk. 18 : 14 prijst het Goddelijk ontfermen; het kan echter door geene ver- • dienste des Parizeërs verworven worden ; het staat er zoo mede, dat zelfs de onwaardige tollenaar nader bij de genade is, dan de van goede werken opgezwollen Farizeër. Zoo goed zal niemand zijn, dat is de leer van de gelijkeuis, dat Hij de genade Gods voor zich verdienen zou. Daarmede leert Jesus de rechtvaardiging uit het geloof. De genade wordt den tollenaar niet geweigerd om zijner zonden w i l , zij wordt slechts den gene geweigerd, die om zijner werken wil haar niet meent noodig te hebben. De Heere veroordeelt den Parizeër met al zijn bidden en goede werken.
Eveneens eisclit Jesus bij den boom, die goede vruchten zal voortbrengen, dat hij eerst goed moet verklaard worden, Matth, 12 : 33. Zooveel is zeker, dogmatisch heeft Jesus het volk niet onderwezen, noch aangaande het een, noch aangaande het ander. Hij zocht den toegang tot hunne harten, zooals bij de Samaritaansche vrouw, om haar tot den waren vrede te brengen, om haar te bevrijden uit de strikken van haar zondig leven. Joh. 4 : 1 0 ; 6 : 2 9 ; 8 : 1 9 . In zoodanig streven goot Jesus menige | oude kennis in nieuwen vorm. Nikodemus leert Hij de nieuwe geboorte; in plaats van bij de besnijdenis te blijven, drukt hij op de besnijdenis des harten. Zoo spreekt Hij van de wedergeboorte, welke noodig is, om in te gaan in het Koninkrijk Gods, Joh. 3 : 5. Deze gedachte spreekt Jesus eveneens u i t , waar Hij zegt, dat de kwade boom eerst goed moet worden, Matth. 12 : 33_ De natuurlijke geboorte maakt niet bekwaam voor het Koninkrijk Gods, — daarmede wordt aan Nikodemus alle valsche roem afgesneden. Zijne afstamming van Abraham wordt hem uit dehand gerukt; hij moet wedergeboren worden en wel uit water en Geest. Water beteekent hier de doop van Johannes. Ook Jesus eischt eene wassching, die tot de nieuwe orde der dingen behoort, evenals de deur tot het huis. Hij steunt daarbij op de beloften der Profeten, b.v. Ezechiël 36 : 25. De herstelling van Israël werd daarop gegrond bij Ezechiël, dat God rein water op hen sprengt. Dit water was bedoeld. De doop liet echter den ouden mensch ondergaan en den nieuwen opstaan. (Ilom 6.) Zulk een doop moeten de beroemde leeraars ondergaan. Wij zien: Jesus gaat direct op den persoon af; hij, die zich voor den leeraar Israëls had gehouden, moet d a a r , waar de Heidenen stonden, gaan staan en met hen tot heerlijkheid komen.
Maar niet door water alleen, ook door den Heiligen Geest komt de wedergeboorte tot stand. Ook dit was bij de Profeten beloofd voor den toekomenden grooten dag, Ezecli. 36 : 27; Jer. 31 : 33.. Hetgeen uitwendig de doop aanschouwelijk maakt, dat voert in het binnenste de Geest u i t , namelijk opstanding na ondergang. Zulk eene wedergeboorte is op geenerlei wijs eene nieuwe leer. Reeds de besnijdenis leert het tegendeel. Door dezebesnijdenis wordt het natuurlijke kind van Abraham een toebehoorende aan den Verbonds-God, waarnaar God hun God en zij Zijn volk zouden zijn. Zoo groote dingen brengt de besnijdenis aan. Wie echter Gods kind is, die in een' staat is, waar liet heet: God is hun God, en zij zijn Zijn volk, die is in alle geval wedergeboren. Jerem. 4 : 3 , 4; Ezech. 18 : 31; Hosea 10 : 12; Ps. 51 : 12, 13; Ps. 143 : 18.
De wedergeboorte is ondersteld, waar Hosea den volke de bede in den mond legt, dat God zijn man moge zijn, waarop dan het volk het antwoord ontvangt: Ik ondertrouw u Mij in gerechtigheid, Hosea 2 : 16—20. Alzoo is ook hier de wedergeboorte verondersteld. Allen, die met God in verbond zijn, zijn wedergeboren. Van zulk eene wedergeboorte spreekt Ps. 1 1 0 : 3 . I n den zendings-psalm (Ps. 87) ziet de zanger, hoe in de Godstad nieuwe geboorten uit alle volken plaats vinden. Daarmede is eene geboorte aangegeven , die terugleidt tot God door verbintenis met Hem, en wel door den Messias, wordt Zion in staat gesteld deze andere kinderen voort te brengen. De bekeering dec Heidenen wordt hier onder het beeld der nieuwe geboorte verheerlijkt. Israël heet dan met betrekking tot deze volken de eerstgeboren zoon, Hos. 1 1 : 1 . God had hem gegenereerd reeds ten tijde van Abraham, en aan hem het teeken der besnijdenis gegeven. In Egypte heeft God Zich hem als Vader betoond, toen Hij hem verloste uit de hand van Farao, en het kostte Paraö zijnen eerstgeboren zoon, omdat hij dezen eerstgeboren zoon van God niet wilde laten trekken. Vergel. ook Jes. 66 : 9.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

6. Het getuigenis van Jesus aangaande de deelgenooten van Zijn Rijk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken