Bekijk het origineel

Eene betrachting over Psalm 118.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eene betrachting over Psalm 118.

8 minuten leestijd

Onze dierbare en hooggeprezen Heiland en Heere, Jesus Christus. Die, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden heeft, en alzoo geheiligd zijnde, allen dengenen, die geheiligd en in den smeltkroes der ellende uitverkoren gemaakt worden, eene oorzake der eeuwige zaligheid geworden is, — Hij heeft tot al Zijne jongeren, niet één uitgesloten, gezegd: „Wie achter Mij komen wil, die verloochene zichzelven, neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij." (Luk. 9 : 2 3 ) Moge Hij, Die dat gezegd heeft, en Die van de Zijnen roemt, dat zij Zijne stem hooren, ons alzoo genadig en barmhartig zijn in onze jammerlijke vreesachtigheid, opdat wij ons door het zwakke angstvallige hart en den duivel niet doof laten maken voor zulk eene genadige, getrouw waarschuwende stem! Als Hij zegt: „wie Mij volgen wil", zoo staat Hij dat volgen den ellendigste, den onwaardigste toe, die in den angst zijner ziel niet weet, waar hij anders henen zal gaan, — eenen iegelijk, wieu het om woorden des eeuwigen levens, die Hij alleen heeft, te doen is.
Hij bewijst het ons evenwel met woord en daad, dat Hij voorgaat. Hij zegt niet, dat wij Hem moeten v o o r g a a n , alsof Hij ons aan het gevaar blootstellen wilde. Hij zegt: wie Mij v o l g e n , wie achter Mij gaan, wie achter Mij komen wil; Hij gaat dus voor; Hij gaat het eerst in den slag tegen wreede vijanden, om, schijnbaar overwonnen, de zege weg te dragen ; Hij gaat het eerst in den dood, om stervende den dood te overwinnen, en dat doet Hij niet voor Zichzelven, maar omdat de Vader het alzoo wil, om allen, die anders den eeuwigen dood zouden moeten sterven, van den dood en door den dood tot het leven te voeren. Achter Mij, zegt Hij; het gevaar neemt Hij op Zich. Hij zal der slang den kop vermorzelen, om ons voorts te noodigen, dat wij onzen voet op den vertreden kop zetten, zonder vreeze, dat die ons nog zal kunnen bijten. Terwijl Hij echter voorgaat, wil Hij van degenen, die Hem achteraan gaan, drie stukken: dat zij zichzelven verloochenen, hun kruis op zich nemen dagelijks, Hem navolgen. Het zichzelven verloochenen bestaat daarin, dat men alles, wat het eigen ik opgeeft, om van Hem weg te loopen, om Zijnentwil prijs geeft. Het kruis, dat men op zich nemen moet, is de strijd, waardoor wij dagelijks aangevochten worden, om ons het geloove te rooven; den strijd moeten wij dag aan dag met lijdzaamheid over ons laten koinen, en ter wille daarvan ons onzen Heirvoerder niet van voor onze oogen laten wegtooveren. Het Hem navolgen bestaat daarin, dat wij in deze wereld geen ander lot begeeren, dan hetwelk Hij gehad heeft, en dat wij op het loon zien, niet van den tegenwoordigen tijd, maar op dat des eeuwigen levens.
Opdat wij nu gesterkt worden, om in deze drie stukken Hem welbeliagelijk te zijn, willen wij de woorden overwegen, waarin de zelfverloochening, het opnemen van het kruis en het zien op de eeuwige vergelding ons op de treffendste wijze voorgehouden worden.
Wij lezen die in den 118de" Psalm.
Deze Psalm behoort met de vijf voorafgaande Psalmen tot den lofzang, dien het volk Israël op den Paschadag zong, d. i. op den dag of in den nacht, als het Paaschlam geslacht en gegeten werd, toen de engel des verderfs voorbijging, en Israël uit Egypte toog.
Zooals bekend is, heeft onze Heere dezen lofzang met Zijne jongeren ook gezongen in den nacht, toen Hij verraden werd, in den nacht of tusschen de twee avonden, toen Hij zeide: Ik heb zeer begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde, — kort voordat Hij uit het aardsche Jerusalem over de beek Kidron naar Gethsémané uitging, wetende, dat Hij des anderen daags sterven zou.
Indien wij ons nu als navolgers van Christus in den toestand bevinden, gelijk wij dien in Psalm 118 beschreven vinden, bijvoorbeeld in Vers 13, dan zullen wij onszelven het best verloochend hebben, ons kruis het best dagelijks op ons nemen, en den Heere volgen, als wij n.1. op Hem, den Aanvanger en den Voleinder des geloofs, den Leidsman onzer zaligheid, zien en Hem hier hooren klagen, zingen en juichen, en het goed verstaan, dat wij hier de eigene woorden onzes Heeren vernemen, want daar leeren wij onzen nood kennen als gemeenschap aan Zijn lijden, leeren zwijgen en aanbidden, terwijl wij Zijn lijden voor ons aanschouwen, — en wij zien op Hem en op het einde, op de zege, die Hjj behaald heeft, op de kroon, die Hij verworven heeft, op de heerlijkheid, in welke Hij ingegaan is, om ons Zijner heerlijkheid in het lijden en na doorgestaan lijden deelachtig te maken.
Dankt den Heere, l o o f t d e n H e e r e , roept onze Heere ons toe, ons, die achter Hem gaan, terwijl Hij voor ons voorgaat in de golven en baren des doods. Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jesus Christus, Die ons gezegend heeft, — dat moet ons geroep zijn, terwijl wij onze bloedvaan, het kruis, hoog houden en achter den oversten Leidsman onzer zaligheid ons in de diepe wateren begeven. Looft den Heere, w a n t Hij is g o e d ; Hij is als eene zoete druif in den mond des stervenden, eene lafenis tegen al het smartelijke en bittere des doods; Hij is goed, Hij is vriendelijk; grimmigheid is niet bij Mij, dat heeft Hij Zelf gezegd; al toornt Hij ook, al bestraft Hij ook, al geeselt Hij, dat het alle leden diep gevoelen, — dan nog is Hij Vader, eeuwig Vader; het komt alles van Zijne Vaderlijke hand, Flij doet toch niet met ons naar onze zonden, Hij vergeldt ons niet naar hetgeen wij verdiend hebben.
Z i j n e g o e d e r t i e r e n h e i d is in d e r e e u w i g h e i d . Een oogenblik is er in Zijnen toorn. De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen; de .Naam des Heeren zij geloofd! De schatten Zijns huizes zijn onuitputtelijk. Hier gaat het door den vloed; wat tijdelijk, wat aardsch, wat zichtbaar is, wat voor vleesch en bloed, wat u het liefst en dierbaarst is, wordt weggevoerd, het eene verlies voor, het andere na, — maar toch, nochtans de eene genade voor, de andere na, — eeuwige genade, — bij Hem vinden wij spoedig alles weder. Dat zal Mij zijn als de wateren van Noach; bergen wijken, heuvelen wankelen, Zijne genade, Zijne goedertierenheid niet.
D a t I s r a ë l nu z e g g e , d a t Z i j n e g o e d e r t i e r e n h e i d i n d e r e e u w i g h e i d is. Hoort, het zijn de woorden van Hem, die spoedig daarna in Gethsemané met den dood worstelen zal en zoo roept. I s r a ë l ! Jakob, met wien een Man worstelt aan de beek Jabbok, een Man, voor Wien Jakob weent, met Wien Jakob worstelt om den zegen, want het is hem bang vanwege zijne vloekwaardiglieid , Jakob, nochtans Israël; — Israël, ach, die zich niet wil laten troosten, want het schijnt uit te zijn met de vorige beloftenissen; zijn weg schijnt voor den Heere verborgen te zijn, en zijn recht gaat, zooals hij klaagt, van zijnen God voorbij. Zoo zegge nu Israël, nu I k , zijn Koning, in zijne plaats en voor hem heen Mij in de diepe wateren des toorns en des doods begeef en hem Mij achteraan trek en de eeuwige verheerlijking reeds gezien en voor hem gesmaakt heb! Zoo zegge nu Israël, — en het late zich den mond niet stoppen — : Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid. De beproeving werkt lijdzaamheid, de lijdzaamheid bevinding, de bevinding hoop, de hoop beschaamt niet, zij laat niet te schande worden. Wat is Israël zonder genade, wat is genade, die niet verootmoedigt? Genade en barmhartigheid maken alles goed. Het overgeblevene van het zwaard heeft genade gevonden in Mijne oogen, zoo trekt Israël in zijne rust. Het heeft het woord en den eed zijns Gods: Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde.
Het h u i s van A a r o n z e g g e nu, dat Z i j n e g o e d e r - t i e r e n h e i d in der e e u w i g h e i d is. Het priesterlijke huis, dat aan Mozes een voorbeeld heeft, hoe God het naar Zijne heiligheid straft, wanneer de Naam des Heeren niet voor het volk geheiligd wordt door dit huis, en hetzelve derhalve dag aan dag oorzaak heeft om te sidderen en voor zijn leven te vreezen, het zegge nu en late zich den mond niet stoppen, nu Ik, de Hoogepriester naar de ordening van Melchizedek, in de plaats van Aarons huis treed, om eeuwige genade voor hetzelve te doen opgaan, het zegge nu: Uwe goedertierenheid is in der eeuwigheid! (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Eene betrachting over Psalm 118.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken