Bekijk het origineel

Uit het eeuwig Evangelie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het eeuwig Evangelie

Blikken in het boek Genesis

14 minuten leestijd

Van onzen Heere en Heiland Jesus Christus wordt getuigd, dat Hij het Lam is, geslacht van de grondlegging der wereld; en daar is het Lam in de eerste plaats geslacht in het Woord, voorzooverre hetzelve het Lam als geslacht zijnde predikt, en wel geslacht voor degenen, die dit Woord in het geloof aangenomen hebben. De prediking van het geslachte Lam hebben wij derhalve van de grondlegging der wereld af, zoodat waar het luidt, dat Adam geschapen is in het beeld Gods, het reeds daarin lag, dat Een komen zou, om het blijvende en eeuwige daar te stellen, zonder hetwelk Adam toch tot stof vergaan moest.
Als Pauhis getuigt, dat Adam het voorbeeld is Desgenen, Die komen zou, gelijk in Romeiuen V : 14 geschreven staat: „Maar de dood heeft geheerscht van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou", dat is over degenen, die nochtans geen uitdrukkelijk gebod bekomen hebben, zoo wil de Apostel zeggen: Het baat u alles niets, wat gij met de wet aanvangen wilt, om door werken der wet gerechtvaardigd te worden; want zij, die voor Mozes geweest zijn, hadden immers geene wet. Adam had een gebod gekregen: „Gij zult niet eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads," — maar hebben dan nu ook allen, die van Adam tot Mozes geleefd hebben eene u bekende wet ontvangen ? Adam krijgt een bepaald gebod in het paradijs; daarop volgt geen bepaald gebod, geene wet meer tot op Sinaï. Zoo hadden dan de menschen van Adam tot Mozes geene wet, en toch kwam de dood over hen. Indien ik een werk doen wil, zoo moet ik toch eerst een voorschrift hebben. Waar geene voorschrift is, daar beteekent mjjn werk niets. Daar kan ik zoomin het leven door het werk verdienen, als de straf ontgaan.
Hoe komt het toch, dat de menschen, die geene wet hadden en dientengevolge haar niet konden overtreden, maar ook niet konden houden, gestorven zijn? De dood moet daar eerst opgeheven worden. De wet komt, om de dooden te veroordeelen, dat zij dood zijn, maar iets doen vóór de wet, dat kunnen zij niet, die de dood in zijne macht gehouden heeft. Eerst moet de dood weggenomen zijn. Gezondigd hebben zij. Waarin hebben zij dan gezondigd? Zij waven in Aaams dood begrepen; zij waren in Adams ongenade besloten. Nu mochten de zoodanigen ook doen, wat zij wilden, goed of kwaad; zij konden daarmee den dood niet opheffen. Want genade, vergeving is een vrij geschenk. Dat wordt gij met werken Diet deelachtig!
Adam was dood: „Gij zult den dood sterven" — en zoo was hij een voorbeeld Desgeuen, Die komen zou, Die toekomstig was; zoo was Adam een voorbeeld van het schrikkelijk lijden onzes iïeeren en Zaligmaker Christus. Maar welk een voorbeeld ? Wel van het tegenovergestelde. Hij, Adam, werd ongehoorzaam en viel als hoofd met de geheele menschheid den dood ten deel. Christus, de tweede Adam, Hij, de Zoon, ofschoon Zoon, zijnde, heeft gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft. Gehoorzaamheid tot den dood!
Ts dus Adam in zijnen dood een voorbeeld van Christus, zoo moet Christus ook sterven. Is Adam gestorven, zoo zijn ook alle kinderen van Adam gestorven. Is Christus gestorven, zoo worden al Zijne kinderen voor God gerekend, als die met Hem en in Hem gestorven zijn.
Christus wordt weder levend en maakt Adam weder levend. Zoo predikt Adams dood den dood van Christus. Daar evenwel Adams dood de toorn Gods is, zoo predikt de dood van Christus, dat Ilij Gods toorn, den last des eeuwigen toorns draagt, want daar alles, wat in God is, eeuwig is, zoo is Gods toorn een eeuwige toorn, en Christus draagt den eeuwigen toorn Gods. Adam is in den eeuwigen dood, Christus smaakt den eeuwigen dood en ontneemt aan Adam den eeuwigen dood.
Dat heeft God in de gansche schepping lalen afbeelden. Adam was ook een beeld van Chiislus, toen God zeide: „ I k wil Adam eene hulpe maken" — want alles is vergankelijk en wat hier beneden geschiedt, geschiedt met het oog op de eeuwigheid. God liet Adam inslapen, en dat hij uit Adam eene rib nam en daaruit hem eene vrouw maakte, is eene prediking van Christus' dood, dat God in Zijnen dood en door Zijnen dood uit Hem eene Gemeente deed voortkomen. Zoo zegt ook Paulus: Wij zijn Zijn vleesch, van Zijn vleesch en been, van Zijne beenen, en zoo is alles wat hij der Gemeente aangaande de getrouwden zegt op Christus en Zijne Gemeente van toepassing. Terwijl Hij Zijne Gemeente Gode den Vader zonder rimpel en vlek voorstelt, zonder iets, waarop de duivel zijnen vinger zou kunnen zetten, heeft Hij al de krankheden, al de gebreken Zijner bruid op Zich genomen. God heeft de Gemeente gewasschen in Zijn bloed en in Zijnen Geest.
Toen Adam en Eva, naakt als zij waren, ontbloot van alle licht en leven Gods, ontdaan en vol schaamte, sidderend en vol vreeze, met den afgrond voor de voeten, daar voor God stonden, en de vijandschap bij hen al hooger en booger steeg, naardien zij de schuld van zich afwentelden, — de klove tusschen God en hen al meer en meer gaapte, zoodat aan wedervereeniging van de zijde des menschen niet meer te denken was, — toen sprak God het in beelden tot de slang, in werkelijkheid echter tot den duivel, u i t : „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, tusschen uw zaad en tusschen haar Zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen." Dat werd allereerst tot de vertroosting voor Eva gezegd. Zij stond daar nog alleen, de eenige vrouw op de aarde, en werd weldra genoemd: „de moeder aller levenden", van allen, die door het geloof leven zouden. Nochtans had zij geeue kinderen, maar zou dier krijgen. Zij was immers dooiden duivel overwonnen; hij had haar listiglijk doen vallen. Van nu af aan moest de vrouw wel voor den duivel vreezen. Van nu af aan kon zij, eenmaal door list ter nedergeworpen, zichzelve niet meer vertrouwen, want de slang was in het oog deivrouw een schoon dier. WTat zal haar beschermen tegen iedere nieuwe verleiding ? nu zij gevallen was en God haar opgezocht en tot haar van genade gesproken had, wat zal haar beschermen en haar bij die genade bewaren tegen Satans wreede list?
Hier komt de vijandschap. God zet ze. Israël zal afzonderlijk wonen, een afgezonderd volk in het midden der volkeren. Israël is versierd met de zon, heeft de maan onder de voeten, op het hoofd een diadeem van twaalf sterren. Dat is het Israël Gods; het Israël naar het vleesch moet des duivels speelgoed hebben; het Israël Gods moet God hebben. De Heere God zet vijandschap; Hij Zelf doet het, of Israël het wil of niet. God maakte de breuke eeuwig, opdat zij, die in den hemel der genade zijn, zich niet kunnen vereenigen met alles, wat de genade tegenstaat. Eu iedere poging der hel wordt verijdeld, met machteloosheid geslagen. De Heere treedt op. Het Zaad der vrouw is een kindeke, klein en teeder, en er is een onafgebroken strijd ontstaan tusschen de kinderen des duivels en de kinderen Gods, en aan hunne spitse hebben de kinderen Gods het Zaad der vrouw, den Heere. Maar hoezeer lijdt Hij! De verzenen worden Hem vermorzeld. Het gif dos doods is Hem door den duivel in de leden geworpen. Hoezeer lijdt Hij inwendig en uitwendig! Maar duivel en dood zullen Hem niet overwinnen. Met verbrijzelde verzenen vertreedt Hij des duivels kop voor altoos.
Wij zijn door veelvuldig liooren aan de paradijsbelofte gewoon geraakt, en kunnen nauwelijks meer zeggen, wat zij in zich besluit, tenzij wij door God verootmoedigd en in datgene gehouden zijn, wat door God gezegd geworden is, tegen hetgeen de duivel en de menschen willen. Is Christus in ons, zoo is de duivel tegen ons, niet slechts geestelijk, ons inwendig bestrijdende, maar door alle omstandigheden des levens legt hij het op de vermorseling der verzenen toe. Ieder lid van Christus meet dien steek in de verzenen mede dragen, opdat het wete, wiens de overwinning is, dat het slechts door vernedering tot verhooging, door miskenning, verkettering en allerlei aanvechting henen gaat, opdat het eenmaal openbaar worde, dat de geheele wereld de parel van groote waarde verworpen heeft en in plaats van dien vergulde steenen gekozen heeft. Maar zij, wien God genadig is, hebben de groote vergulde steenen onderkend; ook ontneemt en slaat God hun alles uit de handen. WTelk een lijden! welk eene smart, en toch zij verkoopen alles om dezen parel! Zoo sterk is de vijandschap, zoo sterk is de liefde van Christus, Dien de eerste ouders ook als het geslachte Lam aanschouwden, toen de Heere hun rokken van vellen maakte. Kaïn zou Abel niet doodgeslagen hebben, indien niet in Abel de Christus geweest ware, indien niet in Abel het geloof in Christus geweest ware. Hoe heeft Abel dat bewezen? Kaïn hield het vette voor zich, hield Gods werk voor zijn eigen werk, en Gods gave voor eigen verdienste, en bracht Gode, wat hem niets kostte. Abel offerde van de lammeren en van hun vet. Kaïn offerde en misbruikte den Naam Gods voor zijne eigene slechte wegen. Abel erkende echter in zijn offer zijnen eigenen dood, Christus' dood voor hem, en Christus' leven.
De eerste wereld na den afval van God was als een schrikwekkend dier, hetwelk den muil opende tegen de vrouw, die in nood was, oin een Kind, het Woord, te baren. Henoch komt en predikt, heeft het Woord Christus in zich, — hoe wordt evenwel de vrouw, hoe wordt het Kind vervolgd! De arme Gemeente! de kleine, de nog overgeblevene ! En Christus in Henoeh en Henoch in Christus wordt weggenomen naar den hemel na lang lijden! Hoog is het Woord gezeten, en de wereld zal het ervaren, dat zij het Woord gehad, maar verworpen hoeft. Zij is in ééne ongerechtigheid verzonken, en Christus wordt in Noach dengenen gepredikt, die in de gevangenis waren in bewaring gesteld, of in den tijd des uitstels van honderd en twintig jaren van Goddeljjke verdraagzaamheid -verkeerden. En hoe lijdt Christus in Noach gedurende dit uitstel, terwijl de arke gebouwd wordt! Ach, hoe lijdt Hij in eene van God ganschelijk afgevallen wereld, en zelfs onder degenen, die op Noachs gebed in de arke gingen, onder de achten is er één, die de arke moet gelasterd hebben. (Genesis 8 : 18—22).
God ontfermt Zich altijd weder. Toen de duif ruste gevonden had voor haren voet, gingen uit de ark Noach met zijne zonen en hunne vrouwen, en Noach nam van al het reine vee en van de vogelen, en offerde brandofferen op het altaar. Waarin hebben de onschuldige dieren gezondigd? Predikt dat niet: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt?" O, Noach had den moed niet om zes schreden op deze vervloekte aarde te doen, of eerst moet de aarde het bloed des Lams gedronken hebben. Daar zien wij Christus lijden, daar zien wij Hem sterven, onuitsprekelijk lijden, terwijl God Zelf in zulk een lijden welbehagen heeft. Want hoe moest het vleesch daar branden! O, welk eene hitte, welk een gloed! En indien toch God een welbehagen had aan den reuk van het offervleesch, dan had God Hem verlaten; anders zou God hebben moeten zeggen : Wat, dat is het vleesch Mijns geliefden Zoons! Maar o, het is Gods eeuwige barmhartigheid, Zijne wondervolle genade, dat Hij eenen reuk, dien wij veroorzaakt hebben, die zoo kwalijk riekt, liefelijk noemen wil, dewijl door dezen brand het vleesch gered werd, dat in de macht des duivels was. En toen zeide God ook: „Het gedichtsel van's menschen hart is boos. van zijne jeugd aan". Daar is dan geene inrichting, waar vergroeide ledematen zouden kunnen worden recht getrokken, veeleer spreekt God Zijne verwachting aldus uit: Yan den mensch verwacht Ik ten eenenmale niets meer, want het gedichtsel zijns harten is boos, alle dagen, ten allen tijde is het boos, van zijne jeugd aan is het boos. Daar zal geen mensch met zijne vroomheid, met zijn werken en doen Mij kunnen bewegen, dat Ik de aarde niet meer sla, maar hier heb Ik een offer, een Lam, eenen Mensch in de plaats des menschen. Nu geef I k Hem de goddelooze aarde; om Zijnentwille sla lk ze niet meer, maar zij zal hebben zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. En des menschen bloed /.al Mij heilig zijn, want Ik zie voortaan Dengene, Die Zich op het altaar des kruises verbranden liet. En zoo draagt de Heere, zoo draagt het Lam van Adam tot op Noach, zoo draagt het Lam van Noach tot op Abraham de zonde der wereld, zoodat zij niet verderft, en het Woord des Lams gehandhaafd wordt. De wereld nochtans heeft en behoudt hare vergulde en verzilverde keisteenen; Israël echter woont afgezonderd en behoudt de parel.
De kinderen van Noach gaan uit de arke, en Noach spreekt het in den Heiligen Geest uit, dat Kanaan vervloekt is, (Genesis 9: 25), maar het moet gaan door lijden des Woords, — het moet in den gloed des vuurs gaan, dat het geloof bewaard wordt. Cham bouwde steden op steden, paleizen op paleizen, kerken op kerken, kathedralen op kathedralen, is heerlijk met wagens en paarden, met goud en zilver, en met alle macht en geweld. „Noach was voorzeker dronken, of wel, wat hij gezegd heeft, kwam uit bitterheid voort", zoo mag Cham wel gedacht hebben. Cham is machtig en steeds machtiger, en de hemelen, de wereld en de hel schreeuwden en schenen zulks mot alle recht te doen: „Vervloekt", in stede van „gezegend" zij de God van Sem! Hij, Hij is nooit en nimmer de ware God! Cham kan op de machtigste steden wijzen, als Parijs en Londen enz. En de vorst Gods, Sem, kan slechts op een enkel kleinkind wijzen, veertien jaren oud, zijn kleinkind Jakob, en sterft dit kind, dan is volstrekt niets meer waar van het Woord Gods.
Aldus lijdt Christus in het Woord, in de Zijnen, alzoo komt Hij weder tot heerlijkheid. Aldus is gezegd, wat wij in de werkelijkheid nooit begrijpen kunnen: „Moest de Christus niet al deze dingen lijden, en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan"? (Luk. 24: 26; Gen. 12: 3; 18: 18.) „In uw zaad," „in u", luidde het tot Abraham, wien het tot rechtvaardigheid gerekend weuf, dat hij God geloofde, „in u zullen gezegend worden alle volkeren der aarde".
Maar kan dan God zegenen, wat vloekwaardig is? Neen, God kan niet zegenen, waar men zijnen God verstoot, waar men God lastert, waar men zijnen Naam tot ijdelheid gebruikt. God beeft geduld, langen tijd geduld, doch God laat Zich niet bespotten Wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.
God kan niet zegenen; Hij moet vervloeken. Hij behoeft niet eens meer te vervloeken; de vloek is daar. Hoe zullen nu alle volkeren gezegend worden? alle volkeren, verzonken in onreinheid en allerlei misdaden! alle volkeren verzonken in gruwelijke afgoderij! alle volkeren, die den zegen niet verlangen, moeten die gezegend worden ? Is God dan niet rechtvaardig? niet meer rechtvaardig? Ja, Hij is rechtvaardig. Dat bewijst Hij, waar Hij Zich ontfermen wil, doordat Hij den vloek van mij, van u wegneemt en dien op het Zaad legt, dat Hij Abraham beloofd heeft, en toont het zoo aan, dat de zegen volstrekt niet gevonden wordt bij menschen, of van meuschenwerk of menschelijke vroomheid afhankelijk is. Daar zal geen volk den moed hebben otn te zeggen: „God heeft ons gezegend, omdat wij vroom zijn"; want er staat: „in u", „in uw Zaad". Daar worden alle volkeren in gemeenschap gebracht met het vleesch en bloed van den éénen Mensch, van Christus. Deze neemt den ganschen vloek der menschen in Zich op, en nu staan zij op zichzelven daar naakt en bloot, maar Christus de Heere heeft den zegen verworven. De zogen is in Hem, en gelijk Hij nu allen zegen heeft en de Bron van allen zegen is, zoo komt Hij met Zijn Woord, met Zijnen Geest. O, hoe lief heeft Hij de volkeren! Hij maakt hen met Zich één, maakt hen tot Zijne broederen, en zoo zegent Hij hen met Zijn Woord, met Zijne genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Uit het eeuwig Evangelie

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken