Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 3 : 25 en 26 (slot)

8 minuten leestijd

En hoe hebben wij deel aan deze verzoening, boetreden wij tot dezen troon der genade toe? Door bet geloof, — gelijk de Apostel hier verder zegt: d o o r h e t g e l o o f i n Z i j n b l o e d, dat is door het geloof, dat zjjnen grond heeft in het bloed Jesu Christi, als het ware daarin wortelt. In dit bloed is immers de verzoening geschied, gelijk het bloed der verzoening op het verzoendeksel gesprengd werd. Ons bloed moest vergoten worden, maar Hij gaf het Zijne voor het onze. In het bloed is de ziel, zoo gaf Hij dus Zijne ziel in onze plaats. Daarom zegt ook de Apostel op eene a n d e r e p l a a t s : „Het is des Vaders welbehagen geweest, dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zielizelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn," — diegenen, die nog op de aarde leefden, toen Christus in het vleescli kwam, of die toen reeds in den hemel waren, — zij hebben deel aan dezelfde verzoening, Col 1 : 20. — Wat zag de wereld in de kruisiging van Christus? De terechtstelling eens boosdoeners, steeds niets anders dan eene dwaasheid en eene ergernis, maar het geloof, dat zieh houdt aan Christi bloed, ziet daarin de eeuwige verzoening, ziet daarin de verzoening, die God voor onze oogen gesteld heeft.
Eu waartoe beeft God ons Christus tot eene verzoening voorgesteld? T o t e e n e b e t o o n i n g van Z i j n e r e c h t - v a a r d i g h e i d , d o o r de v e r g e v i n g der z o n d e n , d ie t e v o r e n g e s c h i e d z i j n , o n d e r de v e r d r a a g z a a m - h e i d G o d s . Zien wij op de eeuwen, de tientallen van eeuwen vóór Christus: een heirleger van zonden, van dagelijks nieuwe zonden, — niet gesproken van degenen, die verloren gegaan zijn, maar van degenen, die behouden werden, die zalig geworden zijn, zij hebben vergeving van zonden gezocht en hebben vergeving van zonden gevonden. Zij hebben gebeden : „Onze misdaad drukt ons zeer, wil Gij onze zonden vergeven" en: „Zijt mij genadig, o God! naar Uwe goedertierenheid, delg mijne overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden." En gelijk zij gebeden hebben, alzoo is hun geschied, en zij roemen van God en spreken het uit : „Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is", en : „Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van Zijne weldaden, — Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, Die al uwe krankheden geneest." Zoo hadden zij dus vergeving der zonden, en God Zelf verzekerde hen daarvan door Zijnen Heiligen Geest. Maar hoe kon toch God als een rechtvaardig Rechter zonde vergeven, Hij, Die op gerechtigheid staan, Hij, Die genoegdoening hebben moet? Er was niemand, die genoegdoening brengen kon of zoude gebracht hebben; al doorvorschen wij ook alle landen, alle tijden in de gansche menscliheid, niet één enkele, die daartoe in staat zoude geweest zijn, niet één enkele, die met een bereidwillig hart borg zoude hebben kunnen zijn. Of konden de offers, die gebracht werden, vergeving van zonden aanbrengen, de brandoffers en zondoffers ? De stroomen bloeds, die in het voorhof des tempels vergoten werden, konden zij God verzoenen? kouden zij van zonden reinigen? Alzoo spreekt de Apostel: „Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme", Hebr. 10: 4. Hoe kon dan de rechtvaardige God zonden vergeven ? hoe kon Hij die voorbijzien? hoe dat alles mede aanzien, alles verdragen in zulk eene groote lankmoedigheid ? O, er was eene verzoening aanwezig, zij stond vast in den eeuwigen raad des vredes, daar had Hij het eeuwig geldende offer, daar had Hij de waarachtige verzoening reeds voor oogen, om welke Hij, zonder te kort te doen aan Zijue gerechtigheid, ja in verheerlijking Zijner gerechtigheid, geduld had, genade liet heersehen en zonde vergaf. Maar wat zoo in Zijnen eeuwigen raad vast stond, dat moest aan liet licht komen, toen de tijd vervuld was. Toen heeft Hij Zijnen lieven Zoon overgegeven, toen heeft Deze op Zich genomen, genoegdoening aan te brengen, gerechtigheid te verwerven, toen heeft Hij eene eeuwige verzoening, een eeuwig geldend offer gebracht.
Zoo heeft God bewezen, getoond, dat Hij naar gerechtigheid zonden vergeven heeft, dat het op grond van een eeuwig recht geschied is. Ja, juist zoo heeft Hij Zijne gerechtigheid in het helderste licht geplaatst, op het heerlijkste laten uitkomen, — en niet enkel wat het verleden betreft, niet enkel, wat aangaat de zonden der geloovigen, die vóór Christus' komst in het vleesch geleefd hebben, — ook, Vers 26, t o t e e n e b e t o o n i n g van Z i j n e r e c h t v a a r d i g h e i d in d e z e n t e g e n w o o r d i g en t i j d , nu de tijd vervuld is, nu in Christus de Zon der gerechtigheid opging. Achterwaarts en voorwaarts werpt deze Zon hare stralen. De oprechte kan niet en zal niet tot rust komen, zal geene vergeving der zonde gelooven en voor zichzelven kunnen aannemen, tenzij hij wete, dat er eene genoegdoening is, dat Gods gerechtigheid ongeschonden is. Daar toont ons dan God in dezen troon der genade, dit verzoendeksel in den Heere Jesus Christus, Die aan het kruis hangt, in Hem, Die Zijn bloed voor ons heeft vergoten, dat aan Gods gerechtigheid genoeg geschied is, dat Hij betaling der schuld heeft ontvangen. Ja, daarin openbaart Hij juist Zijne wonderbare gerechtigheid, zooÉtls vleesch en bloed haar niet kent, zooals zij in geens menschen hart opgekomen is, zoodat Hij alles Zelf geeft en tot stand brengt Ach, wij verdenken God toch voortdurend, voeden voortdurend wantrouwen jegens Hem, meenet), dat wij wel willen, maar dat God niet wil; wij, wij hebben het goed voor, maar God komt ons steeds in den weg, opdat het ons niet gelukke, — Hij wil maaien, waar Hij niet gezaaid, vergaderen, waar Hij niet gestrooid heeft, — Hij verlangt van ons, wat wij toch niet hebben, wat wij nu eenmaal niet tot stand kunnen brengen.
O, leeren wij onzen God toch kennen! Denken wij, dat wij rechtvaardig zijn, dat wij bet goed meencn, — God alleen is rechtvaardig, en hoe rechtvaardig! Hij heeft naar al onze zonde en verkeerdheid, naar al ons tegenspreken en tegenstreven niet gevraagd, maar het liefste, wat Hij had, Zijnen Zoon, overgegeven. Hij heeft al onze zonde genomen en op dit Lam gelegd, Hij heeft van ons niets gevorderd, maar alles Zelf tot stand gebracht in Zijnen Zoon, en ons geschonken. Zoo betoont Hij ook in den tegenwoordigen tijd Zijne rechtvaardigheid, — geheel anders dan wij, dan vleesch en bloed zich dezelve voorstellen. Niet eene rechtvaardigheid, naar welke Hij den zondaar straft en in de hel werpt, in de eeuwige verdoemenis, dat zou ook rechtvaardigheid zijn. Wie toch moet niet van ziclizelven bekennen: God, Gij zijt rechtvaardig, wanneer Gij mij voor eeuwig van Uw heilig aangezicht verstoot! Maar uit Gods hart treedt eene andere gerechtigheid te voorschijn, en deze straalt, heerlijk als de zon, in den nacht onzer verlorenheid, onzer vertwijfeling, /oodat God rechtvaardig is, ook wanneer lljj zonde vergeeft, niet enkel, wanneer Hij zonde straft, gelijk het hier heet, en wel nauwkeuriger naar liet Grieksch : ' O p d a t God r e c h t v a a r d i g zij, ook w a n n e e r Hij r e c h t v a a r d i g, s p r e e k t d e n g e n e , die uit het g e l o o f van J e s us i s , Vers 26. Want Hij, de Heere Jesus Christus, heeft onze zonde op Zich genomen, heeft voor onze schuld betaald; zoo is immers de Rechter rechtvaardig en bljjft rechtvaardig, wanneer Hij den zondaar vrijspreekt van schuld, hem voor rechtvaardig verklaart, — dengene namelijk, die, gelijk hier staat, uit het geloof van Jesus is, die dus zijn leven, zijne gerechtigheid niet heeft uit de Wet, uit eigene kracht, eigen willen en loopen, maar alleen uit den Heere Jesus Christus, en die, gelijk de Heere Jesus Christus, beladen met onze zonde, Zich aan deh Vader gehouden heeft en zoo door toorn en gericht heen gebroken is, zich alleenlijk houdt aan den Heere Jesus Christus, trots des duivels lasteringen en beschuldigingen, hoe hij ook toorn en gericht gevoelt, — en alzoo toetreedt tot den troon der genade. Daar, daar zien wij Gods aangezicht, en onze ziel is genezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken