Bekijk het origineel

Overdenking van Openb. Joh. 1: 5b, 6.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Openb. Joh. 1: 5b, 6.

12 minuten leestijd

„Hem, die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters, Gode en Zijnen Vader; Hem zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen."

„ J e s u s C h r i s t u s h e e f t ons l i e f g e h a d " , zóó doet de Heilige Geest der Gemeente Gods getuigen. De Heilige Geest doet dit. Uit zichzelve toch zou de Gemeente er geene vrijmoedigheid toe hebben. Recht en vrijheid hiertoe zijn genade-gaven. En, merken wij het wel op: Hjj leert niet in de eerste plaats te zeggen: „wij hebben Jesus lief." Neen, volgens het onderwijs op de school des Heiligen Geestes is het niet: eerst ik en dan Hij, maar juist omgekeerd: Hij, Hij! Jesus Christus treedt geheel en al op den voorgrond, en door het eigen ik wordt eene streep gehaald. Getuigt ook de Gemeente Gods: „wij hebben Hem lief', dat is niet met aanmatiging, in roem des vleesches gezegd, maar naar den eenvoud der liefde, welke verootmoedigt, verbrijzelt, klein maakt voor den Heere. Daarom volgt ook op de getuigenis: „wij hebben Hem lief": „omdat Hij ons e e r s t h e e f t liefgehad." Allen, die door den Heere geleerd zijn, zijn zoo verbrijzeld door en vervuld van Z i j n e liefde, dat zij van hunne eigene liefde niet gewagen kunnen, — integendeel, zy veroordeelen en verootmoedigen zich wegens hun liefdeloos, hard en koud hard, beschuldigen zich, dat zij de liefde Gods en van Jesus Christus hunnen Heere nooit naar waarde loven en prijzen.
H i j heeft ons liefgehad, Jesus Christus. Zijne liefde is eene gansch uitnemende, geheel éénige liefde, die nergens mede kan vergeleken worden; want niemand heeft meerdere liefde dan Deze, Die Zijn leven stelt voor Zjjne vrienden. (Joh. 15:13). En dat waren geene vrienden in zichzelven aangemerkt, geene menschen, die eenige aantrekkelijkheid, iets beminnenswaardigs in zichzelven voor Hem hadden, — integendeel, zij waren vijanden van Hem, zij waren zondaars , groote zondaars, onreine lieden, van wie Hij Zijne reine oogen moest afwenden. Nochtans, Hij heeft hen liefgehad, ja met eene eeuwige liefde. Lang voor zij geboren waren, lang voordat zij van Hem hoorden, eerdat zij Hem begeerden als hunnen Zaligmaker, vóór zij behoefte aan Hem hadden als den Gezalfde Gods tot hunnen Profeet, Priester en Koning, toen had Hij hen lief. In den eeuwigen vrederaad Gods, toen de eeuwige Zoon des eeuwigen Yaders het op Zich nam, om in den tijd van God afgevallene zondaars, die zich in eeuwigen dood en verdert hadden gestort, te redden, te verlossen van zonde en dood, t o e n had Hij h e n l i e f .
De liefde van Jesus Christus is dan de liefde Gods, die vroeger was dan ons bestaan, vroeger dan onze zonde, — en die ons in ons leven op aarde, terwijl wij daar neerliggen dood door de misdaden en zonden, in schande en smaad, in vloek en verdoemenis, voorkomt, en zonde en misdaad, haat en vijandschap opheft en wegneemt; eene liefde, die alles bedekkende spreekt: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.-' Zijne liefde is dan door niets van ons verwekt of verdiend; integendeel, wij hebben alles gedaan wat haar tegenstond en griefde, en naar recht haar moest verkeeren in eeuwigen toorn. Wij hadden het alles zoo bedorven, en hadden onszelven zoo bedorven en onrein gemaakt, dat er ten eenenmale niets innemends, niets bekoorlijks of behagelijks aan ons was; alles in en aan ons moest ons doen schuwen en mijden, moest ons doen verstooten en verwerpen. Maar Hij had lief, omdat Hij liefhad; het was vrijwillige, ongehoudene, onverplichte liefde; het was louter ontferming, vrije gunst alleen.
In deze liefde sprak Hij, komende in de wereld: „Ik heb lust, o Mijn God! om Uwen wil te doen", d. i. Ik heb het met blijdschap aanvaard, om al de Mij gegevenen des Vaders te redden, te verlossen uit de macht der zonde, des doods en der hel In deze liefde verliet Hij, ia de volheid des tijds, den troon Zijner heerlijkheid, om Zich in onzen armen, ellendigen stand te begeven, daalde vrijwillig in den afgrond onzer verlorenheid neer, om juist zóó op te zoeken en zalig te maken wat verloren was. In deze liefde leed en streed Hij hier in de dagen Zijns vleesehes, en heeft het kruis verdragen en de schande veracht, is gehoorzaam geworden tot in den dood, j a , den dood der kruises. In deze liefde heeft Hij, nu gezeten aan de Rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen, niet opgehouden, en houdt niet op, om met Zijn Woord en Geest te zoeken het verlorene, verdwaalde schaap, dat Hij wél in eeuwigheid kende, maar dat Hem nog niet als zijnen Herder kent, — en Hij rust niet, voordat Hij het gevonden en in Zijne armen genomen heeft, om het te brengen en te doen grazen in de goede, groene, vette weide Zijns Evangelies. — In deze liefde vervolgt Hij den van Hem vliedenden, den afkeerigen, vijan^igen, naar Hem niet vragenden mensch, dien Hij evenwel tot Zijnen vriend verkoor, en Hij rust niet, voordat Zijne liefde den harde en weerspannige verbrijzeld heefl en overmocht. In deze liefde waakt Hij met eeuwige, trouwe zorg over Zijn erfdeel, opdat het niet verslonden worde door zonde en wereld, door dood en hel, maar opdat het eeuwig zalig zij met Hem, opdat het te Zijner tijd aanschouwe de heerljjkheid, waartoe Hij het verlost heeft.
Welk eene heerlijke, uitnemende, wonderbare liefde! Heeft Hij ook mij liefgehad? heeft Hij ook mij lief? Ja, die vraag moet geschieden! Voorzeker, wij kunnen niet te groote en te ruime gedachten hebben van de liefde des Heeren Jesus. O, Hij heeft zulk een ruim hart! Hij is niet gekomen, om de wereld te veroordeelen, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. Niettemin, algemeene genade leert het Evangelie Gods niet. Zóó heeft de Heere Jesus, de getrouwe Getuige gesproken: „Al wat Mij de Yader geeft zal tot Mij komen; en, die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen." Zie hier alzoo tegen valsche rust, uit verkeerde begrippen over '8 Heeren liefde, gewaarschuwd, en anderzijds moed gegeven, aan al wie slechts ruste heeft voor zijne ziel, waar hij zich in Jesus' liefdehart geborgen weet.
Of de Heere Jesus ook u heeft liefgehad en liefheeft? — gij, die daarnaar in oprechtheid vraagt: het antwoord, dat niet bedriegt, waarop gij u zeker verlaten kunt, verkrijgt gij niet door uw doen of door uwe gestalte te wegen, ook niet door u allerlei kenteekens door menschen te laten voorschilderen, — met het eene zoowel als met het andere komt gij bedrogen uit. — Het antwoord, waarachtig en getrouw, ontvangt gij alleen van den Heere Jesus Zeiven; Hij heeft het gegeven in Zijn Woord, in hetgeen Hij gedaan heeft en is voor arme verlorene zondaren. In Zijn Woord en Zijne daden ligt het bewijs Zijner liefde. Aanschouw Zijn kruis op Golgotlia. Daar heeft Hij gebloed! Voor wie ? Aan eenen moordenaar, die tot Hem riep : „Heere! gedenk mijner!" verzekerde Hij den ingang met Hem in het paradijs. Hoor Zijn woord: de Zoon des menschen is gekomen, om op te zoeken en zalig te maken wat verloren was. En staat van Hem niet geschreven: Hij zal Zich over Zijne ellendigen ontfermen, en: Op dezen zal Ik zien: op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn Woord beeft"? En heeft het niet van Zijne liefde: „want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddeloozen gestorven"? Maar ach, ik ben zoo'n groot zondaar, het zjjn niet anders dan zonden en wederom zonden, die ik in mij ontdek?! Klaagt gij dat den Heere Jesus? Hij antwoordt u: Ik heb geweten, dat gij vau den buik af een overtreder genaamd zijt. En dat heeft toch Hem niet verhinderd om lief te hebben. — Maar, Hij heeft toch geen behagen in de zonde! O neen, in tegendeel; Zijn vermaak, Zijn welbehagen is liet, om van de zonde te verlossen: of drukt dat Zijn Naam Jesus niet uit: „Hij zal Zijn volk zaligtnaken van hunne zonden"? Daarom getuigt Zijne Gemeente door den Heiligen Geest van Hem: D i e ons v a n o n z e z o n d e n g e w a s s c h e n h e e f t in Zjjn b l o e d . Dat is juist Zijne eenige, wonderbare liefde, dat Hij eenen armen mensch niet om zijne zonden verwerpt, en ook niet in zijne zonden laat liggen, maar dat Hij tot zondaars Zich heeft nedergebogen, juist dezulken in Zijne eeuwige liefde heeft opgezocht en opzoekt, om hen van al hunne zonden te verlossen.
Naar Zijne eeuwige liefde zoekt Hij geene rechtvaardigen, geene vrome, geene brave en deugdzame lieden, die zich van de n grooten hoop der zondaren afscheiden, om in hunnen eigengerechtigen waan heilig voor God te leven; neen, — maar het is zooals Hij gezegd heeft: „Da gezonden hebban den medicijnmeester niet van 1100de, maar die ziek zijn ; want Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering." Dat is juist Zijn ambt, dat is naar het welbehagen Zijner liefde, om van zonden af te wasachen, te reinigen, te verlossen. Juist daar, verheerlijkt Hij Zijne liefde, waar Hij van zonden vrijmaakt. Zondaren en geen heiligen zijn dus het geschikte voorwerp voor den Heere Jesus. Wij lezen immers van Hem, toen Hij in de dagen Zijns vleesches rondging, alom goeddoende, dat Hij „aanzat met de zondaren", en daaraan ergerden zich de vromen dier dagen vreeselijk. Trouwens zoo gaat het nog heden; al wie niet zondaar voor God is gemaakt, ergert zich aan eenen Jesus, Wiens Naam luidt: Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden, — ergert zich aan eenen Christus, in Wiens gerechtigheid voor God goddeloozen rechtvaardig gerekend worden, niet werkende, maar geloovende. Wie echter voor den Heere zonden, niets dan zonden heeft, mag zich verheugen in het Evangelie: „Die ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed."
Dat is toch Evangelie, eene blijde boodschap voor dezulken, die zonden hebben; dit getuigenis legt toch de Heilige Geest alléén den zoodanigen in hart en mond. Wat predikt het dus? In de eerste plaats, dat wij zonden hebben; alzoo wat ons aangaat, spreekt het van niets anders dan van zonden, die niet vreemde zijn, maar onze zonden. En welke zijn deze al? O, te veel om op te noemen. Daviil bad: „Zoo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat; Heere ! wie zal bestaan ?" en wederom: „Wie zou de overtredingen kunnen tellen? reinig mij van inijne verborgene afdwalingen!" — Onze zonden zijn de tallooze en voortdurende overtredingen van Gods heilige geboden met gedachten, woorden en werken, alle voortkomende uit deze ééne zonde, onzen afval van God, onze ongehoorzaamheid. Och, wij steken geheel en al in de zonde, ons innigste IK deugt niet voor den Heere; ons denken, willen en begeeren, 'tis alles tegen God in. Onze gansche zondige aard, met al wat er aankleeft en uit voortkomt, al die onreinigheden, hoovaardij en onverstand, dat zijn onze zonden. Mitsdien zijn wij vloek- en doemwaardig, hebben niets anders verdiend dan eeu wiglijk onder den toorn Gods te verzinken. Veroordeelt gij dan uzelven, en stelt gij God in het recht? geeft gij het Woord des Heeren gelijk, waar het u alzoo uwe zonden bloot- Ie gt ?! Zoo ja, dan geeft datzelfde Woord, het Evangelie Gods, u ook in de tweede plaats dit te getuigen : „Die ons van onze zo nden gewasschen heeft in Zijn bloed." Jesus Christus heeft ons van onze zonden gewasschen, d.i. gezuiverd, gereinigd. Evenals h et water de onreinheid des lichaams wegneemt, zoo heeft de Heere J esus ons van de onreinheid onzer zielen gereinigd, zoodat wij in des Heeren oog zijn, zooals geschreven staat: „Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood ala karmozijn, zij zullen worden als witte wol"; m. a. w. zóó dat wij in het oog des Heeren, in Zijn g ericht zijn louter gerechtigheid en heiligheid, Zonder vlek, onberispelijk en onstraffelijk.
En wat heeft ons zoo gemaakt ? H e t b l o e d J e s u C h r i s t i . In Zijne bloedstorting voor ons naar de gerechtigheid Gods, is ons zondig, onrein leven voor Zijn heilig aangezicht weggenomen, en zoo heeft Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven teweeggebracht; zoo hebben wij de verlossing door Zijn bloed, nl. de vergeving onzer 'misdaden. — Alzoo de afwassching, de reiniging onzer zonden is niet door eenig werk van ons geschied, maar zij is het al onze verdiensten buitensluitend vrijmachtige werk des Heeren Jesus Christus. Zij is Zijne liefdedaad, naar het eeuwig voornemen der genade. En d i t : „Hij b e e f t ons gewasschen," predikt ons eenerzijds, dat het eene voor achttien eeuwen op Golgotha volbrachte zaak is, anderzijds, dat het eene blijvende daad is, die eeuwiglijk geldt. — Zoo getuigt dan dit Evangelie van eenen menscli: hij is vol zonden, gansch onrein; nochtans: hij is rechtvaardig, hij is rein, — volkomen rein; zijne kleederen zijn gewasschen in het bloed des Lams.
(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Overdenking van Openb. Joh. 1: 5b, 6.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken