Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 2 : 17-29 (slot)

8 minuten leestijd

Zoo heeft dan de Apostel den Joden en allen, die aan hunne eigene gerechtigheid vasthouden en aan den roem hunner werken, aangetoond en voor oogen gesteld, dat zij met dat alles voor God niet kunnen bestaan, ja dat, juist waar zij zich inbeelden voor de eere Gods te ijveren, zij slechts maken, dat de eere Gods gelasterd wordt, — heeft hun aangetoond, dat het tegendeel bij hen aanwezig is van datgene, waarop zij zich beroemen. Maar daar rustten dan de Joden op hunne b e s n i j d e n i s , — gelijk wij ons wel op vleeschelijke wijze op onzen doop zouden willen verlaten, — en zeiden: wij hebben toch de besnijdenis, en daarmede teeken en zegel van het verbond Gods, teeken en zegel, dat wij Gods volk zijn, en Hij onze God is. Daar zegt dan de Apostel: De b e s n i j d e n i s is wel n u t , maar wilt gij u op dezelve beroemen en daarin voor u eene voortreffelijkheid zien, dan moet gij ook de W e t doen, waartoe de besnijdenis u verplicht. M a a r i n d i e n gij een o v e r t r e d e r der Wet zijt, zoo is uwe b e s n i j d e n i s v o o r h u i d g e w o r d e n , dan is uw roem weg, dan zijt gij voor God niet beter, dan een Heiden, en ligt met hem onder één oordeel der verdoemenis. Hoe moest toch de Heere van oudsher bij Zijn volk bestraffen en vermanen: „Besnijdt dan de voorhuid uws harten", — de lichamelijke besnijdenis houden zij immers wel, maar wat helpt deze, wanneer niet het hart besneden is? is zij dan nog oen roem, of werkt zij niet veeleer een dubbel oordeel? Daarom : „Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uwen nek niet meer," Deuteron. 10: 16; en verder Jer. 4: 4: „Besnijdt u den Heere en doet weg de voorhuiden uws harten, gij mannen van Juda," van wie alzoo geldt: Zie gij wordt een Jood genaamd, — „opdat Mijne grimmigheid niet uitvare als een vuur." (Vergelijk Jer. 9: 25, 26.) Daarom spreekt ook Stefanus tot den grooten Raad: „Gij onbesnedenen van harten ooren! gij wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaders, alzoo ook gij", Hand. 7: 51. Wanneer gjj niet voor God in de schuld wilt vallen, uwe zonde en ongerechtigheid niet wilt belijden, of in waarheid als arme verlorene zondaren genade, alleen genade wilt zoeken, wat zal dan uwe vermeende voortreffelijkheid, die gij in de besnijdenis hebt, u baten; gij hebt haar immers zelf bevlekt, gij treedt haar voortdurend in het slijk, gij hebt haar reeds lang verloren. Uwe besnijdenis, die u van den Heiden moest onderscheiden, is voorhuid geworden; waarin zijt gij dan beter dan een Heiden? —J a , ik ga nog verder, zegt de Apostel, en gaan wij dan ook met hem verder en nemen ook wij ter harte, wat hij ons zegt, Vers 26: I n d i e n dan de v o o r h u i d de r e c h t e n der W e t b e w a a r t , dat is datgene, wat de Wet eischt, — wanneer een onbesnedene, een Heiden dat doet, een onbekeerde, een onwedergeborene, dien gij in het minst niet voor een bekeerde hadt aangezien, dien gij veeleer bij de „wereld" geworpen hadt, en van wien gij gedacht hadt: wat wil die? wanneer nu zulk een de rechten der Wet bewaart, gerechtigheid doet, liefde, barmhartigheid oefent, zich voor God verootmoedigt, een waar verlangen naar genade, naar verzoening in zijn hart heeft, — meent gij niet, — g i j hebt hem wel tot dusverre veroordeeld en uzelven voor rechtvaardig aangezien, maar meent gij niet, dat z i j ne v o o r h u i d tot e e n e b e s n i j d e n i s zal g e r e k e n d word e n ? Als een priester aan dengene , die in handen der moordenaars gevallen is, voorbijgaat en geen oog voor hem heeft, veel minder eene hulpvaardige hand, en de Leviet desgelijks, en nu de barmhartige Samaritaan voorbij komt, op wien de Jood zoo hoogmoedig nederziet, dien hij, zooals vanzelf spreekt, niet telt, waar het de dingen van het Koninkrijk Gods betreft, en deze met alle liefde en zelfverloochening den ongelukkige helpt, — zal hij daar niet den priester en den Leviet oordeelen, dengene, die onder de letter en de besnijdenis is, d. i. die de zuivere leer, de rechtzinnige dogmatiek heeft, en zich op de besnijdenis, dat is op zijne heiligmaking, beroemt, en toch de Wet overtreedtP De Heere Jesus wijst tegenover de Joden, die Hem hoorden en toch geen acht sloegen op Zijn woord, op de koningin van Scheba, — tegenover het Jerusalem van Zijnen tijd op Ninevé, dat zich bekeerde op de prediking van den profeet Jona, — en zegt: Die zullen uwe rechters zijn en u veroordeelen. Daar is Zacheüs, een overste der tollenaren, — deze man heeft zeker niets te beteekenen gehad in Jerusalem of onder de vromen van Jericho, — maar hij werpt het onrechtvaardige goed van zich, en de Heere zegt: Deze is een zoon van Abraham, — terwijl den anderen moet worden toegeroepen: „Meent niet bij uzelven te zeggen: wij hebben Abraham tot eenen vader, maar brengt vruchten voort der bekeering waardig." En nu nog eenmaal: Gij, die u Christenen noemt, en denkt, bekeerde, wedergeborene Christenen te zijn, niet tot de wereld te beliooren, — ziet toch eens, hoe staat het met uwen verborgenen en met uwen zichtbaren wandel, en sla dan eens eenen blik in de wereld, op dezen en genen, hoe hij rechtvaardig wandelt, hoe hij vol liefde en barmhartigheid is, verzoeningsgezind en vredelievend, — wordt gij niet, ofschoon gij onder de letter en de besnijdenis zijt, en g i j de goede leer, de goede belijdenis en alles hebt, wordt gij niet doorhem geoordeeld, als gij dan ziet op uwe ongerechtigheid, uwe liefdeloosheid, uwe onverzoenlijkheid? Wee hem, die zich dan niet telkens en telkens weder geoordeeld gevoelt; maar indien dat dan het geval is, wat hebt gij nog voor voortreffelijks, waarop gij u zoudt kunnen beroemen, waarom gij op eenen ander, ware het ook een Heiden, zoudt kunnen nederzien? ligt gij dan niet met hen allen op éénen hoop? ja, in dezen hoop wel als de onderste?
Hoe staat het dan met al den roem, een „Jood" te zijn en de b e s n i j d e n i s te hebben. Daar toch een „Jood" zulk een is, die God looft, door wien God geloofd en geprezen wordt ? En zoo lang men nu meent, zelf iets te zijn, te kunnen, te beteekenen, hoe kan daar God geloofd worden, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen Zijn? Daar loopt toch in den grond der zaak alles op eigen lof, op eigen roem uit. En wat wilt gij u op de besnijdenis verlaten? hoe was het dan met de besnijdenis gesteld ? Abraham had de belofte ontvangen van den Zoon, in Wien alle volken der aarde zouden gezegend worden, alzoo de belofte Christi, — maar hij was oud, onvruchtbaar; er was naar menschelijk oordeel geene mogelijkheid, dat de belofte Gods in vervulling zoude treden, — en nu, waar alles uit en voorbij, waar alles in den dood gegaan was, geeft hem God dit teeken; juist dan, als bij u alles uit en voorbij, als er geene voortbrengende kracht aanwezig is, als alles in den dood ligt, wanneer het bij u eene afgesnedene zaak is, — dan komt God, en dan brengt Hij alles tot stand. Hoe kunt gij u nu op de besnijdenis beroemen, wil Paulus zeggen, wanneer gij daarnevens vertrouwt op datgene, wat gij zijt, wat gij kunt en vermoogt? Dat juist is de besnijdenis des h a r t e n , dat gij al zulk roemen, al zulkeu hoogmoed er aan geeft, dat gij van uzelven bekent: ik ben niets, ik kan niets, ik vermag niets, — dat gij van uzelven gelooft: ik ben in zonde ontvangen en geboren; voor God ben ik niet beter dan een Heiden; ik lig midden in den dood, — en gij de vervulling der belofte, de waarachtige gerech- I tigheid alleen van God verwacht. Dat is de besnijdenis niet in de l e t t e r , maar in den G eest, door den Heiligen Geest gewerkt, en daar is dan ook een waarachtige Jood, een mensch, door wien God geloofd, Gods genade geprezen wordt, en die nu ook wederom zijnen lof ontvangt, niet van menschen, neen, van hen wordt hij verworpen, bij hen zal hij niets beteekenen, —een Jood is hij i n het verborgene, zijn naam staat niet in het boek des levens, dat de Christelijke wereld er op nahoudt, — maar zijn lof is van God, Die in het verborgene ziet, en Die gezegd heeft: Die Mij eeren, zal Ik ook eeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken