Bekijk het origineel

Overdenking van Openb. Joh, 1 : 5b, 6. (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Overdenking van Openb. Joh, 1 : 5b, 6. (Slot.)

8 minuten leestijd

„Hem, die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters, Gode en Zijnen Vader; Hem zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen."

Onrein en toch rein, zoo getuigt het Evangelie Gods van den in Christus' bloed van zonden gewasschen mensch. Dat verstaat echter de natuurlijke mensch niet. De wereld in hare wijsheid en vroomheid (hoe hoog ook geroemd) kan dit niet vatten. Het evangelie naar den mensch spreekt dan ook eene gansch andere taal. Het getuigt ook wel van reiniging door het bloed des kruises, maar alzoo, dat toch dat bloed niet genoeg is. Het leert wel een beginsel van reinheid, zoodat de gereinigde mensch nu zoowat half zondaar en half rechtvaardige is geworden, maar hij moet verder in heiligheid toenemen en volmaakt worden. Spreekt de Heilige Schrift ook van een volkomen, rein, rechtvaardig en heilig zijn, dan — zoo heet het — moet zulks beschouwd worden als het ideaal, waarnaar men met de hulpe Gods, met de kracht van Christus en Zijnen Geest streven moet. En dat streven noemt men dan: ,,het pad der heiligmaking". Maar zulk een evangelie van en naar den mensch is niet alleen troosteloos, het is niet in staat om eenen verslagenen geest op te richten, integendeel zeer geschikt om hem ganschelijk neer te drukken; — maar ook berooft en verkleint het de eere van Christus; het neemt de éénig-heerljjke waarde van Zijnen arbeid weg; het verlaagt Zijne eenige groote liefde en den prijs Zijns dierbaren bloeds: In der waarheid miskent en verloochent het het geheele verlossingswerk des Heeren Jesus. Immers, de Heere Jesua Christus heeft toch niet daartoe ons van onze zonden gewasschen in Zjjn bloed, opdat wij nu onze reinheid verder voltooien zouden door het werk en de macht onzer handen, waarbij Hij ons dan helpen zal en bijstand bieden. Geenszins! Hij heeft een volkomen werk verricht. — Dat ,,volkomene" wordt uitgedrukt, waar het luidt: „en Die ons g e m a a k t h e e f t t o t k o n i n g e n en p r i e s - t e r s G o d e en Zij n o n V a d e r . "
Tot koningen heeft Hij ons gemaakt? Koningen regeeren, heerschen, zij hebben te gebieden! En och, zegt deze en gene, die zich in den strijd tegen duivel, wereld en eigen vleesch zoo machteloos en onbekwaam bevindt, — och , ik vrees nog in dien strijd te zullen bezwijken — ik vrees nog te eeniger tijd door de hand des vijands te zullen omkomen. Ja, hij zingt een' Luther na: „met onze macht wordt niets volbracht, wij zijn terstond verloren." — Toch de Heilige Geest zegt het: „koningen zijt gij." Hoe? Wel, koningen met Christus in Zijnen troon, om met Hem te heerschen over duivel, dood, zonde en wereld, — en eiken vijand uwer zaligheid te verjagen, zoodat gij toch innerlijken vrede hebt, al is het ook uitwendig alles onrust en strijd. Nog eens hoe? Door het bloed des kruises. Zie, daarvoor gaan al de machten der hel op de vlucht. — Maar nu weet gij ook, gij zwakken en weerloozen, gij aangevochtenen en geplaagden, welke uwe macht is, wat uw wapen is, uwe toevlucht en sterkte, uw troost en zege: het is niets van u, maar het is het bloed Jesu Christi, Gods Zoon.
En zoo heeft Hij u ook tot priesters gemaakt; priesters, — om dit en dat te offeren Gode ter verzoening uwer zonden? om dit werk en dat werk te doen, ten einde den Heere te behagen ? om nu inet d e z e , dan met gene goede gestalte tot God te naderen? O neen, en nogmaals neen! maar priesters zijt gij, gij, die in het bloed Jesu Christi van uwe zonden gewasschen zijt, om voor God te verschijnen niet met de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar met het bloed des Lams, dat van alle zonde reinigt, met de éénige offerande Christi, waarmede Hij in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden. Alzoo, dat is eene offerande, dat is een komen tot God, waarbij wij onszelven veroordeelen, onze afgoden wegwerpen, al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed achten ; waarbij wjj, in verslagenheid en verbrokenheid des harten onze zonden aan den Heere geven en Zijne gerechtigheid aannemen, en prijzen Zijne eeuwige liefde, Zijne wonderbare genade, Zijne vrjje ontferming. Zie, daarbij werpen wij ons voor het aangezicht Gods met alle arme zondaren, ellendigen, hulpeloozen en radeloozen, met de goddeloozen, die den eeuwigen dood verdiend hebben, op éénen hoop, steunende naar het genadig bevel en de vrijheid Gods, op het bloed en de gerechtigheid Jesu Christi, en wij loven den Naam des Heeren:
Die in onzen lagen stand,
Ons genadig bood de hand;
Want Zijn gunst, alom verspreid,
Zal bestaan in eeuwigheid.
Zoo door Jesus Christus tot koningen en priesters gemaakt Gode en Zijnen Yader, tot Wien wij in en om Zijnen lieven Zoon, mogen opzien als tot onzen genadigen God en verzoenden Vader, weten wij van ons, wat ons aangaat, slechts dit ééne: in ons is de goddeloosheid en de machteloosheid; maar van den Heere en Zijne liefde getuigen wij: gewisselijk, in den Heere zijn gerechtigheên en sterkte, — en overwinnaars, meer dan overwinnaars, zijn wij door Hem, Die ons liefgehad heeft.
Van zulk eene getuigenis echter tracht wel alles wat zichtbaar is, ons af te houden; intusschen: niet wij, maar Hij, Jesus Christus heeft ons tot koningen en priesters gemaakt Gode en Zijnen Vader. Hij weet wel, wat er van ons, als uit ons, komt, „hoe wij stof van jongs afzijn geweest." Maar Hij, Die ons kent en te voren gekend heeft, Hij vergeet Zijne ellendigen niet. Hij houdt ons vast in Zijne eeuwige liefde en onwankelbare trouw, en daardoor verbrijzeld komt van de lippen, -wat Hij in het hart gelegd heeft: H e m zij de h e e r l i j k h e i d e n d e k r a c h t i n a 11e e e u w i g h e i d , Amen. Aan Jesus Christus behoort de eere, de heerschappij van eeuwigheid tot eeuwigheid, zóó getuigt de Heilige Geest in de Gemeente, en zoo zingt dan al het door Jeaus' bloed gereinigde volk: „niet ons, niet ons o Heere! maar Uwen Naam geef eere!" Neen, dat volk roemt zichzelven niet. Er is geene verheffing daarop, dat men den naam van „koningen en priesters" draagt. Hier is geene aanmatiging, geen zich zegenen en beroemen, dat men iets geworden is en beteekent voor den Heere; maar er is een zich verblijden in de genade als genade. Dit leeft in de ziel, en dit ligt, — hoe ook menigmaal bezwaard en neergedrukt, hoe ook bestreden en aangevochten, — hoe vaak ook klagend en zuchtend, — op den bodem des harten: met mijne heerlijkheid en kracht is het uit en voorbij, maar Hij leeft, Jesus Christus, Die ons liefgehad heeft en ons van onze zonden gewasschen heeft in Zijn bloed, en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijnen Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid! En waar die lofzegging, welke de Heilige Geest in de ziel gelegd heeft, verwakkerd wordt, — ja te midden van nood en ellende, van zonde, zwakheid, jammer en druk, te midden van duizend dooden, -— daar komt de Heilige Geest met het „Amen des geloofs" wel eens zóó het hart doordringen, dat zonde, nood en dood weg zijn, al zijn ze er nog, — dat het met alle leed en kruis voorbij is, al is het er nog; dat, terwijl men zoo even nog al de zwaarte van den last gevoelde, men opééns zich bevrijd en in heerlijke ruimte gezet vindt, en men zingt des Heeren lof, zeggende: „Gij hebt mij verlost: Gij, God der waarheid"!
J a , dat aan Jesus Christus de heerlijkheid en de kracht behoort, dat Zijns is het R j k , de heerschappij in alle eeuwigheid, — dat waarborgt en verzekert ons, dat geen zonde of wereld, dood noch hel het ooit zullen gewonnen hebben, hoe zij ook woeden en razen Jesus Christus onze Heere, Hij is Koning; gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid, handhaaft Hij eeuwiglijk Zijn Rijk; dat kan niemand en niets verstoren. En zoo handhaaft Hij, naar Zijn trouwverbond , in Zijne heerlijkheid en in Zijne kracht al de Zijnen. Van de door Zijn bloed gereinigden en verlosten zal niemand omgekomen zijn; zij allen zullen Zjjne heerlijkheid aanschouwen om eeuwig te zingen: Gode en het Lam de eere! — Wee echter allen, die de reiniging in het bloed Jesu Christi verachten, die zichzelven tot koningen en priesters maken, die eigene kracht en heerlijkheid huldigen, — voorwaar, zij hebben geen deel aan het Rijk en de heerlijkheid des Heeren Jesus Christus, — want daarin heeft Hij Zijne eere, en daarin stelt Hij Zijne kracht, dat Hij aan eenen doodschuldige genade bewijst, en een „ellendig mensch" met Zijne eeuwige heerlijkheid bekleedt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Overdenking van Openb. Joh, 1 : 5b, 6. (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 juni 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken