Bekijk het origineel

Verklaring van Zacharia, Hoofdstuk 4. (Vervolg)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Zacharia, Hoofdstuk 4. (Vervolg)

14 minuten leestijd

1. „Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het geschieden," sprak toenmaals de Heere der heirscharen, dat is de Heer, Die over alle heirscharen, aardsche en hemelsche, vijandelijke en goedgezinde, alléén bevel voert, Die dus alles bestuurt en regeert naar Zijnen raad en niet kan worden wederstaan. En zoo geschiedde het ook. Zerubbabel behoefde geen leger en geene macht; de Heere deed, wat Hij wilde, door Zerubbabel op eene wijze, zooals God dat pleegt te doen. Zichtbare legers en macht waren daar niet. De Heere betoonde het echter, dat Hij wel een onzichtbaar leger en eene onzichtbare macht had, voor het zichtbare en vijandelijke te sterk. Dit leger en deze macht is Zijn Geest. Hoe waar dit toenmaals was, blijkt wel uit Ezra, Iloofdst. 5 en uit Haggai. Hoofdst. 1: 13, 14. Bij Haggai lezen wij: „Toen sprak Haggai, de bode des Heeren, in de boodschap des Heeren, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de Heere. En de Heere verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiël. den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hoogepriester, en den geest van het gansche overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den Heere der heirscharen, hunnen God." En zoo bericht ons Ezra, Hoofdst. 5. „De Profeten, Haggai en Zaeharia echter, die in Juda en Jerusalem waren, profeteerden in den Naam des Gods van Israël. Toen maakten zich op Zerubbabel en Josua, en begonnen te bouwen het huis Gods te Jerusalem en met hen de Profeten Gods, die hen ondersteunden".
Zerubbabel heeft dus opgehouden op zijn onvermogen te zien, heeft ook niet meer naar leger en macht omgezien, noch gevreesd voor het verbod des konings, maar de Geest des Heeren verwekte zijnen geest, om het Woord des Heeren door den dienst Zijns Profeten tot hem gekomen, te gelooven en den bouw weder op te nemen; en als nu de landvoogd met alle vijanden kwamen en zeiden: Wie heeft u bevolen dit huis te bouwen en zijne muren te maken, toen weiden Zerubbabel enz. genoemd, als die het bevel daartoe hadden gegeven, „doch" — zoo heet het verder — „het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Darius kwam, en zij alsdan daarover eenen brief wederbrachten''.
En de koning liet onderzoek doen, en men vond te Aehmetha in de burcht een boek, en daarin was geschreven, dat de koning Kores in het eerste jaar bevolen had het huis Gods te Jerusalem te bouwen ter plaatse, waar geofferd werd, — en spoedig daarna kwam de brief van den koning — : „Nu gij Thathnai en Sthar-Bosnai met ulieder gezelschap, weest verre van daar. Laat hen arbeiden aan het huis Gods. Van mij is dit bevel gegeven. En welk mensch dit woord zal veranderen, een hout zal uit zijn huis gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot eenen drekhoop gemaakt worden. De God nu, Die in den hemel woont, werpe terneder alle koningen en volken, die hunne hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jerusalem is." Ezra 6 : 11, 12. Ziet, zoo geschiedde het noch door een leger, noch door macht van de zijde van Zerubbabel. Het geschiedde door den Geest des Heeren. Deze verwekte den geest van Haggai, den geest van Zaeharia, en zoo den geest van Zerubbabel, dat hij God vertrouwde en Zjjn bevel, met afzien van al het zichtbare, nakwam, — en de vijanden moesten medewerken ten goede. De Heere liet den koning Darius een bevel (bouw- en corporatie- acte) vervaardigen, waaraan de Heere gelding en werking geeft tot op den huidigen dag. En zoo werd de groote berg, de hooge macht der hel en der wereld, welke de kleine stad Gods bedreigde, letterlijk tot eene vlakte, zoodat Zerubbabel, nadat hij geloofd had, het met oogen konde zien.
Welk eene troostvolle waarheid is deze, voor Gods Gemeente evenals voor iederen aangevochtene in het bijzonder: . Noch door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal liet geschieden!" Niet door de middelen, die ons verstand alleen voor geschikt houdt, geschiedt het ooit, maar door den Geest, Die Zich van het zwakke en van het machtige bedient, Die de geweldigen bindt en de zwakken met macht aangordt, hun g,eeft, dat zij alleen op Zijn Woord zien. Zoo blijft het altoos vast, wat wij lezen in Psalm 33: De Heere vernietigt den raad der Heidenen, Hij breekt de gedachten der volken. Maar de raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht. Welgelukzalig is het volk, diens God de Heere is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. De Heere schouwt uit den hemel en ziet alle menschenkinderen . . . Hij formeert hun aller hart Een koning wordt niet behouden door oen groot lieir; . . paarden helpen ook niet . . . . Ziet, des Heeren oog is over degenen, die Hem vreezen, op degenen, die op Zijne goedertierenheid hopen De Heere is onze hulp en ons Schild. — En zoo luidt het in Psalm 68: Waarom springt gij op (benijdt gij) bultige bergen dezen (kleinen) berg (Zion) ? Dezen berg heeft God begeerd tot Zijne woning, ook zal er de Heere wonen in eeuwigheid.
Laat ons genieten de vrucht van het doen des Engels met den Profeet en van de waarheid — welke hij hens mededeelde: „Als de vijand zal komen, gelijk een stroom, zal de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten", hem wegdrijven, lezen wjj Jes. 59 : 19.
„Wij zijn het huis van Christus", schrijft de Apostel aan de Hebreën, Hoofdst. 3 : 6. „Wij, indien wij maar de vrijmoedigheid (het vertrouwen) en den roem der hoop tot het einde toe vast behouden " I)e vijand komt als een stroom; in ons is geenc kracht, maar louter onvermogen, — het vertrouwen wankelt, wij behouden den roem der hoop niet meer vast, worden voor het minst daaromtrent hard aangevochten; versaagd en mat, als wij zijn, omringd van de vijanden onzer zielen, hebben wij den moed niet ons verder op te bouwen tot een geestelijk huis en een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Zijnen Christus. 1 Petr. 2: 5. Yanwaar zal het nu geschieden, dat een iegelijk in het bijzonder, dat de geheele Gemeente verder gebouwd worde ? Heeft de belofte een einde ? De Heere laat niet varen de werken Zijner handen. Hij geeft den onvermogende overvloedig sterkte. Hij is steeds de Eerste, Die ons opwekt, gelijk een man uit zijnen slaap gewekt wordt. En dan weten het de geloovigen, dat de Heere het gedaan heeft, zoodat zij kunnen zeggen: Dat is in geenen hoek geschied, en liet zich bewust zijn, dat zulks niet op inbeelding berust. Het is juist de belofte, die, als zij uitblijft, en het den vijanden schijnt te gelukken, maakt, dat het hart bezwaard en diep bedroefd wordt, want daar heet het: „Waar is nu uw God?" Ps. 42: 11. Dan zijn wij als ingeslapen, zoodat het tot ons moet luiden: „O gjj dwazen en tragen van harte, om te gelooven al wat de Profeten gezegd hebben," gelijk de Heere Jesus ook sprak tot de beiden, die Hij opzocht, en met wie Hij wandelde, als zij naar Emmaiis gingen. Luk. 24: 25.
De Ueere laat Zijn volk niet in zijne verkeerdheid en ongeloovigheid Hij ia daar, voordat zij het vermoeden. Zijn troost is daar, terwijl zij nog treurig zijn, Zijne macht en sterkte, waar zij nog zwak zijn. De kandelaar is daar, alvorens zij nog zien^ en in Zijne genade en barmhartigheid verwerpt Hij ons niet vanwege onze zwakheid en onze twijfelmoedigheid, maar het gaat daar toe, gelijk de Engel tot Zacharia sprak: „Wat ziet gij?" en zooals liet van de Emmaüsgangers luidt: „Toen werden hunnen oogen geopend, en zij kenden Hem". Is er wel voor ons iets heilzamer en dat meer vrucht voortbrengt, dan dat wij ons voor den Heere schuldig kennen vanwege onze onwetendheid en blindheid in de dingen en wegen Gods en niet ophouden met de bede: „Heere, maak mij Uwe wegen bekend, leer mij Uwe paden, leidt mij in Uwe waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils''! (Psalm 25) en: „Heere, open mijne oogen, opdat ik aauschouwe de wonderen van Uwe W e t . " (Psalm 119.) De hoogverlichte Profeet verbergde de zonde van zijne onwetendheid niet voor den Heere, maar sprak, toen hij het gezicht had gezien : Mijn Heere, wat is dat? Wat beteekenen deze dingen? Wat wilt Gij mij daarmede leeren? Wat wilt Gij mij daarmede verkondigen in mijne droefheid?
O, hoe schoon leert de Heere daar Zijne kinderen, hoe goed weet Hij den gezonken moed op te beuren! Dit is des Heeren Woord tot Zerubbabel, ook nog tot mij en tot u : „Mijne genade is u genoeg, want Mijue kracht wordt iu zwakheid volbracht." 2 Cor. 12. O, hoe zouden wij er ooit toe komen, om met den Apostel te zeggen : „Daarom zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in nooden en vervolgingen , in benauwdheden om Christus wil, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig," zoo de Heere het ons niet toonle, wat Zijn Geest doen zal. „Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de beenen des mans; de Heere heeft een welgevallen aan hen, die Hem vreezen, die op Zijne goedertierenheid hopen." Ps. 147. Des Heeren is de macht en de sterkte, en Zijne is de wijsheid. „Des volks is te veel", sprak Ihj tot Gideon. Richt. 7 : 2. „Bij den Heere is geene verhindering om te verlossen door velen of door weinigen", heette het tot Jonathan. 1 Sam. 14 : 6. Waar wij des Heeren Woord hebben, daar kunnen wij, wanneer er met onze macht niets gedaan is, van Zijne_ hulpe zeker zijn.
Vooral tot de geestelijke opbouwing van onszelven in den Heere moeten wij het ervaren, hoe alle kracht van onze zijde verdwijnt, om dan te ervaren, hoe Zijn Woord komt en troost, en hoe gewis het is, dat het alles slechts door Zijnen Geest geschiedt, gelijk de Apostel Paulus ons daarmede vertroost: „Indien Christus in ulieden is, zoo is wel het lichaam dood om der zonde wil (het vermagalzoo niets), maar de Geest is leven om der gerechtigheid wil. Diezelfde, Die Christus uit de dooden opgewekt heeft, maakt ook onze sterfelijke lichamen levend, (om Gods wil te doen tegenover al het zichtbare) daarom, dat Zijn Geest in u woont." Rom. 8 : 10, 11.
Daarom moeten wij met onze eigene werken in den dood, opdat bij ons niets groeie, — en onze afgoden en zelfgekozene middelen en wegen zullen ons niet kunnen helpen, opdat wij aan Christus onze vrucht, dat is de vrucht des Geestes, vinden.


2. Houden wij ons bij Gods Wet en bevel, bij Zijne genade en erbarming, en zoo onze rechte plicht gedaan, trots dien, die het ons wil verhinderen, zoo zal Hij wel voor ons den weg banen, opdat onze voeten in de ruimte gaan. Want voor hen, die gelooven en op het heil des Heeren hopen, worden zeeën droog gelegd, de bergen tot een vlak veld gemaakt of in de zee geworpen, zooals de Heere gezegd heeft. De hindernissen ruimt Hij uit den weg, ja, Hij laat ze ons ten goede medewerken. Wél ons, dat de Heere ons zwakken, waar wij het werk laten liggen, vóórkomt met Zijn Woord en Zijne waarteekenen, en zóó den gezonken moed weder opbeurt, zoodat het luidt: „Met mijnen God spring ik over eenen muur." Ps. 18.
Ja, wie zijt gij, gij groote berg? gij Persen en Samaritanen, alle duivels en vijandelijke menschen, hoe ook uitgerust en met macht bekleed? Zoo bemoedigt de Heere Zijne oprechten, die niet zichzelven op het oog hebben, maar des Heeren eere, woord, belofte, Wet en gebod, ook wat den naaste alleen nuttig is. Wie zijt gij, duivel? wat zijt gij, dreigende dood en ondergang ? wat zijt gij en wat vermoogt gij, gij wereld, tegen hen, die de Heere Zich heeft uitverkoren, om Zijnen roem te verkondigen?
„Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die Heidenen, die ulieden beroofd hebben, hunne macht heeft een einde want die ulieden aanraakt, die raakt Mijnen oogappel aan, spreekt de Heere der heirscharen." Zach. 2 : 8 . En: „Gij komt tot mij met een zwaard en met een spies en met een schild, maar ik kom tot u in den Naam des Heeren der heirscharen, den God der slagorden Israël*, Dien gij gehoond hebt", sprak David tot den reus, en slingerde hem eenen gladden steen in het voorhoofd. 1 Sam. 17.
Laat de vijanden zijn wat zij zijn, — de vijanden zijn ons te sterk en te verschrikkelijk. Op des Heeren Woord echter vertrouwd, en zóó aan het werk, hetwelk God ons door Zijn Wojrd heeft bevolen, — zoo dooden wij in onszelven den vijand van ongeloof, slapheid en twijfelmoedigheid, en de Heere strekt Zijne hand uit tegen den toorn der vijanden, en Zijne Rechterhand behoudt ons. (Ps. 138: 7.) Wat God met ons heeft begonnen, laat Hij om den wille der vijanden niet varen, waartoe Hij ons heeft geroepen en geschapen, zal Hij ons geven te volbrengen, en het zal ons welgelukken. Gelijk het ook in den tekstluidt: Hij, Zerubbabel, zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen : Genade, genade zij denzelven!


3. De belofte, aan het huis Davids gegeven, moest ja en amen worden. Zerubbabel, de vorst, was daartoe geboren en geroepen, gelijk het ook tot David van Salomo, luidde: De zoon, die uit uwe lendenen zal voortkomen, die zal Mijnen Naam een huis bouwen. (2 Sam. 7.)
Gods Woord komt, zoo zoude Hij dan ook den eersten steen of hoofdsteen voortbrengen, — daartoe zullen alle vrome harten luide hunnen bijval geven, men zal niet ophouden met roepen: „Genade, genade zij denzelven," naar des Heeren woord en belofte: „Ik zal Hem Mijne goedertierenheid in eeuwigheid houden." Ps. 89: 29. En wie wenscht, dat Christus ook hem alles in allen zij, late hier den moed harden door des Heeren Woord en het geloof versterken door Zijn waarteeken, want hij zal het in zijnen goeden strijd daarhenen brengen, door de macht des Geestes, dat hij tot grond van zijn hart en van zijnen wandel voor den Heere den hoofdsteen Christus legt, — en niet alleen hij, maar alle heiligen met hem, zullen niet ophouden alzoo tot God Vader te roepen : „Heere, geef dezen hoeksteen Uwe genade, ja slechts Uwe genade, gelijk Gij beloofd hebt, opdat wij op Hem en in Zijne genade gebouwd worden, — in Zijne genade genade vinden bij U, en uit Zijne volheid ontvangen genade voor genade!"
O, de Heere houdt woord en trouwe. O, Hij laat niet varen de werken Zijner handen, kan ook niet ophouden ons daarmede te troosten dat, niettegenstaande ons onvermogen, het toch met den bouw der Gemeente, met den bouw der zielen wél zal gelukken, — dat Hij het voor ons zal voleinden, ook door ons zal voleinden, wat Ilij in .en door ons begonnen heeft, tot eeuwigen roem Zijns heiligen Naams. Daarom lezen wij Ys. 8 en 9: „Verder geschiedde het Woord des Heeren tot mij: De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijne handen zullen het ook voleinden, opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft." De Heere der heirscharen, de Heere der machten, Wien alles ten dienste staat, Die ook alléén alle omstandigheden in Zijne macht heeft, zal het daaraan niet laten ontbreken, dat Hij Zijne belofte waar maakt, en Zijn Woord keert niet ledig tot Hem weder, maar doet datgene waartoe het gezonden is, en Hij eert Zijne Profeten die Hem eeren, beide kleine en groote, en handhaaft hen tegenover den mond van allen, die leugen leeren, en tegenover alle innerlijke twijfelingen en bedenkingen der Zijnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van Zacharia, Hoofdstuk 4. (Vervolg)

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken