Bekijk het origineel

Eene betrachting over Psalm 118. (Vervolg).

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eene betrachting over Psalm 118. (Vervolg).

14 minuten leestijd

Zoo worden wij door den troost des Heiligen Geestes er spoedig toe gebracht, aan onze eigene gestalte niet te denken, die den Heere toch niet welbehagelijk zijn kan, en van onze machteloosheid af te zien, in welke wij niet tot Hem gaan noch Hem te gemoet komen kunnen, ja ons zelfs niet tot IIem heen en in Zjjne tegenwoordigheid denken kunnen.
„Uw Koning komt tot u." Hij is de uwe, zoo zijt gjj de Zjjne. Hij is uw Koning, zoo zijt gij Zijne koningin.
Hij is Koning, en IIem is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde; Hij kan en wil en zal u volkomen verlossen. Hij wil geene gestalte hebben, gelijk gij geene gestalte hebt. Zelfs zal de gestalte, in welke Hij tot u komt, voor het oog der wereld smakeloos en lachverwekkend zijn, daarom rijdt Hij niet op paarden en wagens, maar op een ezelsveulen, op een ruigharig dier. Zoo komt Hjj naar het uitwendige zelfs niet met koninklijke macht, gelijk anders de koningen plegen te doen; daarom moet gjj alle vreeze voor Hem afleggen. Het ezelsveulen kan Hem niet dragen; nog niemand had er op gezeten; zoo draagt Hij dan het veulen, terwijl Hij er op rijdt. Naar het uitwendige ziet hier alles lachverwekkend en machteloos uit; die echter gelooft, ziet hier weldra den Koning in Zijne schoonheid en macht, ziet hier spoedig zijnen Immanuël, God met ons, waarachtig mensch en waarachtig God in éénen Persoon, ziet Zijne Goddelijke macht, terwijl Hij op het veulen rijdt, tot troost, dat Hij ook ons met Zijne hoogheid en majesteit niet terneder drukken, niet verbreken, maar ons helpen wil; ziet Zijne schoonheid, terwijl Hij onze verachtelijke gestalte aanneemt, om van ons onzen vloek en al onze zonden weg te nemen.
Zoo mogen wij dan van IIem, Die tot ons komt, getroost zeggen: „In den Heere Heere hebben wij gerechtigheden en sterkte", en van Hem alle goeds, ja de waarachtige, volkomene verlossing en eeuwige zaligheid verwachten, terwijl Hij ons toeroept: „Juich en verblijd u, gij dochter Zions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Heere." Zach. 2 : 10.- Door zulk eenen toeroep versterkt en getroost zjjnde tegen alle treurigheid en vreeze voor verwerping, straf en gevaar, roept de Gemeente Hem te gemoet de woorden van den Psalm, in Vers 26: „Gezegend zij Hij, D i e daar komt in den Naam des Heeren."
In het Evangelie van Lukas, Hoofdstuk 19 : 37, lezen wij naar het Griekseh : „Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren", en in Mattheüs 21 : 9 : „Geloofd zij, Die daar komt in den Naam des Heeren". Wij kunnen dus niet met degenen medegaan, die de woorden dus opvatten : Hij, Die daar komt, zij gezegend in den Naam des Heeren. De woorden in de Evangeliën zijn klaarblijkelijk aan den 118Je" Psalm ontleend, en niet aan den Profeet Maleachi Hoofdst. 3 : 1, en wij mogen er geene ander'e beteekenis aan toekennen, dan zij bij de Evangelisten hebben.
Hij, Die hier gezegend of geloofd wordt, is Jesus Christus, is de Koning der dochter Zions, met Zijn Rijk van genade, gelijk het aan David toegezegd werd, en als er staat, dat Hij in den Naam des Heeren komt, zoo wil dat zeggen, dat Hij in de machtsvolkomenheid Zijns Yaders, des Vaders in de hemelen, van den God des eeuwigen verbonds komt; dat Hij komt in het vleesch, met de Hem van den Vader gegevene macht over alle vleesch, om allen, die de Vader Hem gegeven beeft, het eeuwige leven te geven en daartoe te voleinden het werk, dat de Vader Hem te doen gegeven heeft, Joh. 17 : 2 en 4. Dienovereenkomstig beeft Hij van Zichzelven getuigd : „Dezen heeft God de Vader verzegeld," Joh. 6 : 27.
Laat ons nu de woorden afzonderlijk overwegen.
„Geloofd of gezegend zij Hij," namelijk de Koning Jesus Christus, zooals de Gemeente zingt:
Geloofd, die komt in 's Heeren Naam!
Wij, Christnen, zeegnen U te zaam
U, Vredevorst, der vadren wensch
U, Zaligmaker, God en mensch!
Dit „geloofd" ol' gezegend zijn is eerstelijk eene belijdenis van den diepen nood en angst der ziel, waarin de Gemeente zich bevindt, gelijk in Psalm 130 gezegd wordt: „Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Heere, boor naar mijne stem; laat Uwe ooren opmerkende zijn op de stem mijner smeekingen. Zoo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat: Heere! wie zal bestaan?" — Het is eene belijdenis, dat het met onzen roem van eigene gerechtigheid, heiligheid en deugden, ja van al onze werken, van al ons doen, bedenken en streven uit is; dat wij zondaren zijn en de heerlijkheid derven, die wij voor God hebben moesten; dat wij naar het vleesch niets voor God gevonden hebben, dan goddeloosheid. Rom. 3 : 23 en 4 : 5. — liet is eene belijdenis, dat wij voor God van onszelven niets te prijzen hebben, maar veeleer vanwege onze overtredingen ons bij Hem moeten aanklagen en veroordeelen. Psalm 51 : 6, en dat wij gansehelijk vloekwaardig en verdoemelijk zijn.
„Geloofd of gezegend zij Jesus Christus" — is een geroep uit den diepsten grond des harten, dat te kennen geeft, dat wij gansehelijk verdorven en verloren zijn, dat alle krachtsinspanning ons slechts overtuigd heeft van onzen reddeloozen toestand, zoodat wij dlle hoop op behoudenis en zaligworden hebben laten varen; het is een kreet uit het binnenste des harten, waarmede wij te verstaan geven, dat wij zoo vermoeid en belast zijn, dat ons geen schepsel meer met hulp of raad dienen kan; dat ons God, Christus en de genade en alle troost zoo verborgen is, dat wij meenen door God verstooten en verworpen te zijn. Een kreet is het uit de diepste diepte des harten, waarmede wij te kennen geven, dat wij in zulk eenen angst des gewetens ons bevinden, dat wij niet anders gelooven, of wij moeten voor eeuwig omkomen, zooals het in het lied luidt:
„De angst deed alle hoop mij derven;
Niets bleef mij over dan te sterven;
Ter helle moest ik zinken."
Diensvolgens hebben wij dan niets dan ellende en verderf, niets dan dood, toorn, oordeel-en straf, niets dan reddeloosheid, eeuwigen dood en verdoemenis voor oogen, en weten ook gansehelijk geen middel, om uit dezen onzen schrikkehjken toestand verlost te worden, totdat ons dit: „Geloofd of gezegend zij Jesus Christus" uit het hart en van de lippen komt. Zoo is het dan eene belijdenis, dat wij midden in den dood liggen en voor eeuwig ellendig moeten omkomen, totdat Jesus de Christus komt, en wel van Gods wege, om ons uit dien jammer, die ellende en dat verderf te verlossen.
Aan de andere zijde is het eene belijdenis, dat Hij, Jesus de Christus, alleen Zich over dezen onzen jammer wil en zal erbarmen, — eene belijdenis, dat Hij alleen ons van ons verderf verlossen kan; dat Hij de eenige -\i iddelaar en Borg onzer zielen is; dat Hij alleen macht heeft om ons van onze vijanden, dood, duivel en hel te verlossen; alleen macht heeft om voor ons voor het aangezicht Zijns Vaders tusschen te treden en ons rechtvaardig en heilig in Hem voor den Vader te stellen; dat Hij alleen de onbetaalbare schuld draagt, den last dier schuld van ons afnemen kan; dat Hij alleen onzen vloek kan opheffen en ons den zegen en het leven kan wederbrengen doordat Hij zonde en vloek voor ons wordt en zoo de zonde der wereld wegdraagt.
Zoo is het dan eene belijdenis en een geroep des geloofs, dat Hij de eenige Heiland en Helper is in onzen nood. Eene belijdenis is het van het geloof, dat alleen Hij ons weder tot God brengt, ons weder met God vereenigt, God weder tot onzen God en onzen Vader maakt. Eene belijdenis, dat Hij alleen onze vrede is, dat Hij de klove, de vijandschap tusschen God en ons wegneemt, dat Hij den toorn Gods, onder welken wij tot in eeuwigheid verzinken moesten, draagt, dat Hij God met ons en ons met God verzoent; dat Hij Gode de genoegdoening brengt, die de Wet Gods van ons eischte; dat in Hem alleen wij voor God volmaakt zijn, en in Hem alleen wij aan alle eischen der heilige Wet beantwoorden; dat Hij onze gerechtigheid en heiligheid voor God is; dat de vergeving van zonden, de troost, de vrede, het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid slechts door Ilem en in Hem zijn. Een kreet van dank en leven is het dus uit den angst en de volle vertwijfeling aan gerechtigheid en zaligheid, die wij uit eigene krachten niet konden bewerken; een kreet des levens en der dankbaarheid, waar wij de blijde boodschap vernemen: Hij, van Wien gij vernomen hebt, dat Hij alleen u helpen, alleen u redden, alleen u rechtvaardig en heilig maken kan, alleen u van al uwe zonden verlossen kan; Hij, op Wien gij gehoopt, van Wien gij echter gemeend hebt, dat Hij u vanwege uw verderf niet zou willen aannemen, Hij is op weg tot uwe redding, tot uw heil, en dat niet alleen; Hij is op weg en komt tot u, om Zich geheel en voor eeuwig met u te verloven, te verbinden, met u ten volle één te worden, het uwe van u te nemen, Zichzelven, met al wat Hij is en al wat Hij voor u verwerft, voor eeuwig aan u te schenken.
Waar de blijde boodschap des heils in onze radeloosheid inkomt, waar zij als toezegging vernomen wordt, waar wij ter helle dalen moesten, daar spreekt het geloof op de belofte Zijner toekomst: Hij komt; gezegend Hij, die komt! Die daar komt, zegt de Psalm. Alle Profeten Gods, en met hen de Gemeente van alle tijden, hebben zich in hunne ellende aan de belofte Zijner toekomst vastgehouden, die belofte in het paradijs gegeven, aan de aartsvaders bevestigd en in de ceremoniën der Wet afgeschaduwd. Hoe veelvuldig vinden wij den troost en de boodschap Zijner toekomst in de Psalmen en bij de Profeten! „Totdat de Schilo (de Rust- en Vredeaanbrenger) komt", zoo sprak de stervende Jakob, „Hem zullen de volkeren gehoorzaam zijn", Gen. 49: 10. „Dat het veld huppele van vreugde en al wat er in is, dat dan al de boomen des wouds juichen voor het aangezicht des Hoeren, want Hij komt om de aarde te richten: Hij zal de wereld richten met gerechtigheid en de volken met Zijne waarheid", luidt het in Ps. 96. In Jes. 40 zegt de Heere: „Vrees niet, zeg tot de steden van Juda: Zie, hier is uw God. Zie, de Heere Heere zal komen tegen den stérke,, en Zijne arm zal heerschen; zie, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Hij zal Zijne kudde weiden, gelijk een herder.'' En in Jer. 23: 14 :„ Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis Israëls en over het huis van Juda gesproken heb." (Yergel. verder Ys. 6, 15 en 16.) In Ezechiël 34: 11, 23, 24: „Zie, Ik, ja Ik zal naar Mijne schapen vragen en zal ze opzoeken, gelijk een herder zijne schapen opzoekt, — Ik zal eenen eenigen Herder over hen verwekken, en Hij zal ze weiden, namelijk Mijnen Knecht David." In Hosea 13: 14: „Ik zal ze van het geweld der hel verlossen. Ik zal ze vrijmaken van den dood." In Joël 2: 27: „En gij zult weten, dat Ik in het midden van Israël bon, en dat Ik de Heere uw God ben, en niemand meer," en in Iloofdst. 3: 21: „En de Heere zal wonen in Zion." In Micha 5: 1: „En gij, Betlilehem Ephrata, uit u zal Mij voorkomen, Die een Heerscher zal zijn in Israël." In Habakuk 2 : 3 : „Hij zal het op het einde voortbrengen en niet liegen, Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven." In Zefanja 3: 15: „Zing vroolijk, gij dochter Zions, — de Heere heeft uwe oordeelen weggenomen ; Hij heeft uwen vijand weggevaagd; de Koning Israëls, de Heere is in het midden van u , gij zult geen kwaad meer zien." In Haggaï 2 : 8 : „Ja, Ik zal alle Heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wensch aller Heidenen." In Zacharia 2: 5: „Ik zal haar wezen, spreekt de Heere, een vurige muur rondom, en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar," en in Ys. 10: „Juich en verblijd u, gij dochter Zions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Heere." En in Hoofdst. 6 : 1 2 : „Zie een Man, wiens Naam is „Spruite", Die zal uit Zijne plaats spruiten, en Hij zal des Heeren tempel bouwen." In Hoofdst. 9: 9: „Zie, uw Koning zal tot u komen," en dan in Mal. 3: 1: „Snellijk zal tot Zijnen tempel komen, die Heere, dien gijlieden zoekt, t. w. de Engel des verbonds, aan Welken gij lust hebt; zie Hij komt, zegt de Heere der heirscharen."
Het komen, dat in dezen Psalm bedoeld wordt, is eene komst om het Ryk op te richten, dat aan David, 2 Samuel 7, als toekomstig is toegezegd geworden, het Rijk van eeuwige genade, het Rijk van vergeving van zonden en eeuwige heerlijkheid. Dit Rijk komt niet met uiterlijken praal, het is niet van deze wereld, al beheerscht het ook de geheele wereld; het is geestelijk en inwendig. Waar Jesus Christus komt, is Hij een in vleesche Gekomene, zooals Johannes in het Evangelie getuigt: „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond, vol van genade en waarheid", en in zijnen eersten Brief, Hoofdst. 4 : 2 : „Een iegelijk, die gelooft, dat Jesus Christus in liet vleesch (in vleesche) gekomen is, die is uit God." Zoo wordt dan hier de Heere niet slechts geloofd als Degene, Die komt, maar in de wijze, waarop Hij komt, namelijk in vleesche, dat is in de gestaltenis van een dienstknecht, gelijk Paulus aan de Pilippensen schrijft: „Hij heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende", Pilipp. 2: 7, en is nochtans zóó een Koning, komt I zóó als Koning tot ons, evenals Jesaia zegt Hoofdst. 52: 14: 15: „Gelijk als velen zich over U ontzet hebben, — alzoo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijne gedaante, meer dan van andere menschenkinderen", maar „alzóó zal Hij vele Heidenen besprengen." Dat is dus de beteekenis, dat Hij komt, om in de Gemeente te wonen en te verkeeren als een zoenoffer, om alles te verzoenen, te reinigen en Gode te wijden, — dat Zijne koninklijke macht, heerlijkheid en majesteit daarin bestaat, dat Hij in gelijkheid des zondigen vleesches, woordelijk: in gelijkheid van vleesch van zonde,— d w. z. dat aan de zonde overgegeven on onderworpen is, — in Z i j n vleesch de zonde veroordeelt, te niet doet, Rom. 8 : 3, de schuld en straf draagt, den toorn wegneemt, dood en duivel overwint en door Zijn volmaakt lijden, Zijne gehoorzaamheid tot den dood des kruises ons van alle ongerechtigheid verlost, en ons Zich tot een volk maakt, om Hem te dienen vrij van alle banden, ons Zichzelven heiligt tot een eigendom, onberispelijk voor God, in de liefde, en ijverig in goede werken, Titus 2: 14, en dat door Zijn bloed, hetwelk Hij in Zijne offerande aan het kruis uitgestort heeft, gelijk in Jesaia 1 : 27 staat: „Zion zal door recht verlost worden, en hare wederkeerenden (gevangenen) door gerechtigheid" en in Zacharia 9 : 11: U ook aangaande, o Zion, door het bloed uws verbonds heb Ik uwe gebondenen uit den kuil, waar geen water in is, uitgelaten. Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt; ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven", en in Jesaia 53 : „ Wij dwaalden allen als schapen, maar de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen." (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 oktober 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

Eene betrachting over Psalm 118. (Vervolg).

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 oktober 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 6 Pagina's

PDF Bekijken