Bekijk het origineel

Verklaring van Jesaja 9: 1, 2.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Jesaja 9: 1, 2.

14 minuten leestijd

„Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien ; degenen, die wonen in het land van de schaduwe des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men den buit uitdeelt."

Het is Adventstijd, d. i. de tijd, die aan de gedachtenis van de onmiddellijke komst des Heeren in het vleesch voorafgaat. Om in dien tijd de beloften des Heeren nader te betrachten, was altoos door de Kerk nuttig en heilzaam geoordeeld. S t r a k s vieren wij, indien de Heere het ons te beleven g e e f t , het Kerstfeest. Het is de wil der genade en des welbehagens des Heeren, dat wij daaraan gedenken, waarvan een Apostel z e g t : „Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijnen Zoon gezonden, geworden uit eene v r o u w , geworden onder de wet, opdat Hij d e g e n e n , die onder de wet waren, verlossen zou en opdat wij de aanneming tot kinderen verk r i j g e n zouden." Wij? J a , wij, die onder de wet zuchten, als onder een last, wel w e t e n d e , dat wij op geenerlei wijze door de werken der wet kunnen gerechtvaardigd worden. Het is de tijd, op welken onder den ouden dag de vaders reeds hebben gehoopt; naar de komst des H e e r e n hebben zij verlangd, alle Profeten en rechtvaardigen hebben zich daarover als kinderen verblijd, die eene goede gave ontvangen. Zij hebben g e b e d e n : Och, dat Israëls verlossing kwame! Och, dat Gij de hemelen scheurdet, en dat Gjj nederkwaamt om te verlossen. Nu, Hij is g e k o m e n ; — die oogen verkregen hadden door genade, hebben Hem gezien. En ook wjj hebben Hem gezien, indien wij uit den dood tot het leven overgegaan zijn, zoo wij gelooven in den Naam des Zoons Gods. Dat wij ons dan ook op Zijne komst voorbereiden! Weet gij, hoe wij ons recht vooibereiden, om H e m te ontvangen? hoe wij ons recht verheugen zullen in Zijn h e i l ? Hij heeft de hemelen gescheurd; Hij z e g t : scheurt uwe harten' Ja, als wij door genade onze h a r t e n scheuren, dan zullen wij Hem de deuren onzer harten met blijdschap openen. Indien wij hebben leeren kennen, welk een trouweloos en verdorven geslacht wij zijn, dan zullen wij H em met vreugde ontvangen. Hier wordt ons dat ook gezegd. Verkondigd wordt ons, wat Jesus voor Zijn volk is, en wat Hij het brengt. Hij maakt Zijn volk zalig van hunne zonden. Dat zullen wij zien, als wij naar aanleiding van het profetisch woord — Jes. 9 : 1 en 2 — nagaan: 1) d e n s t a a t d e s v o l k s , in w e l k e n J e s u s h e t v i n d t bij Z i j n e k o m s t ; 2) e n de w i j z e , h o e Hij a a n d a t v o l k z a l i g h e i d s c h e n k t .
W i l t gij den staat of toestand des volks kennen, in welken J e s u s het volk vindt bij Zijne komst, steek dan de hand in uwen boezem en zie, hoe melaatsch gij zijt, en gij weet dien toestand bij eigen ervaring. Zoo gij uzelven bij het licht des Heeren en Zijns Geestes ziet, zoo zult gij wel moeten zeggen : I k ben een arme, blinde en n a a k t e Heiden, al heet ik een Christen. Indien gij dat kent, dan zult gij het ook ervaren, hoe de Heere Zijnen volke de zaligheid schenkt. Hoe het bij hen gesteld is, zegt de Heere onmiddellijk vooraf. „Het land, dat beangstigd is, zal niet gansch verduisterd worden, gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan en naar het land van Naphtali aan, alzoo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der Heidenen." Hoe heeft Hij dat land heerlijk gemaakt? Door het te bezoeken in g e n a d e ! Hoe heeft Hij het gevonden ? „Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien", zegt de Profeet; zoo wandelt dan het volk in duisternis, het heeft geen licht. Het licht, hier bedoeld, is de Heere Jesus,' gelijk Hij Zelf z e g t : „Ik ben het licht der w e r e l d " ; en de Apostel Johannes (Hoofdst. 1) : „In het Woord was het leven, en het leven was het licht der menschen. Dit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch, komende in de wereld". Nog duidelijker wijst ons dit de Evangelist Mattheüs aan, Hoofdst,. 4 : „En Nazareth verlaten hebbende, is Hij komen wonen te Kapernaüm, gelegen aan de zee, in de landpalen van Zabulon en Nefthalim, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door Jesaia, den Profeet, zeggende : Het land Zabulon en het land Nefthalim, Galilea der volken. Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en dengenen, die zaten in het land en schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan." Reeds in de dagen] van Jesaia, 800 jaren vóór de geboorte des Heeren, was het volk van dit land voor een volk gehouden, in welks midden niets goeds te vinden was • het was een land, waar dood en verderf heerschte. Maar Jesaia was door den Heiligen Geest geleerd, dat de Heere allen onder de zonde besloten heeft, opdat Hij Zich aller ontferrue. Het licht des Heeren kan alleen daar opgaan, waar alle mensche. lijke licht uitgebluscht is. Juist in dezen duisteren hoek des lands zal de Heere Jesus de blijde boodschap der verlossing en der genade des levens brengen, opdat het waar zij : Het verachte der wereld heeft God uitverkoren, en dat wat niet is, opdat Hij alles te niet make, wat nog iet is in eigene oogen. Geen vleesch zal roemen voor den Heere, maar die roemt, die roeme in den Heere, dat hij Hem kent in Zijn erbarmen. Ook mij, den grootste der zondaren , is barmhartigheid geschied !
Daarin zal een iegelijk onzer moeten leeren roemen, en indien niet, zoo kan er geen vrede wezen bij God, noch in dezen tijd noch in der eeuwigheid. Dat de Heere juist in zulk een land Zijn werk begon , waar het volk heidensch was, en de zuivere leer niet verkondigd werd, maar waar men den duivel diende^ daarmee heeft Hij bewezen, dat het van des menschen zijde een afgesnedene zaak is. Bewezen heeft Hij daarmeê ook) dat Hij zulken en zulken alleen genadig wil zijn, die het voor Hem belijden, dat zij niet alleen den duivel dienen en in de duisternis wandelen, niet vragende naar het gebod des Heeren, maar dat zij z e l f duisternis zijn. (Efez. 2.) Zie dus in uw eigen liarte, — en ontzet u! Wat toch vindt gij inuzelven? Niets dan duisternis, — hetgeen den Heere mishaagt, en waarover gij uzelven ook mishaagt, indien gij recht staat voor den Heere; God is vertoornd over hetgeen Hij in u vindt. Het volk des Heeren vindt niets goed in zichzelven, het is onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, van zijne jeugd aan heeft het den Heere vertoornd met zijne zonden, nooit heeft het een gebod recht gehouden, maar alleen zwaarlijk overtreden; van nature is het vervreemd van het leven Gods, is zonder God, zonder Christus, zonder hoop in de wereld; het is een rampzalig, een ongelukkig volk buiten Jesus. (Efez. 2 : 12.)
I s er iemand, die zegt, dat het niet'zoo erg is? dat hij wandelt niet in duisternis, en altoos zijn best heeft gedaan? O, die verschrikkelijke onwetendheid omtrent het eigen harte, die onwetendheid omtrent God en de eeuwige dingen, die onverschilligheid en blindheid aangaande de hoogste belangen zijner ziel, — is dit niet een wandel in duisternis ? het verward zijn in de dingen dezer aarde door ongeloof, zeg eens, wat is dit anders dan duisternis? De Heere Christus noemt ons niet kinderen Gods, maar kinderen des duivels, en Zijn Apostel teekent onzen toestand, als hij zegt: dood door de misdaden en zonden. De duisternis is zoo groot, hare banden zijn zoo zwaar, de oogen zijn zoo blind, dat dit verderf zelfs niet gezien, niet gevoeld wordt. Almachtige genade behoort er toe, om den zondaar daarbij te bepalen. Dat de oogen geopend worden voor die duisternis, heeft de Heere verworven. Waar Hij Zich als het licht openbaart, daar wordt de duisternis als met handen getast. Daar is de klacht luid in de ziel: Mijn God, wat heb ik gedaan! hoe heb ik U zoo zwaar beleedigd met mijne zonden! Gij, o Heere, zijt altoos voor mij goed geweest, Gij hebt mij gedragen als op vleugels van arenden! Wat heb ik gedaan, dat ik mijzelven zoo verdorven en U zoo beleedigd heb! Heere, ik onderschrijf het met mijn bloed, dat ik den dood verdiend heb. — Zegt gij dat, welnu, dan zegt de Heere: Ik zal u tot een licht wezen; zie, Ik heb al uwe zonden van u genomen, en Ik heb u met Mijne gerechtigheid bekleed. In Zijn licht zien wij het licht en anders niet. Alsdan weet ik het: Jesus heeft ook mijne krankheden gedragen; Hij heeft voor mij volkomenlijk betaald en mij uit alle geweld der zonde en des duivels verlost. Dat is in geen hoek geschied. Hij heeft mij dat Zelf gezegd. Met Zijnen Geest heeft Hij mij van Zijne genade verzekerd. Een kind van God ben ik. Uit een ongehoorzame heeft Hij mij tot een gewillige gemaakt.
In zulk een toestand vindt de Heere Zijn volk, en in deze duisternis ziet het Hem; het licht gaat in zijn harte op, zooals de Apostel zegt: God Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jesus Christus (2 Cor. 4). Jesus is een groot, helder schijnend licht, en de blijde boodschap des Evangelies brengt ook groot licht aan; waar er geen vooruitzicht en geen hoop was, komt een goed vooruitzicht en eene goede hoop voor de eeuwigheid. Dat liebbeu de arme herders od Bethlehems velden door het woord der engelen verkregen : Vreest niet, u is de Zaligmaker geboren. — Gezegd wordt hier ook, het volk z a l een groot licht zien; het is dus eene belofte voor het arme volk d;s Heeren ; dat volk heeft de duisternis en de werken des duivels niet lief, het zucht er onder, het heeft geenen vrede en zegt: Zonder Jesus wil ik niet leven, en buiten Jesus wil ik niet sterven. Dat volk vergeet God niet, Hij is zijne verwachting; onverwachts zal het zijnen Jesus vinden. Kan het niet gelooven, dat het in Jesus heil heeft, het zal zich nochtans in Zijn heil verblijden. Daarom, gij aangevochtenen, bij wie het licht der oogen niet is, laat uwe hoop niet geheel varen, en rust niet, — het licht zal u nochtans opgaan, in eene ure, dat gij er het minst aan denkt.
En nu, dat groote licht is gezien, ook wij hebben daarvan gehoord, voor bijna 19 eeuwen is het opgegaan te Bethlehem. J a , wij hebben het dikwijls gehoord! Hoe is het nu, wandelen wij nog in de duisternis rustig daarheen? hebben wij hare werken nog lief? Denzulken gaat het licht niet op, die in de duisternis en in hare werken behagen vinden; de duisternis wordt grooter, en zij moeten er in omkomen. Maar dengenen gaat het licht op, die vanwege hunne duisternis en ellende in diepen nood verkeeren. O, zie toe, dat het van u niet heet: Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen (Joh. 1). Zoek het licht voor uwe ziel, eer het te laat is, en belijd het voor den Heere, dat gij een verworpene, een oproerige zijt door eigene schuld , een die den dood verdiend heeft. Van zulken zegt de Heere: D e n g e n e n , d i e wonen in het land van de s c h a d u w e des d o o d s , over d e z e l v e zal een l i c h t s c h i j n e n . Allen wonen wel in een land, waar de dood heerscht, maar allen gevoelen dat niet; allen zoeken Jesus niet, omdat zij zich buiten Hem niet ongelukkig gevoelen. Velen houden de duisternis voor het licht, den dood voor het leven. Doch weet het, het licht zal alleen over hen schijnen, die gansch zonder eigen licht zijn; het leven zal alleen het deel dergenen zijn, die het niet in eigene hand hebben, maar die door de schaduwe des doods, waarin zij verkeeren, gedrongen tot Jesus vluchten en op Jesus zien. Ja gewisselijk, dat moet ervaren worden; aan het verstand geeft het niets. Wie niet zucht: lleere, hoe word ik verlost van den dood? hoe van de banden der helle onidaan? — over die schijnt het licht niet. Zulken leeren Jesus niet kennen als hun heil. Alleen zij, die, in schuld en zonde ternederliggende, met het oog des geloofs op Jesus zien, die daar zuchten: „Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God, wanneer zal ik ingaan en voor Uw aangezicht verschijnen?'' zullen hunne bede verkrijgen.
Zou God zulken niet genadig zijn? Hij heeft Zijnen Zoon gezonden. Het licht zal over hen schijnen. Hij begeeft Zijne nooddruftigen niet! Hij heeft Zich door Zijn Woord verbonden, om hen te helpen. Hoopt op Zijne genade, Hij zal komen. De duisternis, de nood moge groot wezen, veel grooter is Hij in de macht Zijner genade. Het licht zal over hen schijnen, die in het land en scb'aduw des doods gezeten zijn. En daar de Heere hier zegt, dat Hij juist op die plaats Zijn eeuwig gezegend werk beginnen zal, waar, naar den menseh gesproken, alles uit :s, waar blinde Heidenen wonen, zoo behoeft gij niet te zeggen: zal er ook voor zulk een als ik ben, genade wezen? — ik heb den Heere te zwaar beleedigd, den duivel te lang gediend! Zie hier, wat Hij voor een genadig Koning is. Over hen zal het licht schijnen, die in de schaduwe des doods gezeten zijn! Ja, over die alleen. Den armen zal Hij goed zijn, hun gaat het licht op in de duisternis: Jesus heeft niet alleen anderen, maar ook mij genade geschonken. En nu steke een ieder de hand in den boezem met de vraag: Het licht schijnt met zijnen helderen glans, heeft het ook in den diepen nacht der verdorvenheid en duisternis mijns harten geschenen, om mij te verlichten en de duisternis te verdrijven ? Of ben ik nog een kind der duisterternis ? Zoo ja, hoe ongelukkig! Maar zalig zijn de armen van Geest, want zjj zullen kinderen Gods genaamd worden. (Slot volgt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Jesaja 9: 1, 2.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken