Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 1:8-15

21 minuten leestijd

Hebben wij in de eerste zeven Verzen gezien, hoezeer het den Apostel daarom te doen geweest is, de geloovigen te Rome gewillig en bereid te maken, zijnen Brief met alle opmerkzaamheid te lezen, wanneer hij hun eerst voorhoudt zijne eigene zending, die hij van den Heere ontvangen had, vervolgens hunne roeping indachtig maakt, en hun dan met den innigen groet en zegen tegenkomt: „Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jesus Christus", — in de volgende acht Verzen laat hij zijne lezers nog dieper in zijn hart inzien, zijne geheele innige liefde uitsprekende, die hij voor hen koestert, en die hem dringt, ook tot hen naar Rome te komen; want deze Brief, dien hij hun toezendt, is als het ware een hem vooruitreizende bode, die hun zijne kennis van het Evangelie Jesu Christi bekend zal maken, tot hij persoonlijk bij hen komt.
Reeds lang heeft de Apostel van de geloovigen te Rome gehoord, — heeft daarvan gehoord, dat God ook daar, in dezen poel des verderfs, Zijn volk heeft, het mogen dan weinigen zijn of velen, genoeg, dat ook daar een hoopje is, dat tot het geloof in den Heere Jesus Christus gekomen en daardoor gered is uit de macht der zonde en des duivels. Daarover is de Apostel grootelijks verblijd; immers hij verblijdt zich, wanneer hij verneemt, dat het Woord zijnen loop heeft, ook zonder zijn toedoen, dat hier en daar de banier Christi geplant wordt, dat zielen gewonnen worden voor den Heere, dat de Heere God door Zijnen Heiligen Geest, Die de wereld overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel, de harten opent voor Zijn zaligmakend Woord, zoo dat het in geloove aangenomen wordt. Daarom begint hij aldus: „ E e r s t e 1 ij k", d. i. vóór alle dingen, „ d a n k ik m i j n e n God"; hij dankt Hem, geheel op dezelfde wijze, als wij het nog dikwijls vinden in zijne Brieven, bijv. 1 Cor. 1: 4, waar wij lezen: „Ik dank mijnen God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jesus", of Filipp. 1: 3, 5: „Ik dank mijnen God, zoo dikwijls als ik uwer gedenk, — over uwe gemeenschap aan het Evangelie", enz. Immers hij weet het wel: geloofgemeenschap aan het Evangelie, dat is alles eene genadegave Gods, dat kan geen mensch ziehzelven geven, dat kon hij, de Apostel, hun ook niet mededeelen, — en wanneer men dan den grooten dood kent, waarin de mensch zich bevindt, wanneer men iets daarvan ervaren heeft, hoe vleesch en bloed zich daartegen verzetten, om zich op dezen weg te begeven, om ziehzelven te laten varen en den Heere Jesus Christus aan te grijpen, hoe de gansche wereld, die in het booze ligt, vijandig zich in den weg stelt, — en men hoort dan toch, dat de genade triomfeert, dat er beweging komt in de doodsbeenderen, dat er leven komt en het geloof doorbreekt, — zal men dan daar God niet danken, van Wien toch alleen zulke genade, zulk leven komt ? Hij zegt evenwel: ik dank m i j n e n God, dat is die God, Die hem tot het ambt geroepen en hem tot hiertoe geleid en gevoerd heeft, die God, Die hem troost in al zijne droefenis, en Die hem niet verlaat, Die hem wel velerlei angst en nood doet ervaren, hem door vervolging en allerlei lijden heen voert, maar hem dan weder zulke vreugde te smaken geeft. Hij vat in dit „mijnen God" al zijne persoonlijke ervaring, die hij van God den Heere opgedaan heeft, hoe hij Hem heeft leeren kennen, te zamen. Hij dankt God „door J e s u s C h r i s t u s ", want alles is door Hem, ook het gebed, naar Col. 3: 17. En zoo ziet hij nu ook op de geloovigen te Rome en dankt zijnen God, gelijk hij zegt: „over u a l l e n " ; hij sluit niemand uit, ofschoon er toch zeker onder de geloovigen te Rome, aan wie hij dezen Brief schrijft, allerlei lieden geweest zijn, ook zulke, die een slechten levenswandel hadden, wat wjj vooral ook uit de laatste Hoofdstukken kunnen zien; hij vat hen echter allen samen om des Woords wil, dat tot hen gekomen is, ia dezelfde broederlijke liefde, en brengt voor hen allen dénzelfden dank aan God, en weet slechts van één g e l o o f, waarin zij staan, en d a t v e r k o n d i g d w o r d t in de g e h e e l e w e r e l d , — gelijk de kostelijke zalf van Maria te Bethanië het geheele huis vervulde, — zooals de Apostel ook eens aan de Gemeente te Thessalonica geschreven heeft: Yan u is het Woord des Heeren luidbaar geworden, niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook op alle plaatsen, is uw geloof, dat &:ij op God hebt, uitgegaan". 1 Thess. 1 : 8. Dat is zoo de vreugde zijns harten, wanneer hij het uit het kleine zaadkorieltje ziet opwassen, al grooter en grooter zie1 worden, al rijker en rijker, — dat het Evangelie hem als het ware vooruitgesneld is naar Rome, — want hoe dikwijls gaat het naar het Woord des Heeren: „Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait". De Apostel Johannes schrijft eenmaal: „Ik heb geene meerdere blijdschap, dan hierin, dat ik hoor, dat mijne kinderen in de waarheid wandelen". En wat is onze vreugde? waarvoor danken wij God? Is dat niet de grootste vreugde voor ouders, de grootste oorzaak tot dank aan God, wanneer zij zien, dat God hun gebed verhoort, dat in het hart hunner kinderen het leven zich roert, het geloof ontwaakt, de goede keuze gedaan wordt? Is er eene grootere vreugde, dan wanneer hij, die genade van God ontvangen heeft, vernemen mag, dat ook anderen de genade ten deel gevallen is ? Ziet, dat was de vreugde des Apostels; vandaar de dank aan zijnen God.

En juist daarom moet hij nu ook voortdurend hunner gedenken ; de gedachte aan hen draagt hij dag en nacht met zich om, en het verlangen wordt hoe langer hoe grooter, eenmaal tot hen te komen en hen van aangezicht tot aangezicht te zien, ten einde hun eenige geestelijke gave mede te deelen. Hetgeen hij echter zoo zegt, dat bevestigt hij als het ware met eenen eed, als hij God tot getuige aanroept en zegt: „God is mijn g e t u i g e " ; want ach, hij heeft het zelf reeds zoo menigmaal moeten ondervinden, hoe weinig het onder de menschen geloofd werd, dat het alleen de liefde van Christus was, die hem drong en dreef, de liefde tot den Heere Jesus Christus, de liefde tot de broederen, de liefde tot de verlorenen. De mensch, zooals hij vleesch is, gelooft toch nimmer van den Heere God, dat Hij uit louter liefde Zich openbaart; maar waar Hij komt, om ons alles uit genade te schenken, daar denken wij voortdurend, dat Hij iets van ons wil nemen! De Heere JeBus Christus moest Hij niet Zelf betuigen : „Ik zoek niet M i j n e eere;" — daarvan dus werd Hij beschuldigd. En gelijk de Heere, zoo Zijne dienaren : Mozes en Samuël moesten het eerst nog betuigen en verzekeren, dat zij niet zichzelven gezocht, niet voor zich iets verlangd hadden, — en zoo zal elk getrouw prediker zich daarop moeten voorbereiden, dat men hem in zijnen dienst met wantrouwen zal bejegenen, dat hem het verwijt zal worden gedaan, van zichzelven te zoeken, zijne eigene eer, zijn eigen voordeel. Dat had ook Paulus ondervonden ; hij kent de harten der menschen; hij vreest, dat wantrouwen den weg tot de harten voor zijn woord, zijne leer zou kuimun versperren, en daarom betuigt hij het zoo plechtig , dat enkel liefde tot hen hem drijft, en dat, wanneer hij hun ook tot dusverre nog geen zichtbaar bewijs heeft kunnen geven van deze zijne liefde en van de gemeenschap, die hij met hen in den geest hoeft, dit zijne schuld niet is. God weet het. Hij, de Hartenkenner, God, zij zijn getuige, — die God, „ W e l k e n ik d i e n in m i j n e n g e e s t , " dat is, zooals wij zouden zeggen : vau ganscher harte, uit den grond mijns harten, „in het E v a n g e l i e Z i j n s Z o o n s " . Om dezen dienst alleen ging het hem, ook terwijl hij nu aan de geloovigen te Rome schrijft; zichzelven zocht hij niet; dit Evangelie, de blijde boodschap van den Zoon Gods, verkondigde hij, niet zichzelven of eigene eer, maar Hem, Die uit het hart Gods voortgekomen is. En wanneer hij zegt, dat hij God in dit Evangelie dient, — dat wil dus zeggen, dat het Evangelie als het ware de ruimte, het gebied is, waarin hij dient, het heiligdom, waarin hij zijnen dienst verricht, dan gebruikt hij daarvoor juist een woord, dat niet zoo zeer den dienst eens knechts, als wel eenen priesterlijken dienst uitdrukt, ook daarin, dat hij juist iu dezen dienst de Gemeente en al de verstrooide kinderen Gods op het biddende hart draagt en voor God brengt. Daarom zegt hjj: God is mijn getuige, Welken ik dien in mijnen geest in het Evangelie Zijns Zoons, — h o e ik z o n d e r n a l a t e n u w e r g e d e n k . Nadat hij eenmaal van hen gehoord heeft, heeft hij hen op het hart gedragen; want wie zelf als een bedelaar genade ontvangen heeft, die moet ook voortdurend aan dien gedenken, die dezelfde zalige ervaring gemaakt heeft, die ook in den — zelfden nood geweest, en wien daarna genade en erbarming ten deel gevallen is. Wie dat niet kent, die heeft een kort geheugen, die doet gelijk de schenker van Paraö, welke Jozef zoo spoedig vergat, ofschoon deze hem zijne bevrijding aangezegd had, en gelijk Saul, die ook David vergeten had, ofschoon deze door zijn snarenspel herhaaldelijk den boozen geest van hem gebannen had. Maar de Apostel gedenkt hunner, gelijk een vader zijner kinderen, die ver van het ouderlijk huis zijn; dag en nacht komt de gedachte aan hen weder bij hem op. Zoo schrijft hij ook eens Ef. 1 : 16, 17: „Ik boude niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijne gebeden, opdat de God van onzen Heere Jesus Christm, de Valer der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijne kennis," enz. En als hij nu zoo voortdurend aan hen gedacht en daarbij hun waarachtig heil hom bezig hield, kwam meer en meer dê wensch bij hem op, om zelf eenmaal t o t hen te k o m e n ; waarom hij dan in z i j n e g e b e d e n b i d d e n d e, bij God daarom aanhoudt, of h e m m o g e l i j k n o g t e e e n i - g e r tijd g o e d e g e l e g e n h e i d g e g e v e n w i e r d , dat is, of het hem eenmaal gelukken mocht, tot hen te komen, d o o r d e n w i l v a n God, d. i. in den wil van God. Want dat heeft de Apostel reeds zoo dikwijls moeten ervaren, dat hij zijnen weg niet in eigene hand had, dat God reeds zoo dikwijls eenen geheel anderen weg met hem gegaan is, dan hij zich had voorgenomen, en dien hij naar zijne overlegging voor goed gehouden had. Eens doorreisde Paulus Prijgië en Galatië, maar hij mocht het Woord Gods daar niet verkondigen; de Geest liet het hem niet toe, — hij wilde door Bithynië reizen, ook dat werd hem verhinderd, — hij moest naar Gods wil oversteken naar Macedonië, waarheen hij eerst niet gedacht had te gaan. Dat leert men immers ook des te meer, hoe ouder men wordt, hoe men den eigenen weg uit de hand geven en toezien en het afwachten moet, hoe God den weg bereidt, opdat onze weg zij i n den wille Gods. Niet slechts het werken en arbeiden, ook het wachten en verbeiden, het bidden en smeeken behoort tot de rechte werkzaamheid der dienaren Gods. De Apostel draagt zijnen wensch den Heere in het gebed op. Doen wij dat ook met datgene, wat ons hart beweegt en vervult? Acli, wij meenen altijd, dat wij het moeten afdwingen en afpprsen, wat wij voor goed en heilzaam houden; maar God laat Zich niets afdwingen. Zwijgen wij Hem, en wachten wij het af. „Gelijk de oogen der knechten zijn op de hand hunner heeren, gelijk de oogen der dienstmaagd zjjn op de hand harer vrouw, alzoo zijn onze oogen op den Heere onzen God," zoo heet het Ps. 123: 2. Paulus is immers ook later in den wil Gods naar Rome gekomen; de weg was echter anders, dan hij het zich had voorgesteld en uitgedacht.

„ W a n t ik v e r l a n g om u te z i e n , " "Vers 11. Dat doet de liefde, het verlangen naar gemeenschap. Daarvan spreekt hij ook aan het slot des Briefs, Hoofdstuk 15: 23: „Maar nu geene plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen, zoo zal ik, zoo wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen;" en Vers 32: „Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, — nogmaals dit gezegde — tot u mag komen en met u verkwikt worde." En wanneer hij komt, komt hy niet met ledige handen. Genade is hem ten deel gevallen, zoo wil hij ook hun e e n i g e g e e s t e l i j k e g a v e , d. i. genadegave mededeelen, ten einde hen te versterken. De gave maakt vrijgevig. Heeft hij uit de volheid Christi geschept voor zichzelven, zoo wil hij ook daaruit scheppen voor anderen. Hij kent het hait Gods; waar ledige vaten zijn, en zoolang zij er zijn, zullen zij gevuld worden uit de volheid Christi. Dat behoort juist tot zijnen dienst. Hij heeft het dan ook gedaan, toen hij te Rome was. gelijk wij aan het slot van de Handelingen der Apostelen lezen: „Predikende het Koninkrijk Gods en leerende van den Heere Jesus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.'' En wanneer hij hun zulk eene geestelijke gave mededeelen wilde, ging hel hem daarom : „ t e n e i n d e zij v e r s t e r k t z o u d e n w o r d e n . " Want dat is het, wat wij voortdurend noodig hebben , wat diegenen voortdurend noodig hebben, van welker geloof overal gesproken wordt. Immers het geloof der ware geloovigen, der oprechten, is een gansch zwak ding; dat staat niet zoo \as-t en onbewegelijk als een eikeboom, maar gelijkt zoo dikwijls veel meer op een riet, dat door den wind heen en weer bewogen wordt. Yan alle zijden, van binnen en van buiten komen de verzoekingen, de aanvechtingen. Wie kan ze wederstaan ? Waar wij meenen het meest vast te staan, daar zijn wij het meest in gevaar van te vallen. „Dewijl wij van onszelven zoo zwak zijn," zegt onze Ileidelbergsche Catechismus, „dat wij niet een oogenblik kunnen bestaan, en daartoe onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch niet ophouden ons aan te vechten, wil ons toch behoeden en sterken, opdat wij in den geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen" Zoo hadden ook de geloovigen te Rome menigen aanval te verduren, vervolgingen van buiten; dan weder kwamen de zorgen : wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmede zullen wij ons kleeden, a h wij bij dit Woord, bij deze belijdenis blijven? Er kwamen aanvechtingen van binnen : mogen wij ons alleen in het geloof aan Jesus Christus houden? moeten wij niet nog de besnijdenis, de werken van het „doe dat", eene eigene heiligmaking daaraan toevoegen? als God met ons is, waatom gaat het ons dan zoo? enz. Daar wilde dan de Apostel gaarne met GodsWoord der zwakheid van hun geloof ter hulpe komen en hen versterken door hen te wijzen op de voetstappen der schapen, hoe God de Heere van oudsher de Zijnen, Zyne schapen, geleid en gevoerd heeft, dat het alles alleen eene zaak des geloofs en juist zoo eeuwige waarheid is. Nu, gelijk hij hen door mondeling onderricht dacht te sterken, heeft hij het dan in dezen Brief, dien hij vooruit zond, schriftelijk gedaan; en waar wij nu over de zwakheid van ons geloof zuchten, en het voor onszelven zoo niet aannemen en vasthouden kunnen, dat vergeving van zonden er is, en wel alleen in het bloed van Jesus Christus, dat God aan ons goddeloozen de gerechtigheid Christi toerekent, — laat ons daar dezen Brief opslaan, en niet denken, dat wij het alles reeds weten, en dezen Brief, ik weet niet hoe dikwijls reeds, gelezen hebben, — hij is geschreven, opdat wij zwakken zouden gesterkt worden.
Gevoelt de Apostel zich nu zoo gedrongen, om de geloovigen te versterken, hjj gevoelt zichzelven daarbij niet eenigermate als zoo'n geleerden professor, die zijne leerlingen verre beneden zieh ziet, maar — hoewel hij aan de eene zijde wel weet, wat hij ontvangen heeft van God, en dat het een kostbaar goed is, wat hij brengt, — is hij toch zelf niet meer dan een arme bedelaar, die voortdurend weder hulp noodig heeft, een arm dier, dat bemoedigd en getroost moet worden. Daarom zegt hij, Yers 12: „Dat i s , om m e d e v e r t r o o s t t e w o r d en o n d e r u, door het o n d e r l i n g g e l o o f , z o o het uwe a l s het mijne." Hij zegt niet: zoo het mijne als het uwe, maar omgekeerd: zoo het uwe als het mijne; het geloof der geloovigen te Rome zet hij voorop. Ja, dat heeft de Apostel zoo dikwijls ervaren, dat ervaart iedere prediker, dat ervaart zoo menig geloovige, dat, wanneer hij, zelf arm en zwak, moedeloos en versaagd, zonder geloof, zonder blijdschap, aan anderen Gods Woord en Evangelie brengt, hij zelf ook iets ontvangt en niet ledig wederkeert, maar nieuwen moed en blijdschap, nieuwe kracht en troost ontvangt. Dat ervaart men altijd weder opnieuw: door onderwijzen leert men, door geven ontvangt men, door troosten wordt men getroost. Ja, van de zwaksten en geringsten leert men dikwijls het meest. Dat gaat zoo op en af. De kranke wordt zwak en moet versterkt worden, en den zwakke wordt de kracht vernieuwd. Zoo weet ook de Apostel, dat het een zegen voor hem zal zijn, versterkt te worden door de broederlijke gemeenschap en vermaning; want hij houdt zich niet voor een zoo grootman, die het niet meer zou noodig hebben, maar in zijnen ootmoed en zijne bescheidenheid verlangt hij naar zoodanigo gemeenschap, om ook van hen te hooren, wat zij van den Heere ervaren hebben, en hoe zij Hem hebben leeren kennen. Er zijn zonder twijfel vele van die zoogenaamde geestelijke gesprekken of keuvelarijen, die ten slotte op onwaarheid en huichelarij uitloopen, maar aan den anderen kant is er niets liefelijkers, dan dat broeders en zusters te zamen van de genade, de barmhartigheid, de trouw des Heeren, die hun weder, varen is, spreken kunnen. Dat is eene ware gemeenschap der heiligen. Dan is er een waarachtig noodigen van elkander onder den wijnstok en vijgeboom, om gemeenschappelijk te genieten van de vruchten, die God daaraan laat groeien.
Ja, het was niet maar zoo'n onbestemde wensch zjjns harten, ook eens naar Rome te komen, de geloovigen aldaar van aangezicht te zien en hun eenige geestelijke gave mede te deeleu, maar liij had het zich reeds dikwijls vast v o o r g e - n o m e n , t o t h e n te k o m e n , en deze verro, gevaarvolle en moeilijke reis te ondernemen ; want juist wie zich houdt aan de waarheid van de gerechtigheid uit het geloof, die is vol van eelfverloochening en goede werken. Maar hij was tot nog toe altijd v e r h i n d e r d g e w e e s t . Want langen tijd heeft hij bijv. te Efeze en te Corinthe, deze hoofdsteden van Klein-Azië en Griekenland, moeten vertoeven, — hij had eene groote som ingezameld, ter ondersteuning van de behoeftigen in het Joodsche land waarmede de geloovigen uit de Heidenen aan die uit de Joden hunnen dank zouden getuigen daarvoor, dat zij van hen het Woord Gods, het brood des levens ontvangen hadden en dit geld was hij nu juist op het punt, naar Jerusalem te brengen. Zoo was hij dan tot dusverre altijd nog verhinderd. Maar hij begeert vuriglijk, om ook o n d e r hen, namelijk onder de Heidenen te Rome, e e n i g e v r u c h t te h e b b e n , g e l i j k a l s ook o n d e r de a n d e re H e i d e n e n . Want daartoe heeft immers de Heere Zijne jongeren uitverkoren en gesteld, dat zij heengaan en vrucht dragen, gelijk wij Joh. 15 : 16 lezen; zij hebben immers de belofte, Jes. 55 : 10, 11: „Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier en brood den eter; alzoo zal Mijn Woord, dat u^t Mijnen mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeeren, maar het zal doen hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende." Hoe rijke vrucht hij gedragen heeft onder de andere Heidenen, dat lezen wij in de Handelingen der Apostelen. Hij zelf spreekt daarvan hier bescheidenlek als slechts van e e n i g e vrucht; maar de drang zijns harten wordt steeds sterker; immers hij gevoelt zich eenen s c h u l d e n a a r , gelijk hjj hier Yers 14 zegt: „ B e i d e n, G r i e k e n en B a r b a r e n , b e i d e n w i j z e n en o n w i j z e n ," of zooals wij heden ten dage zeggen zouden: beschaafden en onbeschaafden, geleerden en ongeleerden. Want de rijkdom der genade en barmhartigheid Gods, die hem ten deel gevallen was, toen hij in vijandschap zich tegen den Heere en Zijn volk stelde, toen hij nederlag in de diepte zijner verlorenheid, had hij niet voor zichzelven alleen ontvangen, maar te gelijk voor anderen, om ook hun daarvan mede te deelen. Dat is de waarachtige dankbaarheid jegens God. Heeft een bekwaam geneesheer ons weder gezond gemaakt, nadat wij reeds alle hoop op genezing hadden gemeend te moeten opgeven, zoo zullen wij dezen geneesheer ook aanbevelen aan allen, die indezelfde krankheid nederliggen. „Zijt niemand iets schuldig," zegt de Apostel ook eens in dezen Brief, „dan elkander lief te hebben." Deze schuld der liefde gevoelt de Apostel jegens al wat verloren is en in den afgrond ligt, — noch de beschaving van den eenen, noch de ruwheid van den ander is hem een beletsel. Daarom is h e t g e e n i n h e m is v o l v a a r d i g ook h u n , d i e te Rome z i j n , h e t E v a n g e l i e te v e r k o n - d i g e n , de banier des kruises onder hen op te richten; want alle machten der duisternis, der ongerechtigheid en der eigengerechtigheid, worden alleen overwonnen, op de vlucht gedreven en nedergeworpen door de prediking, niet van de wet, maar van het Evangelie der dwaasheid des kruises, waarin nochtans Gods wijsheid en Gods kracht geopenbaard wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 januari 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 januari 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken