Bekijk het origineel

Eene betrachting over Jona 1 : 1 — 3, (Slot.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eene betrachting over Jona 1 : 1 — 3, (Slot.)

16 minuten leestijd

„En het woord des Heeren geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende: "Maak u op, ga naar de groote stad Nineve, en predik tegen haar: want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren ; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren."

Het bevel, het woord des Heeren, het woord z i j n s Gods, was tot Jona gekomen, om naar de groote stad Nineve te gaan, en daar des Heeren wil bekend te maken, — Zijn Woord, waarin het behoud der stad lag met al wat zij bevatte, om gered te worden van den dreigenden ondergang. Dat Woord was tot Jona gekomen in zeer duidelijken en verstaanbaren zin, zoodat hjj zich daarin onmogelijk kon vergissen. Jona wist het, dat tot hem het Woord gekomen was van dien God, die hemel en aarde gemaakt heeft; het Woord van Hem, die de Eéne, waarlijk Barmhartige is; dat Woord, waarin het waarachtig heil des menschen ligt. Jona wist dit bij persoonlijke ervaring, want hij was een knecht des Heeren , en wel iemand, die door den Heere uitgezonden was, om door den Heiligen Geest het Woord der profetie te brengen tot hen, die hunnen weg ganschelijk verdorven hadden, maar die de Heere nochtans niet wilde verwerpen. Jona vreesde God, zooals hij later in diepen nood zelf getuigde; zoo moest dus ook Gods Wet bij hem gelden, die in de eerste tafel vordert: „God lief te hebben boven alles," en in de tweede: „zjjne naasten als zichzelven". En toch zal het vervolg van Jona's geschiedenis ons doen zien, hoe een knecht des Heeren, een wedergeboren en bekeerd mensch, wanneer hij zich aan de tucht des Woords niet onderwerpt, in de practijk des levens die gansche Wet vergeet, daartegen ingaat, en eigen wil, zin en lust doordrijft, en dat het alzoo wel waarheid bevonden wordt, wat de leerling in den Catechismus op de vraag: „Kunt gij dit alles" — n.1. de eerste en de tweede tafel der Goddelijke Wet — „volkomen houden?" antwoordt: „Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijnen naaste te haten". (Zond. 2.) O, als het er op aankomt om in een weg van tegenspoed, miskenning en vervolging om des Woords wil het te toonen, dat de vreeze Gods en de rechte liefde tot het waarachtig heil onzes naasten in ons leeft, wie zal dan een recht trouwen man vinden? (Spr. 20 : 6.) Wie moet dan niet met ontroering zijn eigen beeld ontwaren in de discipelen, van wie wij in de ure des gevaars lezen: „Toen vluchtten al de discipelen, H e m (n.1. hunnen Heiland) verlatende? (Matth. 26 : 5fi.) Daarom Jona niet veroordeeld en onszelven vrijgepleit; maar de hand in eigen boezem, en voor onszelven toepassing gemaakt van het woord: „Zoo zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom; maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere". (Jer. 9 : 23, 24.) Die dezen roem vergeet, die het Woord loslaat, daarin niet blijft, al is hij ook overgegaan uit den dood in het leven, al is hij ook vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods, en ingezet in de Wet des Geestes des levens in Christus Jesus (Rom. 8 : 1, 2), dan is hij in zichzelven toch altijd nog gelijk een dwalend schaap, dat zich keert naar eigenen weg. (Jes. 53 : 6.) Daarom sprak de Heere Jesus tot Zijne discipelen : „Gelijkerwijs de rank geene vrucht kan dragen van zichzelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, alzoo ook gij niet, zoo gij in Mij niet blijft" (Joh. 15 : 4). En dit blijven in Hem heeft Hij nader omschreven, toen Hij tot de Joden, die in Hem geloofden, sprak: „Indien gij in Mijn Woord blijft, zoo zijt gjj waarlijk Mijne discipelen" (Joh. 8 : 31). Waar evenwel niet volhard wordt in gebed en smeeking om in geloove in het Woord te blijven, opdat dit bij ons gehandhaafd zij, daar dwalen wij aanstonds af en gaan een verkeerden weg, zooals wij dat ook zien in Jona, van wien wij lezen: „Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Hecren."
In dit „maar" ligt de gansche tegenstelling van het doen Gods en dat des menschen. De Heere, die de groote Ontfermer is, wil Zijn Woord tot het goddelooze Nineve gebracht hebben, opdat stad en volk van eenen haastigen ondergang zouden gered worden; — de mensch, die toch alleen bij de ontferming Gods kan leven, heeft niet eens zooveel barmhartigheid om het Woord des behouds daarhenen te brengen. Jona had hot bevel des Heeren vernomen: „Maak u op en breng Mijn Woord tot Nineve", en wat doet hij? Wel maakt hij zich op; wel maakt hij zich reisvaardig, — doch niet om naar Nineve te gaan, maar om weg te vluchten, zoover zich de gelegenheid er slechts voor aanbood, naar Tarsis, waarschijnlijk eene stad op de kust van het tegenwoordige Spanje. „Jona vluchtte", — zoo lezen wij — „van het aangezicht des Heeren". Alzoo wilde hij wegvluchten van Hem, van Wien hij toch wel wist, dat David gezegd heeft: „Waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Nam ik de vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook daar zou Uwe hand mij geleiden, en-.Uwe Rechterhand zou mij houden". (Psalm 139 : 7 — 10.)
Jona betaalde de vracht, hij openbaarde — zooals uit het vervolg blijkt — aan de schepelingen, waarom hij met hen wilde gaan, zoo ver mogelijk van zijn geboortegrond, en ging daarop in het schip, waar hij zich veilig en verborgen waande te zijn voor het aangezicht des Heeren. En als straks zijne medereizigers hem nader ondervroegen, waarom hij nu dan eigenlijk van des Heeren aangezicht wegvluchtte, zonder Diens wil aangaande Nineve te volbrengen, dan zal hij het hun wel voorgehouden hebben, hoe het hem onmogelijk was iets te verwachten van het Woord der prediking, waarin hij Nineve tot bekeering moest aanmanen. Schrikkelijke zonde, niet waar, van Jona, den knecht des Heeren ! Zeer zeker eene schrikkelijke zonde was Jona's gansche bedrijf; en waarom zou de Heilige Geest dit voor ons te boek hebben doen stellen? De heilige Apostel Paulus zegt: „Al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven; opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop zouden hebben" (Rom. 15 : 4). Wij hebben dus ook bij dit gedeelte van Jona's geschiedenis de hand in eigen boezem te steken. Ach, hoe vaak wenden wij onze o nm a c h t voor, om onzen o n w i l vrij te pleiten; hoe vaak spreekt onze mond het uit: „ik k a n niet!", terwijl het in het diepst van ons hart luidt: „ik w i l niet!" Onmachtig was Jona om de Ninevieten tot bekeering te brengen; maar onwillig was hij om des Heeren Woord, het middel der bekeering, tot hen te brengen. Onmachtig zijn ook wij om door werken, welke werken dan ook, als werken der wet, onze rechtvaardiging öf geheel öf gedeeltelijk bij God te kunnen verdienen; maar onze onwil komt hierin telkens aan het licht, dat wij weigeren om op het Woord Gods, met toepassing op onszelven, te letten; dat wij weigeren om waarlijk ernst te maken met het hooren en ter harte nemen van de trouwe waarschuwingen en hoogst ernstige vermaningen, die dat Woord tot ons brengt. In dezen zin riep de Heiland klagend uit over Jerusalem, de stad des grooten Konings: „Jerusalem, Jerusalem! gij, die de Profeten doodt, en steenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, ge- 1 ijkerwijs eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gij hebt niet gewild. Ziet, uw huis worde u woest gelaten" (Matth. 23 : 37, 38). Onzen onwil, om ons aan de tucht van Gods Woord te onderwerpen, en onzen eigenen wil willen wij handhaven, al hebben wij ook van kinds af leeren bidden: „Onze Yader, die in de hemelen zijt! U w wil geschiede." De zaak ligt zoo: Gods geopenbaarde wil wordt ons gegepredikt, en het wordt ons op allerlei manier voorgehouden, hoe Hij wil, dat wij door Zijn Woord, het Woord van bekeering en geloof zalig worden; maar wjj willen dat Woord niet; wij willen niet, dat genade zal heerschen, omdat w i j , met al liet onze, daarbij ten ondergaan; en d a t ondergaan, waarbij al onze deugden, werken en eigene vroomheid niet kunnen gelden, d a t ondergaan schuwen wij. Yeel liever willen wij onszelven op allerlei manier helpen, en al onzen leeftocht veel liever besteden, om door onszelven en door allerlei medicijnmeesters de doodelijke kwaal onzer harten te genezen, dan dat wij voor God in de schuld vallen, onze verlorenheid voor Hem erkennen en belijden, en alzoo, iu den nood onzer ziel, met Esthers betuiging: „Wanneer ik dan omkome, zoo kom ik om!" (Esth. 4 : 16), de hand des geloofs tegen hope op hope uitsteken om den zoom van des Heilands kleed aan te raken, opdat de Geest Zijns levens ons doorstroome in onzen dood. Het Woord onzes Gods komt tot ons, het Woord van Iiem, voor Wiens rechterstoel wij eenmaal geopenbaard zullen worden (2 Cor. 5 : 10); dat Woord roept het ons toe: „Ga, o mensch! in het groote Nineve van uw eigen hart, en predik daar tegen uzelven: m i j n e boosheid is opgeklommen voor God; i k ben voor Hem verloren; Zijne heilige Wet verdoemt mij en veroordeelt mij in al mijn doen en laten!" Maar wat doen wij? Wij doen als de landvoogd Pelix (Hand. 24 : 25) en schuiven die prediking van ons, meenende, dat er gelegener tijd zal komen, en wij doen dat, omdat wij ons aan dat Woord niet willen onderwerpen, met dat Woord wel te velde willen trekken tegen onzen buurman, maar niet tegen onszelven, opdat o n ze ongerechtigheid ontdekt worde, opdat in waarheid door het Woord de genade kome, en de genade g e n a d e blijve. Het Woord des Heeren moest gebracht worden tot het zeer afgodische Nineve. Zoo komt datzelfde Woord tot het Nineve onzes harten, waarin allerlei afgoden van begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid der oogen, en grootschheid des levens in grooten getale gevonden worden. Wij moeten dat Woord, dat levende Woord onzes Gods, op onszelven toepassen, en met dat Woord zoolang en zoodanig prediken tot het Nineve van ons eigen hart, dat wij vanwege den schrik des Heeren en vanwege de heerlijkheid Zijner Majesteit, al onze afgoden, welke wij gemaakt hebben, om ons daarvoor neer te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen. (Jes. 2 : 21, 22.) Doen wij dat? Gij, die in haat en nijd inet uwen naaste leeft, predik het in het Nineve uws harten, dat God den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid haat, en zulks alles voor doodslag houdt, en dat geen doodslager, zoolang hij zich tot God niet bekeert, het Koninkrijk der hemelen kan beërven. Gij, die onrechtvaardig verworven geld of goed van uwen naaste in uw bezit hebt, predik het in het Nineve uws harten, dat een dief terug te geven heeft, wat hij onrechtmatig verwierf, hetzij met geweld of schijn van recht, als met onrecht gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door eenig middel van God verboden. Gij, die den Naam des Heeren uws Gods ijdellijk gebruikt, of het toelaat, dat het geschiedt door uwe kinderen of onderhoorigen, predik het in het groote Nineve van uw eigen hart, dat er geene grootere zonde is, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams, waarom Hij ook dezelve met den dood te straffen bevolen heeft. Gij, die den Sabbatdag ontheiligt door het bezig zijn in de dingen, die tot uw dagelijksch bedrijf of beroep behooren, of die den Sabbatdag ontheiligt door niet naarstiglijk te komen tot de Gemeente Gods, om Gods Woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken, God den Heere openlijk aan te roepen, en den armen christelijke handreiking te doen, predik het in het groote Nineve van uw eigen hart, dat de Heere ons den Sabbatdag geschonken heeft, opdat die ons eene verlustiging in Hem zoude zijn, om in te gaan in de rust, die Hij voor Zijn volk heeft bereid. En wat uw werk op den Sabbat betreft om geld te verdienen, gelooft het, dat het geld, dat gij op den Sabbatdag en uw dagelijksch werk verdient, u nooit zal verrijken, maar dat daarvan geldt, wat de Profeet zegt: „Wie loon ontvangt, die ontvangt dien loon in een doorgeboorden buidel '. (Haggai 1:6.) — Gij, die aan uwe ouders en alle wettig over ons gestelde overheid niet gehoorzaam zijt, predik liet in het groote Nineve van uw eigen hart: God wil, dat ik mijnen vader en mijne moeder, en allen, die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij aan hunne goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hunne zwakheid en gebreken geduld liebbe, aangezien het Gode belieft ons door hunne hand te regeeren. (Heidelb. Catech. Yr. 104.) Gij, die door onreinen lust verteerd wordt, of wier oogen vol zijn van overspel, predik hét aan het groote Nineve van uw eigen hart, dat a l l e onkuischheid van God vervloekt is; en dat wij daarom, derzelve van harte vijand zijnde, kuisch en tuchtelijk moeten leven, hetzij in den heiligen huwelijken staat of buiten denzelven. Wie onzer is tot di t predikambt niet geroepen ? W^ie onzer moet niet tegenover elk der geboden Gods van zichzelven betuigen, war de melaatsche moest uitroepen: „onrein, onrein" (Lev. 13: 45). Wanneer wij zoo ons moeten opmaken en henengaan, om te prediken tot het groote Nineve van ons eigen hart, daar komen met de prediking, waarbij het niet gaat om de letter, maar om den Geest der genade, opdat die bij ons heerschappij liebbe en Gods Woord bij ons gelde in al ons doen en laten, wie zijn wij dan ? Ach, dan loopen ook wij veel liever weg, zoo verre ons onze voeten slechts dragen kunnen, en betalen den vollen vrachtprijs, staan alles toe, wat gevraagd wordt door hen, die ons van den rechten weg des Heeren afvoeren. Wanneer het Woord tot ons komt, en dat bij ons moet gelden; wanneer dat Woord waarachtige reformatie bij ons te weeg wil brengen van hart en zin en wandel; wanneer dat Woord ons behouden wil door ons waarlijk aan de kernverdorvenheid van ons hart te ontdekken, dan doen wij als Jona en vluchten er voor weg. Zoo is de toestand des menschen door den val, waardoor wij God, die ons ware leven is, hebben verlaten en op paden des doods zijn gekomen. Daarom vluchtte ook Adam van de plaats, waar de Heere gewoon was met hem te spreken, en verborg zich in het dichtst van het geboomte, toen de Heere hem opzocht en tot hem Zijn Woord deed komen, waarin des zondaars heil en weg ligt. I)at Woord komt ook tot ons, en zalig hij, die door den Heere zoodanig wordt gevoerd en geleid, dat hij daarop acht neemt als op een licht, schijnende in eene duistere plaats ; want ook hier geldt het : „Een hoorend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja die beiden" (Spr. 20: 12). Die intusschen op dat Woord geen acht neemt, die niet opmerkt, terwijl de hand der genade is uitgestrekt, die den raad des Heeren tot zijn behoud verwerpt en Zijne bestraffing niet gewild zal hebben (Spr. 1 ; 24, 25), die zal zijn oordeel dragen; want de Heere, als de opperste Souverein, behoudt Zijn recht om van den mensch te eischen, dat hij in overeenstemming zij met Zijne heilige Wet en goed gebod. Maar ziet hierin nu de genade onzes Gods: Hij weet wel, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn, en daarom heeft Hij uit eeuwige liefde en vrije ontferming Zijnen Zoon in ons vleesch-zijn, in onzen van God afgekomen toestand doen ingaan, opdat H ij de Wet vervullen en gerechtigheid, genade en eeuwig leven verwerven zou voor wat verloren is. Tegenover de prediking der Wet, die ons den dood aankondigt, wanneer wij door het „doe dat!" willen leven, komt nu tot ons de prediking der genade, de blijde boodschap, dat in het machtig woord op Golgotha: „Het is volbracht!" ons eenig en eeuwig behoud ligt, omdat de Heere, de getrouwe God des Yerbonds, de Waarachtige is en blijft voor hen, die in hunne verlorenheid en in hun verzinken Zijnen Naam aanroepen. Kunnen wij dit niet vasthouden en van onszelven niet gelooven, wanneer wij op onszelven zien, en daarin altijd weer Jona's beeld terugvinden; trachten duivel, wereld en ons eigen vleesch ons altijd den uituemenden troost te ontrooven, dat ons doorkomen hierin berust, dat God getrouw is (1 Cor. 1 : 9.) en de eenige Waarachtige; o, laten wij tegen al deze vurige pijlen d i t schild van Gods Woord opheffen: „Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, n. 1. in Zijnen Zoon Jesus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven" (1 Joh. 5 : 20). Naar deze trouw, naar dit waarachtig-zijn zal Hij handelen; Zijn werk in stand houden bij allen, die hunne verlorenheid gevoelen, en die zichzelven moeten veroordeelen en wegwerpen voor Zijn aangezicht. Zoo zal Hij allen, die Hij voor de Zijnen erkent, wel thuis weten te brengen van al hunne afzwervingen , en uit het zelfgekozen land der ballingschap. Hij zal ze trouwelijk en veilig geleiden, al gaat het hier ook door menige diepte en het graf des doods henen; want wat hun ontvalle, en wat hun ook begeve, d i t blijft vast staan:

De volle losprijs is betaald,
De kwijtbrief afgegeven;
God spreekt van Zijn genadetroon:
'k Berust in 't offer van Mijn Zoon,
Hij leeft, en gij zult leven."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 september 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Eene betrachting over Jona 1 : 1 — 3, (Slot.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 september 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken