Bekijk het origineel

Eene Nieuwjaarsbeschouwing over Psalm 123

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eene Nieuwjaarsbeschouwing over Psalm 123

8 minuten leestijd

Yrede zij ulieden! Wij groeten u, die van het huis deg Heeren zijt, in het nieuwe jaar, dat wij door Gods genade weder ingegaan zijn, in den Naam Desgenen, in Wien alleen ons heil en onze zaligheid is, in den Naam van onzen dierbaren Heere en Zaligmaker Jesus Christus. Kwaad zijn de tijden, die wij beleven; de afval van den Heere neemt van dag tot dag toe, maar,, of ook de watergolven bruisen, onze hulpe staat ook nog heden in den Naam des Heeren, Die den hemel en de aarde geschapen heeft, Die trouwe houdt in der eeuwighei 1 en niet laat varen de werken Zijner handen. Voor Zijne uitverkorene Gemeente, voor ons gereformeèrd Zion, voor de kleine kudde zullen wij ook in het jaar 18SJ1 ons Blad schrijven en de wereld inzenden, getrouw onder Zijne banier. Hij, onze God, zij ons genadig, en Hij doe het werk onzer handen onder ulieden gelukkig voortgaan !
Laat ons bij het begin eenen Psalm aanheffen tot lof en eere van Hem, Die ons tot hiertoe gebracht heeft, opdat ons hart vroolijk zij in het midden van den druk en den nood van het tegenwoordige, in het midden van klachten en geween t De 123ste der Psalmen is een waar pelgrimslied, „een li ad H a m a a l o t h " , gelijk in onzen Statenbijbel het opschrift luidt, en, zooals die past voor ons, die door de kracht Gods in den Naam des Heeren Jesus Christus gelooven. Immers pelgrims zijn en blijven wij hierbeneden, wij, die in deze wereld geene blijvende stad hebben. Op de reize naar het Jerusalem, dat boven is, ontmoeten wij velerlei kruis, allerlei bitterheid en onaangenaamheid, eene menigte hindernissen, groote en machtige vijanden, vaak ook vervolging en voorts ach, hoe vele krankheden en nooden. Hoe komt men behouden door die uitwendige vijanden henen, bij welke nog komen de inwendige: de duivel en het eigen vleesch, die niet ophouden ons aan te vechten, gelijk onze kostelijke Heidelbergsche Catechismus ons dat klaar voor oogen stelt?
Komt, laat ons met onzen Psalm de o o g e n o p h e f f e n t ot D i e n , D i e in de h e m e l e n z i t . Y s l . Een geroep, een kreet om hulp tot God tegen alle hoovaardige verachters, van welke heden ten dage zoovelen het volk des Heeren omgeven, is deze Psalm, — een hulpgeroep van de Gemeente des Heeren ; want voor haar heeft de Heilige Geest dit lied aan David gegeven, opdat zij allen, grooten en kleinen, wijzen en ongeleerden het mede aanheffen. Want als één lid lijdt, zoo lijden alle andere leden van het lichaam, waarvan Jesus Christus het Hoofd is, mede. Evenals eenmaal Israël, in de ballingschap zijnde, de bespotting en de verachting en voorts den overlast der Samaritanen verdroeg, zoodat het bad: „Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn," Neh. 4 : 4, zoo valt ook heden inzonderheid weer veel spot en verachting allen ten deel, die door Gods genade godzalig willen leven, die in zichzelven als een arm, gering en verloren volk, als een overgebleven hoop, hunne gerechtigheid alleen in Christus zoeken en hebben, zichzelven verdoemende om hunner zonden wille, maar in hunne verlorenheid Hem zoekende en begeerende^ Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Maar hoezeer ook de trotsche en de eigengerechtige hier het wormpje Jakobs verdoemt, zie, daarboven in den hemel, naar welken het de oogen opheft, is Hij, Die machtiger is dan alle machthebbers dezer aarde, tot Wien alle macht dezer wereld niet reikt, Die met den sehepter Zijns Woords en Zijns Geestes Zijn volk regeert, onze Jesus, onze Koning. Daarom, zoo H i j ons slechts genadig is, zoo H i j slechts vóór ons is, schoon wij het wel nooit ons waardig gemaakt hebben, dat Hij Zich over ons ontferme, naardien wij Hem zoo tallooze malen door onze zonden bedroefd en vertoornd hebben, maar in onzen hoogsten nood tot Hem, den eenigen Redder en Behouder, gevloden zijn, — wie zal dan tegen ons zijn ? Naar de eeuwige uitverkiezing der genade heeft Hij ons tot Zijne dienstknechten en dienstmaagden gemaakt door Zijn Woord en Zijnen Geest, opdat wij Hem dienen. Wie evenwel Mij dienen wil, zegt de Heiland, die neme zijn kruis dagelijks op en volgo Mij. Dat is geen gouden of zilveren of anders kunstig vervaardigd kruis, zooals wij dat bij de Roomschen en in onze dagen ook bij vele Protestantsche vrouwen en maagden aantreffen, die, het hoog-heilig gebod des Heeren vergetende, tot sieraad zulke dingen dragen, terwijl zij nochtans in der werkelijkheid het kruis des Heeren vlieden en haten, — neen, het is het kruis, dat zwaar drukt, nu eens een kruis in huis, dan weder een kruis, dat van buiten af ons overkomt.
Indien ooit, zoo w o r d t heden ten dage het K o n i n k r i jk der h e m e l e n waarlijk weder geweld a a n g e d a a n van de zijde der vijanden van Christus, der antichristenen, en de g e w e l d i g e r s , machtigen, r u k k e n het van de geloovigen weg, gelijk eene juister vertaling te lezen geeft, Matth. 11: 12. Alles is reeds beproefd geworden en wordt nog steeds beproefd, om den dienstknechten en dienstmaagden des Heeren, en allereerst den dienaar des "Woords de handen te binden, opdat zij niet van het Koninkrijk der hemelen, van het Rijk der genade en waarheid, aan de vermoeiden en belasten getuigen kunnen. Ja, zooverre gaat men tegenwoordig in zijnen haat, dat men het in satanische verkeerdheid des harten dikwijls uitspreekt en terneder schrijft: Bijbel en predikers staan ons maar in den weg, weg er mede! Maar onze oogen zijn op d e n H e e r e onzen God, t o t d a t H i j ons g e n a d i g zij. W e e s ons g e n a d i g , o Heere, wees ons g e n a d i g, w a n t wij zijn der v e r a c h t i n g veel te zat. Onze z i e l is veel te zat des spots der w e e 1 d i g e n , der ver a c h t i n g der h o o v a a r d i g e n . Yers 3, 4. Wie u veracht, zegt de Heere, die veracht Mij, Die u gezonden heeft. Hun smaad is Zijn smaad; de beleediging, hun aangedaan, is Hem aangedaan; wat hun toegevoegd wordt, valt op den Heere terug, en Hij zal het niet ongewroken laten.
Er zijn tijden, waarin de verachting, die Gods volk te verdragen heeft, bijzonder groot is. Zoodanig zijn onze dagen, waarin letterlijk de kinderen Gods, des Allerhoogsten, met onz en Psalm in hun geroep tot den Heere zeggen moeten: W i j zijn die v e r a c h t i n g veel te zat. Want dag aan dag kan men het in de couranten lezen en in de vergaderzalen van de lieden dezes tijds beluisteren: het is uit met dat oude Christendom; het past r.iet meer bij onzen tijd, het verstaat dien tijd niet. En de geloovige Christenen, die nochtans het goede Woord Gods niet willen laten varen, en zich de belijdenis van Jesus Christus niet schamen, worden door aanzienlijken en geringen veracht en bespot. Ja, de geest, die daar is een geest van het anti-cliristendom, een geest, die daar loochent, dat Jesus de Christus is, haat het wormpje Jakobs, den armen hoop Israëls. Den Zijnen moet evenwel zulks medewerken ten goede. Het kaf wordt van het koren gescheiden. De halven worden openbaar, en die gedeeld van harte zijn, maar in de getrouwheid aan den Heere worden allen versterkt, die door ljjden en vervolging zich tot den Heere en Zijne beloftenissen hebben laten drijven. De overmaat van verachting, waarmede thans de ware Christenen ook door de vromen, de werkheiligen, die de leer als dogmatisme verachten, omdat zij hunne naaktheid zou ontdekken, als met hun dagelijksch brood verzadigd worden, dringt en drijft tot het gebed, tot liet roepen tot den Heere om Zijne ontferming. Ten slotte blijft toch voor dat Israël des H e e r e n niets dan Zijne ontferming over.
De Gemeente Gods is eene ellendige en ongetrooste, over welke alle stormen en onweders gaan* — maar zoo uwo voeten door Gods genade in hare poorten 6taan, dan weet gij ook, tot uwe vertroosting, dat Jerusalem gebouwd is, dat het eene stad is, waarin men toch, bij alle benauwdheid en plagen, verachting en vervolging op deze aarde, veilig wonen kan, want Gods Woord is daar om ons henen. Laat ons dan ook in het jaar 1891 ons houden aan den Heere en Zaligmaker Jesus Christus, iu Wien wij God tot onzen Yader hebben ; ons aan Hem houden met ons gebed, met een waar vertrouwen op de beloftenissen, die de Heere in Zijn zaligmakend en vroolijkmakend Woord ous gegeven heeft, en met de gehoorzaamheid des geloofs bij Hem volharden ten einde toe. Yoorzeker, de Heere zal met ons zijn en ons niet begeven of verlaten Daarom zij het bij ons, gelijk het heet in dezen Psalm, dag bij dag:

I k hef tot U, Die in den hemel zit,

M i j n e oogen op, en bid. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 januari 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Eene Nieuwjaarsbeschouwing over Psalm 123

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 januari 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken