Bekijk het origineel

Het zevende kruiswoord

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het zevende kruiswoord

„Vader! in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest." Ev. Luk. 23: 46.

10 minuten leestijd

„Het is volbracht"! zoo had de Heiland uitgeroepen, toen Hij in den verschrikkelijken dorst den edik geproefd had, dien spottende krijgslieden Hem aanboden. Het werk is volbracht, hetwelk de Vader Hem, den Zoon, gegeven had, om te doen; aan Gods gerechtigheid is voldaan, de weg ter zaligheid is ontsloten. De raad Gods ter verlossing Zijner Gemeente is vervuld. Dit wetende gaat de Heiland den dood te gemoet. Hij zal nu spoedig uit het lijden worden verlost en henengaan tot Zijnen Vader, aan Wien Hij Zich steeds heeft vastgehouden, zelfs in die verschrikkelijke ure, waarin Hij moest klagen over Zijne verlatenheid van God. Hij weet het, dat het oogenblik nabij is, -jvaarop Hij den dood zal smaken; maar Hij verschrikt niet; Hij vreest niet dezen koniDg der verschrikking onder de oogen te treden. Waar Hij alles volbracht h e e f t , weet Ilij, dat de dood, als dood, over Hem geene macht h e e f t ; geheel vrijwillig legt Hij Zijn leven af, en dat geschiedt voor Zijne Gemeente; voor hen, in wier plaats Hij aan het kruishout hing, en die Hem door het geloof zouden aannemen. Door hetgeen Hij in dezen deed, is den Zijnen de genade verworven , dat zij zonder vreeze mogen zijn, waar zij geroepen worden afscheid van deze wereld te nemen, en het bhj vooruitzicht mogen hebben, om door de poorten des doods het liemelsche Kanaön binnen te trekken, waaiheen onze ware j Jozua hun is voorgegaan.
Hoe Hij deze heerlijke vrucht voor ons heeft verworven, leeren wij uit dit kruiswoord: „Vader! in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest". Alles had Hij voor Zijne Gemeente tot stand gebracht: in Hem was zij rein, zonder vlek of rimpel; volmaakt in schoonheid, zooals Ilij haar aan Zijnen Vader moest voorstellen. Zij kon vrijuit gaan; geen oordeel, dat haar meer kon vercordeelen; dat alles was nu verworven; evenwel, de Heiland, Die tot zonde was gemaakt voor zondaren, moest ook d i t dragen, wat de Heere God tot Adam had gesproken: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven". Immers door Adams ztnde is de dood gekomen over alle menschen; zoo moest onze Heere Jesus Christus, de tweede Adam, de Heere uit den hemel, een Zoon des menschen geworden zijnde, den dood sterven, „opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel, en verlossen zou al degenen, die met vreeze des doods, dcoi al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren" (Hebr. 2 : 14, 15). Wij lezen van onzen lleere Jesus Christus, dat Hij in de dagen Zijns vleesehes gebeden en smeekingen tot Dengenen, die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd heeft, en verhoord is geworden uit de vreeze (Hebr. 5: 7). Die vreeze des doods had Hij op allerlei wijze ondervonden, en nu Ilij aan liet kruis genageld was, nu was de tijd daar, dat Hij het bittere van den dood zeiven zou smaken. Wat het toch voor Hem, Die geene zonde gekend h e e f t , was, om met den dood, de bezoldiging der zonde, in rechtstreeksehe aanraking te komen, dat moet wel eene verborgenheid zijn voor ons, die niet eens wTeten, wat sterven is. Want de Heiland leed als mensch niet slechts, maar als waarachtig en rechtvaardig mensch; en, wij weten het, God heeft den mensch niet geschapen om te sterven, maar om te leven; de dood is oorspronkelijk aan ons vreemd; God heeft den mensch geschapen, opdat hij zijnen Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te pi ijzen (Heidelb. Catech. Zond. 3). Derhalve: had de mensch niet gezondigd, dan had hij ook niet behoeven te sterven; de dood zou er niet geweest zijn. Nu was de Heere Jesus Christus de absoluutrechtvaardige, zoodat Ilij niet lag onder het oordeel des doods, maar om te sterven voor de zonden Hij vrijwillig op Zich had genomen. Het afleggen van Zijn loven was dus eene daad Zijner liefde, om verlorenen uit den dood te verlossen. Evenwel bleef de dood, als bedreiging op de zonde en als straf voor den naar Gods beeld geschapenen, maar van God afgevallen mensch, voor den rechtvaardigen Heiland eene zaak, die geheel tegen Zijne heilige natuur indruischte. Toch wilde Hij Zich ook aan dit oordeel des doods onderwerpen, opdat het recht Gods gan" schelijk zou worden vervuld, en de duivel in al zijne sterkte volkomen overwonnen en te niet gemaakt zou zijn. En Jesus, roepende met eene groote stemme, zeide: „Yader! in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest." Met eene groote stem:

Die stem doorboort den helschen afgrond,

Zij breekt door alle heem'len heen,

Scheurt graf en voorhang uit elkander,

Breekt harten en den hardsten steen.

De dooden hooren ze, en herleven:

Ook mijne ziel verneemt die stem,

Ze ontsluit mij 's hemels parelpoorten,

Opdat mijn uittocht zij met Hem.

Zoo is het gansche werk der verlossing geschied; de liefde tot de eere Zijns Yaders, de liefde tot de Zijnen heeft geen lijden, hoe zwaar ook, kunnen verzwakken en doet Hem met blijdschap Zichzelven in den dood geven en alzoo de kroon zetten op het gansche werk der verlossing. Wij zien in des Heilands laatste woord, aan het kruis gesproken, hoe Hij Zich tot in den dood vasthield aan Zijnen Vader, van Wiens betrekking tot Hem H[j steeds Zich volkomen bewust was. Betuigd had Hij immer, dat Zijn Vader Hem in de wereld gezonden had; niets deed Hij zonder dien Vader, en stervende beval Hij Zijnen geest in Diens handen. Voor de vijanden, die rondom het kruis stonden en er mede gespot hadden, toen Hij klaagde: „Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" was het eene getuigenis, dat Hij in weerwil van alle lijden en verachting aan Zijnen God bleef vasthouden, terwijf Hij er van verzekerd was spoedig in de heerlijkheid bij Zijnen Vader te zullen zijn. De Heiland beval Zijnen geest in de handen des Vaders, van Wien Hij wist: Hij is barmhartig, getrouw en machtig; Hij zal Mijne ziel in de hel niet verlaten. Dit alles ging evenwel gepaard met de geweldigste zielsworstelingen des geloofs; hij had voelbaar niets, alleen had Hij het geschreven Woord. De woorden: „In Uwe handen beveel Ik Mijnen geest" — zijn ontleend aan Ps. 31. De Heiland is alzoo niet alleen gestorven n a a r de Schriften, maar ook met een woord u i t de Schriften in het hart en op de lippen. Ja, Hij is steeds, in allen nood en dood, in het Woord gebleven; heeft Zich daardoor laten leeren en leiden, en er Zijn hart mede gesterkt, gedurende Zijn gansche leven. Toen Hij optrad onder Israël, heeft Hij in de verzoeking in de woestijn den duivel verslagen met het: „Er is geschreven!" en nu Hij aan het einde Zijns levens op deze aarde is gekomen, is het alleen het Woord Zjjns Gods, dat Hij aangrijpt, waarin Zijn eenige steun en sterkte ligt. Hij sterft op de waaiheid, dat God Zijn Vader is, en op dien Vader rustende, legt Hij Zijne ziel neder in Zijne handen.
Wij lezen niet, dat de Heiland in deze ure eene bijzondere versterking van Zijnen Vader ontving, waardoor Ilij welgetroost den dood tegemoet gaat. Het ongeschapene Woord houdt zich vast aan het geschrevene Woord; dat leert ons, om niet op bijzondere en onmiddellijke vertroostingen te steunen, die buiten het Woord omgaan, maar ons steeds, ook in onze laatste ure, aan het Woord Gods, en daaraan alléén, vast te houden; dat is do sterkte, die de Christus ons door Zjjn vasthouden geschonken heeft, eene sterkte, die machtiger is, dan elke aanval der duisternis, en waarin wij eene bron der vertroosting hebben, die onze matte ziel verkwikt en laaft. Dat het Woord onzes Gods ook op ziek- en sterfbed onze eenige steun is, hebben dat niet mede onze vaderen geleerd in den „Ziekentroost," die grootendeels uit Schriftwoorden is samengesteld als den eenigen grond, waarop wij veilig binnenkomen?
Toen de Heiland aan liet kruis was genageld, was het eerste woord, dat van Zijne heilige lippen kwam: „Vader!" — „Vader! vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen," — en nu Hij voor het laatst Zijnen mond opent, hooren wij wederom het liefelijke „Vader". In dit aanspreken van Zijnen God, uit de diepte onzer verlorenheid voortgekomen, drukt Hij de onwankelbare verzekerdheid uit, die in Hem was, dat Hij, de als een godslasteraar door het Sanhedrin veroordeelde en verworpene, evenwel de Zoon des Vaders is, de Geliefde, door Wien het welbehagen Gods in de redding van verlorene zonen en dochteren gelukkiglijk zoude voortgaan. Hij beval Zijnen geest in de hand des Vaders, stelde hem in Diens bewaring, om uit Zijne handen hem in Zijne opstanding terug te ontvangen. Zoo is het offer der verzoening voltooid; volmaakt is het werk der eeuwige liefde; vervuld is alle gerechtigheid; onze zaligheid staat vast in Hem, Die Zijne ziel gaf tot eenen losprijs voor velen! Dat is de grond, waarop wij welgetroost, zalig leven en sterven. En nu: „De reis kort op naar 't g r a f "; eer wij het vermoeden, is de ure aangebroken, dat wij derwaarts zullen verzameld worden, waar de boozen ophouden van beroering, waar de vermoeiden van kracht rusten, waar de gebondenen te zamen in rust zijn, en waar zij de stem des drijvers niet hooren, waar de groote en de kleine is, en waar de knecht vrij is van zijnen lieer. (Job 3 : 17 —19.) Waarheen zal dan onze ziel gaan, als wij sterven ? Zal zij verwezen worden naar de plaats der rampzaligheid, of zal zij door de engelen gedragen worden in Abrahams schoot? (Luk. 1G : 22, 23.) O, wien het om gerechtigheid voor God gaat en om eene zalige eeuwigheid te doen is, hij zie op het Lam Gods, dat ] Zich als het ware Paaschlam heeft laten dooden; want dit is de wil des genadigen Gods, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe (Joh. 6: 40). Wie zoo op Hem ziet, in zijne machteloosheid tegenover wet, zonde en dood, die verlate zich in zijne verlorenheid daarop, dat zijn Heiland voor hem in Zijnen dood deze vijanden overwonnen heeft, om Wiens wil hij ook, als hij gaat sterven, henengaat tot den Vader, Die zijne ziel trouw bewaren zal tot den dag der groote opstanding en haar weder met het lichaam zal vereenigen ; dan zal de door Christus in heerlijkheid opgewekte van aangezicht tot aangezicht aanschouwen den Heere, Die Zijn volk verlost heeft met eene eeuwige verlossing; onzen getrouwen God en Zaligmaker, Die aan het kruis voor ons den dood verslonden heeft tot overwinning, en Wiens opstanding de zekere waarborg is voor onze zalige opstanding. Zoo mogen wij * dan bij alle vreeze des doods nochtans goedsmoeds zijn. Christus' overwinning geeft ons blij te zingen:

De dood heeft niets verschrikk'lijks meer,

Hij stierf in 't sterven van den Heer.

Ons is Hij slechts een onderpand

Van de intocht in 't beloofde land.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Het zevende kruiswoord

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken