Bekijk het origineel

Op het feest van Christus' Opstanding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Op het feest van Christus' Opstanding.

(Ev. Lukas 24: 1 — 11.)

24 minuten leestijd

Een liefelijk Evangelie is het Paaschevangelie. Het is alles specerij, wat de doodkranke hier ruikt; 't is alles zalf voor de wonde, die anders niet genezen wil. — Vrouwen, die in het zondige land van Galilea als zondaressen den Heere gevonden hadden en IIem voorts naar de heilige stad gevolgd waren, hebben op eenmaal dien Jesus verloren, in Wien zij het leven harer zielen gevonden hadden. Ach, Hij is gestorven. Zij begrijpen en verstaan niet, dat Ily voor haar gestorven is, om Zich weldra wederom levend aan haar te openbaren. God bewaart de arme vrouwen, zoodat zij in de treurigheid des harten niet te gronde gegaan zijn.
Zij zijn op den dag des Sabbats stil geweest naar het gebod; maar inwendig hebben zij geene rust, — al hare gedachten zijn op Jesus gericht, ofschoon Hij voor haar dood moge zijn. Zij weten niet, wat zij van de zaak denken moeten. Evenwel zij houden vol, om Hem, Die dood is, te dienen, nu zij Hem als levend niet meer dienen kunnen, en wat haar bezig houdt is, boe zij Hem het laatste zullen brengen. Zoo laat God haar bezig zijn om haar, terwijl zij er ganschelijk niet meer aan denken, dat Jesus voor haar nog weder in het leven komen kon, in het midden der droefenis harer harten te verrasten, en om al wat zij voor het gestorven lichaam van Jesus aangebracht en toebereid hadden, overbodig te maken.
Het leven des geloofs ligt stil verborgen, en in het binnenste is eene hope, die niet beschaamt, daar de liefde Gods in het hart uitgestort is door den Heiligen Geest. Het werk, dat men wil doen, is verkeerd of draagt geen vrucht; nochtans moet het gedaan zijn, opdat het werk ons uit de handen genomen worden, en wij Gods werk en Zijne almacht prijzen.
De liefde is vurig en ijverig en kan zich van het doen geen rekenschap geven; het gaat alles tegen het verstand in, en het ligt in den mensch, dat hij met zijn doen alles in het werk stelle; wat het woord der belofte voor hem behelst, is hem te groot, te wonderbaar; dat komt hem niet voor den geest; hij denkt er zelfs niet aan. Zoo staat het met het leven des geloofs geschapen.
Men zou mogen zeggen, dat het geloof toch aan de opstanding gelooft. Ja, diep in het binnenste des harten, doch dewijl slechts de dood gezien wordt, zco arbeidt de geloovige zich af in en aan hetgeen dood is. De opstanding komt niet uit ons geloof, maar van God, en zoo ziet de geloovige het eerst van achteren in, hoe onwijs hij in zijn gansche doen en laten eigenlijk is.
De liefhebbende vrouwen hebben rust noch duur. Nauwelijks is de Sabbat voorbij, of zij maken zich op, zeer vroeg in den morgenstond. Zij bekommeren zich niet over nacht of nevel; zij zijn niet bang; zij vragen niet naar de schrikwekkendheid Tan de grafspelonk. Niets houdt haar terug of verhindert haar. Het is alles geloof, alles liefde, en toch uit het harte des menschen komt voort onverstand, — of hoe verstaan zij dan toch ganschelijk niets van de Schrift, en is haar alles ontgaan, wat de Heere haar gezegd heeft. Ach, zoo gaat het in het leven!
Op welken dag gingen zij ?
Op eenen der Sabbaten; dat is in onze taal gezegd: aan het einde der werkdagen, welken dag wij Zondag noemen. Hadden zij dan in de catechisatie niets van de opstanding van den Messias uit de dooden vernomen; hadden zij niets onthouden uit de Boeken van Mozes; wisten zij niets van de beteekenis van den achtsten dag, dat is van dezen eersten dag der week, welken wij Zondag heeten? Hadden zij dan in de catechisatie niets geleerd en er niets van onthouden, dat op den eersten dag nood en dood daar zijn, op den tweeden dag alles in het ge. sloten graf zwijgt, en dat de Heere ten derden dage zeer 'vroeg helpt ? O, zij hadden het immers van den Heere Zei ven vernomen, dat Hij ten derden dage zou opstaan, maar ach, hoe ten eenenmale dood zijn wij voor dat alles, als wij de toepassing op onszelven te maken hebben in treurigheid en leed des harten!
Het verstand kan zich altijd helpen, want het verstaat niets van den zwaren nood der ziel; het geloove echter helpt God, en Hij alleen kan den verslagenen en bedroefden geest oprichten.
Zoo komen zij dan aan het graf, deze Galileesche vrouwen, en sommige andere discipelinnen des Heeren hebben zich bij haar gevoegd. Waarom zijn zij niet thuis gebleven? waarom hebben zij geen acht geslagen op het liefelijk troostwoord van eene Naomi: „Zit stil, mijne dochter, want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe." Doch wie kan in het geestelijk leven rusten, als hij geene ruste heeft, wanneer hij als dood is, omdat Jesus voor hem dood is? Maar — of ook Jesus voor mij dood is, zoo wil ik Hem toch opzoeken, daar, waar Zijn lichaam is, waar Hij te vinden is!
Yoor de aangevochteuen is Gods Woord als een graf; toch kan hij slechts in dit Woord Jesus vinden. Wat drijft naar het graf, wat drijft naar het Woord uit, waar alles dood is? Dat doet de Heere, opdat wij onverwachts, bij het licht des Woords, den levenden en uit het graf verrezenen Heiland vinden.
Zij dragen de specerijen, die zij toebereid hadden. Zij wilden dus het lichaam van Jesus zalven! Lofwaardig! Laat niemand den bedroefden van hart den weg verhinderen. — Wat draagt gij? Als gij niet vroom zijt, zoo draagt gij niets om uwen Heer te eeren; zijt gij evenwel in waarheid vroom, zoo peinst gij en vraagt op allerlei wijze, of gij den Heere wat zoudt kunnen brengen om Hem te vereeren; gij hebt geene ruste, totdat gij specerijen gekocht hebt, dat geeft eenige verzachting. Zoo draagt gij, wat gij met uw geld gekocht en met uwe moeite, uwen arbeid u verschaft hebt tot het Woord. Er moeten specerijen gekocht en naar het graf gedragen zijn, om daarmede het lichaam van Jesus te vereeren, er moeten vele werken voor den dood, vele doode werken geweest zijn, vóór men verstaat, wat de Heere zegt: „Waarom weegt gij geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort naar Mij, en Ik zal u geven de gewisse weldadigheden van David.''
De specerijen dus maar gedragen; troost zal men er niet bij vinden', maar slechts zóó vindt men troost in de woorden van den levenden, uit het graf verrezenen God en Heiland. „Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, — maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt Mij vermoeid met uwe ongerechtigheden. Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg om Mijnentwille, en Ik gedenk uwer zonden niet." „Zij zullen uitspruiten tusschen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. Deze zal zeggen: ik ben des Heeren; en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met zijne hand schrijven: Ik ben des Heeren; en zich toenoemen met den naam van Israël." Jes. 43 en 44.
Zoo kwamen zij dan zeer vroeg. Dat was de liefde, alhoewel zij zich ook te beschuldigen hadden, dat zij de liefde tot den Heere op Golgotha niet met moed des harten getoond hadden, maar van verre gestaan hadden, — nochtans was het alles enkel liefde.
Gij kunt evenwel zoo vroeg niet komen, of de Heere is u reeds voor.
Gij kunt zoo vroeg niet opstaan, of de Heere is reeds opgestaan. In al uwen angst was Hij beangstigd en had om uwentwille geene rust. Daarom stoud Hij voor u uit het graf op , en Hij was het licht en de opgaande zon voor.
Maar wien valt dat in, wanneer hij den dood in het harte draagt, en Jesus voor hem dood is? Hij heeft geene andere gedachten, dan dat hij het doode lichaam van Jesus zalven moet en, zoolang het slechts mogelijk is, voor verderf heeft te bewaren. Nog slechts éene bekommernis is er: hoe komt men met zijne specerijen tot het lichaam van Jesus? Br ligt een groote, zware steen voor de deur, en in ons is geene kracht om dien af te wentelen. Of Jesus al voor mij dood i s , ik zou toch zoo zeer verlangen om Hem nabjj te komen met mijne zalven en specerijen; ik moet evenwel klagen en jammeren :

Ach, Heer, mij drukt een zware steen;

Wie zal dien van mij nemen ?

U is bekend mijn smart en pijn

En mijn verborgen weenen.
Maar toch, naar het graf met de specerijen! slechts volgehouden met Gode dien jammer, die smart bekend te maken; wie zoekt, die vindt; wie ondanks den zwaren steen tot Jesus zoekt te komen, zal vinden, wat hij van verre niet vermoed had!
En daarom moeten wij het tot onze ver'roosting lezen, waar wij den zwaren steen van zonden en nood , den zwaren steen der onmogelijkheid op het harte hebben liggen, wat geschreven staat: „Zij v o n d e n d e n s t e e n v a n h e t g r a f a f g e w e n t e l d ".
Toen de vrouwen uitgingen , hadden zij aan den steen niet gedacht, maar op den weg naar Jesus henen wierp haar de duivel deze vraag der bekommering op: „Wie zal ons den steen van het graf afwentelen?" Zie, daar was de steen des harten nog zwaarder dan de steen van het graf, en de eene steen zoowel als de andere was zeer zwaar. Den steenen steen had de engel afgewenteld, nadat Jesus opgestaan was, en hij had zich op denzei ven gezet als eene trofee der zegepraal; den steen des harten kan slechts de Heere afwentelen, en dat doet Hij stellig, als Hij ons laat vinden, dat de steen van Zijn graf afgewenteld is. Dat hadden zij niet gedacht, dat de steen reeds van het graf zou afgewenteld zijn. Zij hadden gevraagd: wie zal het doen? Ja, wie doet het? Wie wentelt de zware steenen af, die in het leven op de harten van Gods kinderen liggen, de zware steenen der zonden en van allerlei mismoedigheid. Dat laat Hij doen , Die den hemel en de aarde geschapen heeft! Wij denken altijd aan de zware steenen, en begrijpen niet, dat die alle den Heere niet iu het graf houden kunnen. Neen de hardste rotsen, de zwaarste steenen kunnen Hem niet besloten houden. Hij is er reeds uit. „Ik", spreekt H i j , „werk; wie zal het keeren?"
Zoo vindt men dan onverwachts ruimte in het land, dat men nog houdt voor het land der dooden; het is echter het land der levenden, waarin wij nochtans slechts een graf ontwaren.
Gaat er evenwel in met de specerijen! gelijk wij lezen, dat zij er ingingen. Nog altijd geen nadenken bij haar, waarom, op welke wijze en door wien de steen van het graf was afgewenteld geworden. Zij zagen geene overwinning, slechts eenen openen weg om te kunnen volvoeren, wat zij meenden te moeten volvoeren. Welnu, het was goed, dat zij er ingingen; dan konden zij het met eigene oogen zien, dat Jesus niet daar was, waar zij Hem zochten, en hare specerijen en zalven hadden geen waarde meer, die waren tot niets nut. Ach, daar staan wij nu ; de steen is van het graf; waar nu ons voornemen mislukt is, dat wij aan het lichaam des Heeren meenden te moeten doen, daar is ons nu alles uit de hand geslagen.
Z i j v o n d e n het l i c h a a m des H e e r e n J e s u s n i e t. Hetgeen zij als bewijs moeten aanvaarden, dat Hij voor haar niet dood is, maar dat Hij leeft en uit den dood opgestaan is, daaruit nemen zij aanleiding om bekommerd te zijn, wijl zij niet vinden, wat zij juist zochten. Zoo begrijpt de arme ziel jn haren nood niet, dat, zoo zij werkelijk zou vinden, wat zij zoekt, zij voor het oogenblik verzachting vinden zou, maar levenslang zonder waarachtig leven en waarachtige behoudenis zou zijn en blijven.
Het zijn eigenaardige woorden, de woorden: „ h e t l i c h a am d e s H e e r e n J e s u s " ; in het vorige Hoofdstuk lezen wij in Vs. 52: „het l i c h a a m van J e s u s " , hier echter „ h et l i c h a a m v a n d e n H e e r e J e s u s " . In den Naam H e e r e, welke zooveel beteekent als almachtige God, spraken zij het toch zelve uit, dat Hij in den dood niet blijven zou, maar een Overwinnaar van graf en dood is. Wij moeten op dezen Naam acht geven, want het gaat met ons niet anders. Wij noemen Hem Heere, den Heere Jesus, dat is de benaming, die uit het diepst der ziel, uit het geloof voortkomt, maalais wij nu niet vinden, wat wij wanen te moeten vinden, en als wij niet kunnen volvoeren, wat wij achten te moeten volvoeren, dan zijn wij bekommerd, noemen Hem den Almachtige, den Heere, Die uitredding schenkt uit zonden en allen nood, en verstaan niets, verstaan het niet en denken er ook niet aan, dat Hij ook voor ons den dood te niet gedaan heeft en dat Hij bij de dooden niet zijn kan, Hij, Die gezegd heeft: I k l e e f , en gij z u l t l e v e n.
Zulk eene diepgaande bekommering, terwijl wij intusschen slechts oorzaak zouden hebben, om ons te verheugen, dat Jesus Heere is, zulk eene bekommering ons eigen, omdat wij hetgeen wij zoeken, binnen onzen engeu gezichtskring zoeken, gaat den hemel aan het hart. En juist de Heere Jesus, Die in alles verzocht heeft willen zijn, gelijk als wij, houdt en heeft Zijne boden gereed, die ons oprichten en ons eenen blijden moed in het harte spreken, totdat het Zijn tijd is, om Zichzelven aan den zoekende te openbaren en Zich te laten vinden als Die, Die leeft en niet slechts als Een, Die dood is.
De Heere Jesus deed zulks toenmaals op de wijze, als bij Zijne opstanding voegde; sedert dien tijd doet Hij het door middel dergenen, die door Hem geroepen zijn, om Zijn Woord te brengen.
Toenmaals waren het twee mannen, dat is engelen; zij vertoonen zich echter als mannen, dat is in mannelijke gestalie, in de gestalte van mensehen, als degenen, die daar met menschen te doen hebben om hen te troosten, en aan zwakke vrouwen zich bereidwillig te toonen als hulpe en bijstand in haren nood, in hare bekommering. Zij waren echter bekleed met blinkende of sneeuwwitte kleederen, die de innerlijke vreugde van deze mannen uitstraalden. Deze kleederen waren een beeld der onschuld en der overwinning, een zinnebeeld van de heerlijkheid van Jesus, den Koning, opgestaan van de dooden, en van de geheel inwendige heerlijkheid Zijner Gemeente, Zijner Bruid. En de predikers, die de Heere zendt, worden alsnog met zulke kleederen bekleed, wel is waar niet uitwendig maar zóó, dat hunne prediking hen als zoodanig openbaar maakt bij degenen, die hard bestreden worden.
En of nu de vrouwen eerst daarvan verschrikt worden, en of ook al de aangevochtenen eerst daarvan verschrikt worden, daarna, als zij gerustgesteld zijn geworden, weten zij uit hetgeen zij aanschouwd hebben, hoe hunne eigene kleederen er uit zien, die gewasschen zijn in het bloed des Lams, en in welke zij zich aangedaan vinden en eenmaal staan zullen voor den troon Gods.
De verblindende heerlijkheid, welke den vrouwen uit Galilea, evenals allen tollenaren moed in het harte storten moet, verschrikt haar eerst, gelijk wij lezen: En z i j w o r d e n z e e r bev r e e s d en n e i g d e n h e t a a n g e z i c h t n a a r de a a r de Jmmers, waar de troost en de klaarheid der opstanding het verslagen hart moet binnendringen, daar is bij het aanschouwen van die klaarheid vooraf slechts bewustzijn van zonde en schuld, een gevoel, dat men stof en assche is, en de meening, dat zulk eene heerlijkheid als troost voor anderen gelden moet, maar, zoo denkt men, voor mij is die niet, alleen is er die, om mij te strafïeu. Want zoo zijn wij, dewijl wij vleesch zijn.
Engelen en boden des Heeren kennen die bekommering bij de zwakken wel, doch worden daarom niet wrevelig, maar hebben geduld en vangen aan met eene teedere, lieflijke terechtwijzing, waarbij dan den bekommerde de gansche toestand der ziel zoo ontdekt wordt, dat men zijne dwaling leert inzien, dat men aflaat van Ie zoeken, waar het niet is, en begint te gelooven : Hij leeft ook voor mij en zal Zichzelven weldra aan mij openbaren Daarom zeiden de engelen tot de vrouwen: W a t z o e k t gij d e n L e v e n d e bij de d o o d e n ? Daar hoorden zij het, dat Hij l e e f t , — en zij zochten Hem bij de dooden! De boden des Heeren weten het wel, wat de ware zoekers zoeken, doch prediken, dat Hij gevonden is, en dat Hij de Zijnen gevonden heeft, ofschoon zij Hem nog niet gevonden hebben, maar Hem nog onder de dooden zoeken.
Dat was nu eene troostrijke prediking voor de vrouwen; hoe moet het haar op eenmaal anders in het harte geworden zijn Het ging haar gewis als den aartsvader Jakob, die twee en twintig jaren lang zijnen zoon Jozef onder de dooden gezocht had, en zie, daar komt op eenmaal de blijde boodschap tot hem op last van zijn eigen kind: Uw zoon Jozef leeft nog. Ach, hoe zoekt Gods volk in zijne bekommering zoo telkens den Levende bij de dooden! Hij is hier niet, zeiden de engelen verder, Hij is hier in het graf niet. Gij zoekt Hem daar, waar Hij wel was, waar Hij evenwel niet is.
Waar zijt gij? Aan het graf of in het graf uwer bezorgdheid voor uwe ziel, in het graf van uwen nood en kommer? Hij is echter in dit graf niet. Hij heeft het leven en de onverderfelijkheid voor ii verworven; Hij is opgestaan. Hoe is hef mogelijk? Ja, laat dan God niet steeds als uit den dood voortkomen, wat Hij Zijnen volke bereid heeft? Is Hij niet die God, Die de dooden levend maakt? Wilt gij Hem anders hebben? Hij wordt nooit anders. Steeds is en blijft Hij de God , Die dooden levend maakt. De dood moet er zijn, maar het leven moet komen, want God leeft en laat den dood nooit in het leven voor de Zijnen, gelijk Hij gesproken heeft: „Ik wil hen uit de macht der hel verlossen. Dood! Ik wil u een gif zijn. Hij is hier niet in de dingen, die voor uwe oogen zijn; Hij is opgestaan. Wat zegt dat tot ons ? zoo niet dit: dat wij voor God rechtvaardig zijn, indien wij zulk eene weldaad alleenlijk met een geloovig hart aannemen. Want om onze rechtvaardigmaking is Hij opgewekt, gelijk Hij om onzer zonden wille overgegeven is.
Daar roepen nu de verheugde boodschappers Zijner opstanding de eigene, woorden van den Heere Jesus den verbaasden en dralenden vrouwen in de herinnering terug: G e d e n k t , hoe H i j t o t u g e s p r o k e n h e e f t , a l s H i j n o g in G a l i l ea w a s . Dat zijt gij vergeten, wat Hij voor jaar en dag zeide> maar Hij liegt niet; in het land der arme zondaren, daar heeft Hij u immers dat alles geleerd.
Welgelukzalig dan hij, die uit ervaring zeggen kan: Ja, dat heeft Hij ook tot mij gezegd in het land der arme zondaren, toen Hij voor het eerst in mij geopenbaard werd. O, welk eene genadeleer drupte er toen van Zijne lippen!
Hij heeft Zich den Zoon des menschen genoemd, ook in mijn hart dat gesproken, en mij daarmee geleerd, dat Hij mijns vaders schulden, die ik geërfd tieb, voor Zijne rekening genomen heeft en aldus mijns vaders erfgenaam geworden is in mijne plaats, en dat ik de erfgenaam mijns Heeren Jesus geworden ben. Hij heeft mij geleerd, dat Hij moest overgeleverd worden in de handen der zondaren en gekruisigd worden, dat dit eene noodzakelijkheid geweest is, om der gerechtigheid Gods de betaling en genoegdoening te brengen, die ik Hem in eeuwigheid niet had kunnen brengen; Hij heeft mij geleerd, dat mijne gerechtigheid, die uit de wet is, alzoo falen moest en te gronde gaan, en dat mijn oude mensch ook in het leven werkelijk met Hem moest gekruisigd worden. Waar het nu in de practijk van het leven komt, — o, hoe heb ik gemeend, dat het nu met het leven van Jesus voor mij eene verlorene zaak ware, m a a r . . . ja, nu herinner ik het mij, dat heeft Hij mij ook gezegd! Vanwege de waarheid Gods, vanwege de trouw van Jesus, en opdat ik in den dood en in de macht der hel niet blijve, moest Hij opstaan te dien dage, op welken, zoo Hij niet opstaat, het verderf het gansche lichaam zou aantasten.
Dat is eene heilige noodzakelijkheid der eeuwige liefde en der vrije ontferming
Hij moest gekruisigd worden, om mijnen vloek van mij af en op Zich te nemen en met Zijne zegening vloekwaardigen te begenadigen; Hij moest opstaan, om mij over te zetten in het erfrecht van Zijn onvergankelijk wezen O, welk een getrouwe Profeet, welk een barmhartig Hoogepriester!
Een „Amen", — zoo was liet ook inderdaad! — j a , dat stroomde uit do harten der Galileeselie vrouwen den woorden der engelen tegemoet. E n z i j w e r d e n i n d a c h t i g Z i j n er w o o r d e n , aldus luidt het. Uit de ziel der fel bestredenen en bekommerden gaat een „Amen" uit, als antwoord op der engelen woorden; een „Amen": j a , zoo is het! het is gewisselijk waar, dat Hij dat alles gezegd heeft! De woorden van Jesus gaan te diep in het harte, dan dat zij ooit daaruit weder zouden kunnen weggenomen woiden; zij blijven vast in de ziel zitten. Wij komen er alleenlijk niet altijd op, wij, Zijne leerlingen, maar waar de nood opkomt, daar schijnt al wat Hij gezegd beeft uit het hart en uit het geheugen weggeslagen te zijn ; want van schrik en vrees, vanwege diepen nood der ziel denken wij er niet aan, als het juist de tijd is, dat wij Zijner woorden indachtig moeten zijn. Hij zorgt er nochtans heerlijk voor, en heeft Zijne boden bij de hand, die ons dusdanige woorden weder in de herinnering terugroepen, en zoodra wij ze alsdan vernemen, dan heet het: Ja, dat is ook waar, en wie op het punt was van te verdrinken, zwemt op de groote wateren, totdat hij den oever bereikt.
Nu bleven de lieve vrouwen ook niet langer bij het graf, -want wat zouden ?ij daar verder doen. Ik kan ook niet langer op mijne zonden blijven zitten, waar ik de vergeving aanschouw, en evenmin bij de dooden, waarik verneem, dat Jesus er niet is. Ik kan er mij ook niet over bekommeren, of ik veel geld voor specerijen uitgegeven heb, en veel moeite heb aangewend voor de bereiding der zalven. Jesus leeft, en ik met Hem, — dat is mij genoeg. Dit, dat Hij leeft, zullen van nu af alle bekommerde broederen te weten komen, wien ik met deze boodschap voorzeker vreugde brengen zal, gelijk mij daarmede vreugde en zaligheid bereid is. Dat kan ik niet voor mijzelven alleen houden.
Zoo ging het den vrouwen. Daarom lezen wij: Zij boods c h a p t e n al deze d i n g e n aan de e l v e n en a a n al de a n d e r e n . Judas Iskarioth konden zij het niet meer boodschappen; die had al zijne ingewanden uitgestort, maar den elven, die daar treurden en -weenden, en aan al den anderen, die treurden en weenden, hun boodschapten zij het: De H e e r e is o p g e s t a a n ! Dat was eenc algemeene genade en te gelijk praedestinatie!
Maar wat zijn dat nu voor vrouwen geweest? E n deze w a r e n M a r i a M a g d a l e n a en J o h a n n a en M a r i a , de m o e d e r v a n J a k o b u s , eü de a n d e r e n met h a a r , die d i t tot de A p o s t e l e n z e i d e n.
Is in het paradijs niet de vrouw 't eerst in overtreding geweest? heeft zij niet den afval van God ingevoerd? O, hoe heeft de duivel sedert dien tijd de vrouw in verachting gebracht, hoe fel haar geplaagd! Maar welk eenen vang heeft de Heere Jesus hem ontnomen! Ilier is eene vrouw, die van zeven duivelen door den Heere verlost is geworden, eene groote, groote zondares. Hier is eene hofdame, die zich de arme Galileërs en eenen gekruisigden Jesus niet sghaamt. Hier is nog eene Maria, die eerst de vrouw van Alfeus was, nu de vrouw van lvleopas, en dan zijn er nog eenige andere vrouwen. Het zwakke, door den duivel eerst nedergeworpene en boven alles gehate geslacht is door den Heere uitverkoren om boodschapsters te zijn van Zijne glorierijke opstanding. Zulke zondaressen kunnen zich met den troost der opstanding troosten en dien goed gebruiken, en de zoodanigen moe,ten ook den troost tot de Apostelen' brengen. Let wel op; er staat niet „tot de discipelen", maar „tot de Apostelen".
Zoo gaat het, waar de genade heerschappij oefent; niet de Apostelen brengen de boodschap aan de vrouwen, maar devrouwen aan de Apostelen, dezen uitverkoren getuigen!
En nu, wonderbaar Evangelie; het snijdt, om zoo te spreken, den Apostelen neus en ooren af en maakt hen voor alle tijden voor al het volk te schande. Want deze hooge Apostelen wisten juist zooveel en niet meer dan de vrouwen, voordat de engel met haar gesproken had. Zij waren de leeriDg en het onderricht des Ileeren, alle Zijne woorden, die Hij gesproken had, eveneens vergeten; zij hielden het voor onmogelijk, konden het niet gelooven.
Daarom staat er: En h a r e w o o r d e n w a r e n v o o r hen a l s ij d e l g e k l a p , en zij g e l o o f d e n h a a r n i e t . Dat is ons echter tot troost geschreven, waar wij ook gaarne zouden willen gelooven en toch niet gelooven kunnen. Gelooven, j a dat zou ik wel gaarne willen, maar nogmaals, gelooven, — j a , als ik het zelf zie en ondervind; anders kan ik het niet gelooven, zelfs dat niet, wat ik het liefst zou willen gelooven. Ook zit de duivel daarachter, want als men zwaar gezondigd heeft, en het slecht heeft laten liggen, daar ligt de vraag op den grond der ziel, die beangst is en vol vreeze: O, als Hij waarlijk leeft, hoe zal Hij dan met mij handelen, wanneer Hij komt en mij bezoekt. Daar zou men wel kunnen begeeren, dat Hij toch dood mocht zijn, en zulks vanwege de vreeze voor straf en de beschaming.
Zoo gaat het. En Hij, de Heere, heeft op ons geloof niet gewacht, maar Hij stond op, zonder dat de Zijnen er aan dachten; en wederom: Hij stoort zich niet aan het hardnekkig ongeloof der Zijnen; onverwacht is Hij door gesloten deuren henen gekomen, en: „Weest gegroet; verheugt u; vrede zij ulieden!" dat is Zijn morgen- en avondgroet. Voorwaar, het is in het hart des menschen niet opgeklommen^ hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. 12 April 1857.




Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Op het feest van Christus' Opstanding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 maart 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken