Bekijk het origineel

Verklaring van Zacharia, Hoofdstuk 4. (Vervolg.)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van Zacharia, Hoofdstuk 4. (Vervolg.)

22 minuten leestijd

4. In deze voorzegging ligt een sterke troost der volharding voor alle heiligen, eene verzekering, dat zij den roem der hope toch tot den einde toe vast behouden zullen. Wie met God zijne hand aan den ploeg heeft geslagen, ziet niet achterwaarts; Christus spreekt in deze profetie als Engel of Gezant des Yaders, Hij, gisteren en heden Dezelfde, en in alle eeuwigheid, is do Getuige in de wolken, Die gewis is en niet liegt. Ps. 89: 3. Door Zijnen Geest geeft Hij den Zijnen de volharding. De Satan begeert hen te ziften als de tarwe. Hij echter bidt voor ons, dat ons geloof niet ophoude. Wat de lleere den Zijnen te doen geeft, waaraan Hij hen de handen laat slaan ter eere Zijns Naams, dat zullen hunne handen ook ganschelijk voleinden. Evenals de Apostel Paulus betuigt: „Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden", 2 Tim. 4: 7. Zoo blijft het waar, wat de Heere zegt van dengene, die lust heeft aan Zijne Wet: „Hij geeft zijne vrucht op zijnen tijd, zijn blad valt niet af, al wat hij doet zal welgelukken." (Ps. 1.) „De Heere bezocht Sara, gelijk Hij gezegd had, en deed aan haar, gelijk Hij gesproken had." (Gen. 21.) „De dagen Mijns volks, heet het, zullen zijn als de (lagen eens booms, en Mijne uitverkorenen zullen liet werk hunner handen verslijten." (Jes. 65 : 22.) En: „Zegt den rechtvaardigen, dat het hun welgaan zal, dat zij de vrucht hunner werken zullen eten." (Jes. 3: 10.)
5. Gaan wij nu over tot de vijfde waarheid, welke de Profeet tot zijnen troost van den Engel vernam, om daarna Zerubbabel, den vorst, daarmede te troosten. Zoo lezen wij : „Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de oogen des Heeren, die het gansche land doortrekken."
Van deze zeven oogen lezen wij Hoofdstuk 3 : 9 : „Want zie, aangaande dien steen, dien Ik gelegd heb voor het aangezicht van Jozua, op dien éénen steen zullen zeven oogen wezen." Oogen beteekenen in de bouwkunst gaten, die in de steenen geslagen worden, waarin nagels gestoken worden, welke nagels dan in de gaten der andere steenen gevoegd worden, die op den hoofdsteen komen te liggen. De hoofdsteen, de eenige, beduidt Christus, de zeven oogen Zijne wonden; deze •wonden zijn echter levende, eeuwig versche wonden, in welke de zeven Geesten, dat is de Geest in Zijne zevenvoudige werking is. Deze zeven oogen zien wij dan ook in de zeven gaten van de oliekruik, waaruit de olie vrij in de lampen liep door de buizen, en in de zeven lampen zelve, welker vlammen door de voortdurende voeding met de olie vroolijk— dat is helder — brandden. Want door den Geest des geloofs is het bloed van Jesus Christus een bloed van eeuwige geldigheid en voortdurende werking. Deze oogen zijn dus de oogen des Heeren, d. i. van Jesus Christus. Deze doorloopen den gansclien aardbodem, allereerst het Joodsche land, daarna alle landen ; zij doorloopen den aardbodem, dat is: de Geest is met Zijne zevenvoudige genade, welke Hij uit de wonden van Christus neemt, voortdurend werkzaam, uitziende waar zulken zijn, dien het om troost bange is, die geene rust noch vrede voor hunne zielen vinden, totdat zij vergaderd zijn en op den eenigen steen, liet eenige fondament huns heils, gezet zijn voor tijd en eeuwigheid. Nu wil deze Geest hen juist op den hoeksteen gezonken weten. Alleen dan is de vreugde van dezen Geest volkomen, als de treurigen en verzinkenden den grond gevonden hebben, waarin hun anker eeuwig vast ligt, op welken zij weten, dat zij zóó vast liggen, zóó met den eenigen steen vereenigd en één geworden zijn, dat de poorten der hel hen niet meer zullen overweldigen. Daar nu de Geest Zijne treurigen alleen rustig en veilig weet op den hoeksteen, zoo zal Hij Zich steeds verheugen, zooals ook de engelen in den hemel zich verblijden over éénen zondaar, die zich bekeert, — (Hij, Die met Zijne zevenvoudige werking allen ellendigen en armen tot eene levensbron, tot sterkte en vreugde zijn wil, maar slechts dan zijn wil en ook slechts dan zijn kan, wanneer Hij hen op den eenigen steen heeft), — wanneer en zoo dikwijls Hij den aanvang ziet, dat men begint met dezen steen te leggen. Dat is het wat de Engel zegt: „als zjj het tinnen gewicht zullen zien in do hand van Zerubbabel," — het tinnen gewicht, waarmede d3 maat aan den steen gehouden wordt, opdat die recht kome te liggen. Het tinnen gewicht is de regelmaat des geloofs van des Heeren eeuwige Wet in de hand desgenen, die het Evangelie recht snijdt, opdat het fondament, de leere Christi, niet scheef kome te liggen, — anders wordt het geheele huis scheef, — maar alles vlak ligge in den Geest, en niet naar vleesch of naar de maat onzer oogen en van ons verstand, of onderstelling onzer gedachten. Want alle menschen zijn in zichzelven, hoe scherp zij ook zien, leugenaars; alleen het gewicht, het paslood, toont de ware evenredigheid of de rechtheid van het liggen.
Welk eene prediking! De Heilige Geest wil het doen, Hij zal het alles doen, Hij zal voor den ganschen bouw zorgen, en Hij, de eeuwige algenoegzame Geest, Die het alleen alles doen moet, verblijdt Zich over den geringsten aanvang, waar men slechts begint Christus als den eenigen steen met zulk eene liefde der zorgvuldigheid te leggen, dat alle duivelen en vijanden het bekennen moeten : dat ligt recht en vlak, — geen haarbreed meer neigende naar den middag dan naar middernacht. Waar de Geest, de Heilige, Zich zoo over den dag der kleine dingen verheugt, als ware het de dag van het jubelfeest, —over den dag, waarop de steen in de aarde gelegd zal worden, die steen, welken de bouwlieden eens verwierpen, alsof het geheele huis er reeds stond, —wie is hij, die dan nog dezen dag veracht of gering schat? Deze Geest, Die met de wonden, d. i. met de heilsverdiensten Christi, door de geheele wereld, werkt en alle gebeurtenissen daartoe laat medewerken, heet in onzen tekst als krachtig en tegenwoordig werkend in de voorkennis en voorzienigheid Gods. De oogen des Heeren, die den ganschen aardbodem doorloopen. Yergel. 2 Kron. 16:9.
O, mochten wij van den Geest, den Heiligen, het leeren en aannemen, voor de kleine dingen, voor den geringen aanvang in de wegen en leidingen Gods met ons_j ook de geringste genadebewijzen aan onze eigene zielen, niet alleen dankbaar te zijn en op de grooteren vertrouwend te wachten, maar ons in dezen Geest mede te verheugen. Schuwen wij het paslood niet; Hij zal niet rusten, totdat Hij hetzelve recht ziet.
Des Heeren Geest met Zijne menigerlei gaven is alzoo daar, waar het ons om den eenigen grond gaat, en is in alle landen, sterkt het geloof van Zijn volk, helpt de kleinen in hunne zwakheden op, en neigt de harten der koningen als waterbeken. Daarom, den dag niet veracht, op welken wij wel geene legermacht, geene kracht en geen zichtbaar geweld zien, maar op wolken wij toch zoo veel zien en liooren, dat Christus gelegd wordt, of dat een begin gemaakt wordt met het leggen van Christus, als den eenigen grond. Dat daar de vijanden vrij woeden! De eenige Steen zal het doen, en die daarop vallen, zullen verpletterd worden. De Geest wil, dat evenals H ij Zicli verheugt, ook wij ons met vreugde daaraan houden, dat deze eenige Steen steeds zal gelegd worden. Deze zal, waar hij eenmaal ligt, niet wankelen ; hij zal wel op zijne plaats blijven, en is alleen groot genoeg, om ons allen te dragen met onzen geheelen last. Doch de mensch verheugt zich helaas over groot geweld, groote kracht, over een groot heir, groot geloof, grooten en dapperen moed, voortreffelijke gaven, en wat hij groote genade noemt. Daar veracht men den geringen aanvang, den kleinen en kleinsten Catechismus. Niet alzoo de Geest, Hij verheugt Zich over het gezonde riet, al is het ook geknakt, over de vlaswiek, die Hij ziet, of zij ook slechts nog maar even glimt. Hij verheugt Zich, wanneer wij onze ledige kruiken in stukken werpen, Hij verheugt Zich, als het kind het „Abba" schreeuwt. Hij verheugt Zich, wanneer wij van alles afzien, wat niet de steen is, de eenige. Hij verheugt Zich van t e voreu reeds in den dag, dat de grondsteen zal gelegd worden. Op dezen Steen gezonken — en wij worden uit Zijne zeven «ogen of wonden of door den Geest der krachtdadige en voortdurend werkende heilsverdiensten van Christus met de zevenvoudige genade des Geestes overstroomd.
Zoo maakt de blijdschap des Geestes te niet, wat iets is, en •vervult met Zichzelven wat niets is. O, die aanvang, die kleine, geringe dingen — laat ons toch niet zoo licht daarheenen gaan over het kleine ea allerkleinste spruitje, en het kleinste zaadkorreltje, dat Hij tot eenen boom zal doen opwassen , die als een ceder van den Libanon zijn zal. Wie lieeft, dien wordt gegeven; de werking des Geestes spijzigt — doch slechts op den Hoofdsteen — duizenden met weinige brooden, vult uit één kruikje zoo veel ledige vaten, als men kan aanbrengen, en heiligt en reinigt van smaad en schuld •wel een geheel land op éénen dag.


Wij gaan nu over tot het beeld of gezicht, waarvan de uitlegging, nadat wij de waarheden, in het beeld uitgesproken, tot onzen troost uitvoerig hebben ontvouwd, niet ver te zoeken is.
Wij bedienen ons hierbij echter van eene andere vertaling, dan die van Luther '), en met alle recht, daar Luther zelf schreef: „Wat zal ik lang in de duisternis rondtasten? Ik tref het toch niet Ik zeg, dat ik het niet weet, en laat het stukje (hij meent in het bijzonder Ys. 12) varen, evenals andere duistere stukken meer." Zoo luidt de andere vertaling:
Ys. 2. Ik heb gezien, en zie, een geheel gouden kandelaar, «n zijn olievat boven deszelfs hoofd, en zijne zeven lampen daarop, en elke lamp had zeven pijpen, dewelken boven zijn hoofd waren.
Vs. 3. En twee olijfboomen daarnevens, een ter rechterzijde van het olievat, en een tot deszelfs linkerzijde.
Vs. 11. En ik antwoordde en sprak tot hem: Wat beduiden deze twee olijfboomen ter rechterzijde des kandelaars en aan zijne linkerzijde?
Vs. 12. En andermaal antwoordende, zoo zeide ik tot hem: Wat zijn die twee takjes der olijfboomen, die in de hand van de twee gouden pijpen zijn, die goud (de gouden olie) van zich uitgieten?
Vs. 13 Hij antwoordde mij en sprak: Weet gij niet, wat deze zijn? Ik sprak: Neen, Heere!
Vs. 14. Toen sprak Hij: Deze zijn de twee zonen (takken) van den olijfboom, die voor den Ileerscher der geheele wereld staan.
De Profeet heeft volgens deze woorden eenen geheel gouden kandelaar gezien, — dat is een kandelaar, die niet hol, maar van massief goud was. Hij moet den vorm gehad hebben, als de kandelaar, dien Mozes maakte naar het beeld, dat hem op den berg getoond was. Deze kandelaar had dus zeven armen of pijpen, die van den kandelaar uitgingen, een arm of pijp in liet midden, en drie aan elke zijde. Op deze zeven armen of pijpen was op elke pijp eene lamp, zeker eene brandende. Boven de zeven lampen was een olievat of ovaal bekken, uit welk bekken, dat daarvoor zeven gaten moet gehad hebben, zeven en zeven, dat is telkens zeven, pijpen gingen. Door deze pijpen, telkens zeven boven iedere lamp (dus in het geheel 49 pijpen) liep de olie druppelsgewijze uit het olievat in de lampen, en hield het licht of de vlammen in de lampen, voortdurend brandende. Naast den kandelaar echter stonden twee groenende olijfboomen, een ter rechter- en een ter linkerzijde van den kandelaar.
Toen de Engel hem op zijne vraag: „Wat beteekent dat?" geantwoord had: „Niet door geweld of kracht, maar door Mijnen Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen" en „Wie veracht den dag der kleine dingen, daar zich toch die zeven verblijden zullen, enz" — zou de Profeet toen het beeld verstaan hebben ? Zag de Profeet den brandenden kandelaar, zoo zag hij immers den tempel voltooid. Was de kandelaar er naar het beeld, dat aan Mozes op den berg getoond was, stond de kandelaar daar geheel van goud, zoo was voor den Heere de tempel er ook, en zou Hij de middelen ter voleindiging bij alle armoede des volks wel weten te verschaffen, gelijk Hij gezegd heeft door den Profeet Haggai (Hoofdst. 2): „Mijne is het zilver, en Mijne is het goud, spreekt de Heere der heirscharen". Voor den Heere stond derhalve de tempel als gebouwd, en het volle licht was daarbinnen. Do Heere wordt dus van menschenhanden niet gediend, Hij is het, Die het Zelf schept. Of wie had dezen kandelaar in 't aanzijn geroepen? De Heere maakt de duisternis, en Hij schept het licht. Doch hoe kon het licht er zijn, indien God niet gedachten des vredes had over Zijn volk? indien Zijn volk niet met Hem verzoend ware door het bloed des Lams, dat de zonde draagt? en hoe kon de olie, hoe kon de Geest er zijn, zoo niet de beloofde Christus, deze God der zaligheid voor Gods troon verheerlijkt was? Dewijl Hij echter als de verheerlijkte Christus daar stond, zoo moest de Geest Christi immers wel komen, en Hij was er. Het was toch volgens alle voorzeggingen alleen dezes Geestes ambt en werk, dat de beloofde Christus alles door Hem doen zoude. Was de kandelaar er, dan was er ook de troon der genade, want de lampen brandden alleen voor en vanwege den genadetroon. (Openb. 4 : 5.)
En wie hield de lampen brandende? Gewis geene menschelijke hand. Het olievat deed het; daaruit werd de olie door de pijpen zonder menschelijken dienst in de lampen geleid. En wie hield het olievat? Voorzeker geene menschelijke hand; de hemel zelf hield het olievat! — En wie bracht de olie, dubbel gereinigd, in het olievat? Ook weder geen inensch, geene menschelijke hand of kracht, maar twee gouden pijpen lieten de olie, van alle schillen gereinigd, zoodat de olie zoo zuiver was, dat zij er uitzag als goud, in het olievat en zoo in de pijpen vloeien. En wie plukte de beziën en olijven af? Wederom geene menschelijke hand, doch elke gouden pijp, die boven het olievat was, ontving de beziën, nam ze in hare hand en perste ze uit. En wie legde de beziën in iedere bovenste l'ÜP' Ook geene menschelijke hand, — er hing een tak vol beziën ter rechter- en ter linkerzijde boven het olievat. En nu ten laatste: Kon deze kandelaar ooit ophouden licht te geven? Was het niet een eeuwig licht, eene eeuwige vreugde en blijdschap? Niet menschen staan daar bij den kandelaar, om olie aan te brengen, —maar er staan twee geheele boomen. Kon het Heidendom eenen kandelaar nabootsen met eenen koperen palmboom daarbij, waardoor een kandelaar in eenen tempel een jaar lang brandde zonder menschelijke hulp, zoo kon de eeuwige Wijsheid veel meer levende hoornen aan den kandelaar doen te voorschijn komen, door wier olijven of vrucht de lampen eeuwig brandden, zonder dat een mensch er iets aan toedeed of hielp. Alle mensch, alle geweld en alle kracht van i e t zichtbare zijn hier overbodig gemaakt. „Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods", Rom. 9 : 1G. De Geest doet het alleen, en wie de Geest Gods drijft, die zijn kinderen Gods, — en daar is geene oorzaak, om te treuren of een begin gering te achten. De Geest doet het als een Geest der blijdschap en der verheuging. En er is geene oorzaak, om te zorgen, of het komen zal: het is alles daar! Eu weg met de vrees, of het zoo blijven zal! „Nu zullen wij Gode vrucht dragen". Rom. 7. Wat zonder mensehelijke hand voortgebracht en geplant is, wat zonder menschelyke hand met vreugde in gang gehouden wordt en helder brandt, dat zal ook zonder 's menschen hulp en toedoen wel in stand gehouden, wel door God brandende gehouden worden; en, zoo Hjj voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Rom. 8. De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk, Rom. 11: 29. „Zit aan Mijne Rechterhand", sprak Hij tot Davids Heer, „totdat Ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten."
Tot zoover was den Profeet na het ontvangen onderricht de beteekenis van het gericht duidelijk; hij kon alleen nog niet vatten, wat de twee olijfboomen beteekenen moesten en de twee takken vol olijven of beziën, die door middel van de twee pijpen boven het olievat die gouden of goudkleurige olie van zich lieten vloeien. Wie meent, dat hij ziet, die is blind; ! wie echter bekent, dat hij blind is, en bidt om genade en licht, dat het bij hem voortga uit geloof tot geloof, ontvangt wel verklaring der liefde tot liefde. „De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vreezen, en Zijn verbond, om hun die bekend te maken". Ps. 2 5 : 14. „U, die hoort, zal meer toegelegd worden", spreekt de Heere, Mark. 4 : 24.
De Engel sprak: Deze zijn de twee zonen (takken) van den olijfboom, die voor den Heerscher der gansche aarde staan. Het ; is nu de vraag, wat de Engel daarmede bedoelde. De Profeet had eerst-gevraagd: „Wat zijn de twee olijfboomen" en dan: „Wat zijn die twee takjes der olijfboomen in de hand van de twee gouden pijpen, die goud van zich uitgieten ? " De Engel heeft daarop geantwoord: „Weet gij dat niet? dat is met andere ! woorden: „Dat moest gij toch weten, gij zijt er immers zelf een stuk van ! " — Het is uit het antwoord des Heeren niet terstond duidelijk, of Hij met Zijn antwoord : „Deze zijn de zonen van de olie", d. i. van de zuivere, heldere olie, slechts de takken bedoeld heeft of ook de boomen. Allereerst heeft Hij de takken op het oog, die zijn immers als het ware de zonen of kinderen van den boom. Dan is het de vraag: Wie meende de Engel daarmede, en wie hebben wij dus daaronder te verstaan ?
De meeste, gebrekkige, uitleggers denken daarbij aan Jozua, den gezalfden hoogepriester, en aan Zerubbabel, den gezalfden vorst. Ik meen echter, dat wij de beteekenis van de kinderen der olie of van de boomen 'en takken naar de meening des Geestes aanwijzen, als wij daarop achtgeven, hoe de Geest die Zelf te kennen geeft in de Openbaring van Johannes Hoofdst. 1 1 : 3 . 4 : „En Ik zal Mijnen twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteeren duizend twee honderd zestig dagen, met zakken bekleed. Deze zijn de twee olijfboomen en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan." Dit is klaarblijkelijk gezegd op grond van hetgeen wij bij Zacharia lezen. De twee kandelaars bij Johannes komen overeen met de tweo gouden pijpen, die goud van zich gieten bij Zacharia. Daar nu de olijfboomen en de pijpen bij Johannes, die hij kandelaren noemt, getuigen des Heeren zijn, die profeteeren, zoo zijn zij het ook bij Zacharia. Nu waren noch Jozua, noch Zerubbabel getuigen, — die waren niet geroepen, Profeten of getuigen te zijn. Bij Johannes zijn het niet menschen op zichzelven, maar getuigenissen door twee d. i. door weinige menschen Gods gebracht. Deze getuigenissen hadden tweeërlei strooming, — de eene was blijkbaar die van Mozes, die d& Wet handhaafde en het lijden van Christus predikte, de ander» die van Elias, die van de heerlijkheid Christi getuigenis gaf. Zulks is duidelijk uit Openb. 1 1 : 4 . De eene getuigenis, geeft genadige christelijke zegeningen, sluit echter den onboetvaardigen den hemel toe, volgens Zacharia 14: 17,18, brengt dus den ongeloovigen verharding. De andere getuigenis brengt den vrede of het zwaard, oorlog en allerlei plage over de volkeren , die opstaan tegen God en het Lam, evenals onder Mozes Egypte geplaagd werd.
Zoo zijn dan ook de olijfboomen en de takken in de hand der pijpen, die goud van zich uitgieten, bij Zacharia te zamea genomen en, terwijl de werking van de takken met de olijven op den voorgrond geplaatst wordt, zijn het niet menschen op zichzelven beschouwd, maar het is de tweevoudige getuigenis of de Wet, die ons te niet maakt met onzen roem en Christus als het Lam Gods en als den éénigen Hoogepriester predikt, — en de getuigenis, dat Christus Koning en onze groote God ei* Verlosser is. Dat zijn de twee oliekinderen, die bij of voor den Heere der gansche aarde staan. En of ook al Hagcaï en Zacharia als Profeten de twee oliekinderen zijn mochten, evenals eertijds Mozes en Elias, zoo waren zij het toch niet als menschen, maar als boodschappers van Christus, als boodschappers van deze getuigenis.
De waarheid, dat Christus de Vervuiler van de Wet en deeenige Hoogepriester van Zijn volk is, en de waarheid, dat Hij onze eeuwige Koning is, Dien alle macht gegeven is in hemel en op aarde, — deze beide waarheden zijn als twee olijfboomen, zij dragen alle olie, d. i. den eeuwigen Geest in zich. Aan de beide takken wordt het gezien, dat deze en slechts deze den Geest hebben zonder maat, — de takken toch hangen vol olijven. Zoo zijn het dan de takken van het Evangelie, gelijk dit onze rechtvaardiging en heiliging of de sterkte ons doet toekomen. Jesaia 45 : 24. De hand of de mond van de pijpen neemt deze olijven in zich op, zoodat zij door zichzelven te persen de olie van zich geven. Zoo zijn dan de pijpen, die goud van zich gieten, de wegen en middelen, van welke de Geest Zich bedient, om in reinheid des geloofs, in volheid der liefde Gods en volkomenheid der genade en waarheid neder te komen. De olie komt uit de olijven, komt uit de boomen, doch hier niet onmiddellijk in de lampen, maar door de bovenste beide pijpen eerst in het olievat, dat boven de lampen is. Het olievat is de heerlijkheid van Christus. Uit de volheid Christi, van de takken, neemt de Geest den Geest dat is : Zijne menigvuldige genade en gaven, — giet ze echter niet eerst uit op den mensch met voorbijgaan van Christus, maar giet ze uit in het vat der heerlijkheid van Christus, stelt ze Hem en Zijner macht ter beschikking.
Het olievat heeft zeven gaten of oogen, en in deze gaten zevenmaal zeven pijpen, waardoor de olie eerst in de lampen komt. De verheerlijkte Christus, Die als Hoogepriester en Koning door Zijn lijden en Zijnen dood de belofte des Vaders, namelijk den Geest, verworven heeft, om als Geest des levens in Hem uit Hem voort te komen, ontvangt de volheid des Geestes, en uit de openingen of bronnen Zijner verdiensten laat Hij als verheerlijkte Christus den Geest, Die op Hem was, de zeven Geesten, zooals zij beschreven zijn Jes. 11: 2, door de pijpen, dat is door Zijne genade in de lampen, dat is in alle Zijne Gemeenten en in de harten van alle geloovigen vloeien. De vlammen, d.i. de werken in God gedaan, gelijk de tempelbouwers met de eene hand bouwden en in de andere het zwaard hielden, worden zoo steeds brandende gehouden. Zoo zijn dan de zeven lampen Zijne Gemeenten, zooveel als de Yader naar Zijn verbond en Zijnen eed aan Zijnen Christus gegeven heeft. De zeven vlammen in de kandelaars zijn de werken in God gedaan of veel meer de Geest in zevenvoudige werking, Die de werken in de Gemeente voortbrengt, — en Christus is de Kandelaar, als Gods Woord, Die als zoodanig Zijne Gemeente draagt in het Woord Zijner kracht, — en is geheel van goud d. i Hij is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs.
Godes is het huis, dat wij zijn, indien wij maar gelooven. Hij heeft het bereid, of wij er ook al niets van zien. Christus is getrouw als Zoon over het huis. — Hij doet het al door Zijnen Geest. Geweld en macht van het zichtbare zullen niets uitrichten, 'niets goeds doen, ook niet kunnen schaden. Verachten wij slechts bij onszelven den dag der kleine dingen, den dag van den geringen aanvang, niet. Is God de God der gansche aarde, zoo is de aarde Zijn, en niet in het geweld der menschen of der helle, — en staan de oliekinderen voor Hem, wie of wat zal hen doen wankelen ? Wij allen derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jesus is", Rom. 3 : 23, 24. De wet werkt toorn; zijn „gij zult" louter duisternis. Wien het daaronder om troost bang is, die zal Christus te zien krijgen, hoe Hij ons licht is, onze vrede en onze vreugde. Bij het „moeten" der wet komt geen vrucht, onze macht wordt daarbij vernietigd, onze kracht gaat in den dood. Zoo min de lampen van zichzelven licht gaven, evenmin geven de Gemeenten van uit zichzelven Gode vrucht. Blijven wij in Hem, even als de lampen aan den kandelaar, zijn wij Hem door Zijn geloof ingelijfd, zoo branden wij en geven licht in het huis Gods en voor de Vereld. Dat wij daar echter licht geven en branden, is niet ons werk, maar het werk van de olie; dat wij bouwen, ons zeiven bouwen trots hem, die het verhinderen wil, is niet ons doen, maar dat des Geestes, — is niet onze verdienste, maar liet komt alles uit de genade van Christus, uit Zijne volheid en Zijne heerlijkheid; alleen van ddaruit wil de Geest in ons vloeien, en Hij doet het ook. Zal het ons zoo ooit aan olie ontbreken? Zullen wij zoo ooit ophouden te branden? De olietakken staan immers voor den Heere der gansche aarde, evenals de groenende en veel vrucht dragende olijf boomen.
„ A l s a l l e s w a n k e l t , U w g e t u i g e n i s w a n k e l t n i e t !"
1862. H. F. K.


1) Deze Bijbelvertaling van Luther wordt, gelijk men weet, in Duitschlaod en werd dus ook d lorgaaus door den schrijver van dit stuk, wijlen Dr. H. F. Kohlbrügge, gebruikt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 10 Pagina's

Verklaring van Zacharia, Hoofdstuk 4. (Vervolg.)

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 december 1890

Amsterdamsch Zondagsblad | 10 Pagina's

PDF Bekijken