Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 4 : 23-25

16 minuten leestijd

Wanneer wij de bladen der wereldgeschiedenis opslaan, dan vinden wij daar de verhalen en berichten van machtige vorsten en koningen, van geweldige oorlogen en veroveringen, van gebeurtenissen, die in haren tijd eenen machtigen indruk hebben gemaakt, van menschen, die beroemd geweest zijn, van mannen van naam. De Heilige Schrift doet evenwel anders. Daar wordt ons verhaald van herders, die rondtogen van de eene weide naar de andere, van menschen, wier namen de wereldgeschiedenis niet kent en niet noemt, die uiterlijk menschen van geringe beteekenis waren, — maar over welke God Zich had ontfermd, tot wie Hij in eene persoonlijke verhouding, in een verbond getreden is, wien Hij Zich geopenbaard heeft door woord en daad in Zijne macht, trouw, rechtvaardigheid en genade, zoodat zij IIem waarachtig hebben leeren kennen als hunnen God en Heiland in de gansche macht Zijner genade en ontferming. En wat God zoo aan den eenen en anderen gedaan, hoe Hij Zich aan hem bekend gemaakt en geopenbaard heeft, dat heeft God naar Zijne wijsheid en trouw laten opschrijven, opdat in de toekomende tijden bij de navolgende geslachten dezulken, die denzelfden weg geleid worden, t. w. door de diepte heen, in den nacht in, in den heeten smeltkroes, op eenen weg, waar zij aan zichzelven moeten wanhopen en vertwijfelen, — in de Schrift een licht zouden hebben op dit pad, eene lamp voor hunnen voet, opdat zij daarin zouden zien de voetstappen der schapen, hoe en op welke wijze deze door den Goeden Herder door de woestijn heen geleid zijn, — opdat zij daarin een houvast zouden hebben, om dat aan te grijpen, juist wanneer zij verzinken. Gelijk dan ook de Apostel op eene andere plaats .zegt, liom. 15 : 4: „Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven; opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften — d. i. gelijk wij in de Schrift lijdzaamheid en vertroosting vinden, — hoop hebben zouden", — om te volharden in den strijd, die ons opgelegd is, om de vrijmoedigheid niet weg te werpen, welke eene groote vergelding des loons heeft, Hebr. 10 : 35.
Daarom zegt de Apostel Paulus ook hier in Yers 23: Nu i s h e t n i e t a l l e e n om z i j n e n t w i l g e s c h r e v e n , dat h e t hem t o e g e r e k e n d is. — Het ging God, terwijl Hij het door Zijnen Geest aan Mozes ingaf, deze geschiedenis van Abraham te schrijven, niet daarom, dat Hij slechts een geschiedkundig voorval liet opteekcnen, wellicht tot Abrahams eer, — ofschoon God ongetwijfeld ook diegenen eert, die Hem eeren, gelijk het immers van Abraham heet, dat hij God de eere gaf, en daar heeft dan God hem geëerd, doordien Hij zijne geschiedenis heeft laten opschrijven, zoodat heden ten dage duizenden en nog eens duizenden veel meer van Abraham weten dan van vele koningen en veroveraars in den ouden en nieuwen tijd. Maar daarom alleen is het toch niet geschied. God heeft daarbij nog iets anders op het oog gehad. Hij heeft gezien op zoo velen, die denzelfden weg des geloofs, zonder te aanschouwen, zouden hebben te gaan, — op zoo velen, tot welke ook Gods Woord komt, de belofte van gerechtigheid en leven in Christus Jesus. Daar zoude het hun dan ook gaan als Abraham; zij zouden bij zichzelven niets dan onmogelijkheid, niets dan onvruchtbaarheid zien ; ook bij hen zou de nood uit het geprangde hart zich ruimte maken: „Ach, Ileere, wat zult Gij mij geven?" en: „Waaraan zal ik het weten?" O, hoe drukkend kan de nood worden, wanneer men Gods Woord en belofte heeft, en men ziet en ervaart bij zichzelven niets dan het tegendeel. God heeft leven beloofd, en ziet, het gaat alles in den dood! God heeft beloofd, dat Hij het gebed verhooren wil, maar de verhooring blijft uit, men weet niet anders, dan dat God doof is en de ooren toesluit, dat Hij niet hooren, Zich niet om ons bekommeren wil. In het Woord staat geschreven, dat God de Zijnen helpen en hen bijstaan, dat Hij hen ook naar het uitwendige zegenen wil, dat Hij hen niet wil begeven of verlaten, dat Hij met hen wil zijn, al gaat het ook door diepe wateren en door het vuur heen, ja, juist dan in het bijzonder, — en wij moeten ervaren, dat God ons verlaten heeft en ons alleen onzen weg laat gaan, dat Hij ons van den eenen kuil in den anderen laat vallen, dat Hij ons onzen weg toemuurt, dat Hij leidt door nood en nacht, dat Hij ons het onze ontneemt, dat wij niets zien van zegen, maar wel van vloek. In het Woord lezen wij, dat de zonde niet over ons zal heerschen, omdat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade, — zoo menig woord vinden wij, niet alleen van vergeving van zonden, maar ook van verlossing van zonden in de Heilige Schrift, maar bij ons zien en ervaren wij slechts, dat de zonde al machtiger en machtiger het hoofd opsteekt, de lust, de hartstocht geweldiger wordt en onbedwingbaarder, dat wij alle macht over dezelve verloren hebben, dat de werken des vleesches bij ons aanwezig zijn, en niet de vrucht des Geestes, — en de duivel houdt niet op met zijne influisteringen: het is met u uit, gij hebt geen deel aan de genade, aan de belofte, dat kunt gij immers wel zien, anders zou het er wel anders met u uitzien, gij zij t verloren, geef het er aan, het helpt u toeli alles niets, en het arme hart zegt ja en amen daarop. Nu, waar het ons dan zoo gaat, waar ons alles toeroept: ,onmogelijk, onmogelijk!" en wij ons daartegen niet kunnen verweren, onszelven niet kunnen helpen, daar juist leidt God door Zijnen Geest ons in de Schrift in. Slaan wij toch het oude Bijbelboek op, waarin wij toch reeds menigmaal liclit en troost gevonden hebben, al schijnt het ons nu ook als een gesloten boek te zijn, en wij niets daarin vinden en niets daaraan hebben; slaan wij nogmaals op de oude bekende geschiedenis van Abraham, waarvan wij wellicht denken, dat wij ze van buiten kennen, — er staat toch nog meer in, dan wij tot dusverre gedacht hadden, en wat wij daarin gevonden hebben, — het leidt dieper in, dan wij tot hiertoe geleid zijn. Zie, hij stond daar voor God met de belofte voor zich, en zag bij zichzelven niets dan dood en een verstorven-zijn, en door angst en nood, door sidderen en vreezen, door twijfel en ongeloof heen geloofde hij nochtans aan Hem, Die spreekt, en het is er, Die het heir der sterren met één woord geschapen heeft, Die uit den dood het leven te voorschijn doet komen, en is niet te schande geworden in zijn geloof. Doen wij ook alzoo, en houden wij ons aan Hem, Die onzen Ileere Jesus Christus opgewekt heeft van de dooden. O, deze geschiedenis van de opstanding Jesu Christi is niet eene geschiedenis, die maar zoo op Pasehen eenmaal des jaars ter hand genomen en in eene predikatie behandeld moet worden, het is veeleer eene geschiedenis, die, gelijk alle waarheden Gods, in het leven behoort, dag aan dag, juist waar wij tegenover het gebod, tegenover de belofte Gods bezwaard zijn vanwege onzen grooten dood, en uit dezen dood het leven niet wil te voorschijn komen. Houden en klemmen wij ons daar vast aan Hem, Die onzen Heere Jesus opgewekt heeft, en die met IIem ook de Zijnen, die deze Heere met Zijn bloed vrijgekocht heeft, wier Heer Hij zoo geworden is, ook uit hunnen dood zal doen te voorschiju komen, zoodat het een voortdurend opstaan uit de dooden is, en juist zoo Gods wil gedaan en de belofte geërfd wordt. Houden en klemmen wij ons vast aan Hem, juist waar wij bij onszelven niets anders zien en ervaren dan zonde op zonde, schuld op schuld, waar ons alles veroordeelt, en wij sidderend en bevend voor Gods gericht staan, en niet anders denken dan: „Hij zal mij verdoemen!" Ons zal rechtvaardigheid toegerekend worden, want er is rechtvaardigheid verworven in den dood en de opstanding Jesu Christi.
Want waartoe is toch de Heere Jesus Christus gestorven ? waartoe is Hij opgewekt van de dooden? Dat zegt ons hier de Apostel in Yers 25: W e l k e o v e r g e l e v e r d is om onze z o n d e n , en o p g e w e k t om o n z e r e c h t v a a r d i g m a k i n g, dat is, om onze reehtvaardigspreking, — dus: opgewekt, opdat wij rechtvaardig gesproken, rechtvaardig verklaard zouden worden. — Het is voorwaar een verschrikkelijk woord, wanneer daar van Hem, onzen Heere Jesus Christus, staat: Hij is overgegeven, van God overgegeven. God heeft Hem laten varen, als het ware weggeworpen, van Zich weggeworpen in angst en nood , in smaad en schande, in de pestholen dezer wereld in, heeft IIem prijsgegeven aan den haat en de vijandschap der eigengerechtigen, ja aan de gansche macht en woede der hel en des duivels, — en dat om onze zonden. Dus wanneer wij Hem zien in Gethsémané op Zijn aangezicht liggende, een worm en geen man, wanneer wij zien, hoe Hij siddert en beeft, geheel bedroefd tot den dood toe, hoe Zijn zweet, als groote droppelen bloeds, op de aarde afliep; wanneer wij hooren, hoe Hij driemaal God aanroept: „Vader! indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan ! doch niet, gelijk I k wil, maar gelijk Gij wilt!" laat ons dan vasthouden: dit is om onze zonde geschied. Wanneer wij zien, hoe Hij door den hoogepriester als godslasteraar veroordeeld en met smaad en schande overladen, daarna voor den wereldlijken rechter, den Romeinschen stadhouder, geleid wordt, hier wordt beschuldigd, belasterd, ^p alle wijzen geplaagd, met doornen gekroond en bespot, ten slotte onschuldig ter dood veroordeeld, terwijl de moordenaar vrijgesproken wordt; — wanneer wij zien, hoe Hij het vloekhout draagt naar Golgotha henen, hoe Hij daar aan het kruis geslagen wordt; en nu de eindelooze marteling en pijn, en nu het schrikkelijke van God verlaten-zijn in de duisternis — „Mijn God, -Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" en hoe Hij daarna het hoofd buigt en den geest geeft, en in den dood verzinkt, — waartoe dat alles? O, houden wij het vast: om mijne, oin onze zonden. Ja, daar lagen wij voor God in onze zonde en schuld, door dezelve voor eeuwig van God gescheiden. Hij kon geene gemeenschap met ons hebben, Hij kou geene verbintenis met ons aangaan, Hij kon geene genade laten heerschen, — wat ons van Hem scheidde, moest uit den weg geruimd worden. Maar hoe kon liet uit den weg geruimd worden? Dat moest toch in gerechtigheid geschieden, en wij waren daartoe niet in staat, wij maakten onze schuld slechts immer grooter, wij vielen er slechts steeds dieper in. Toen heeft God Zich eenen wonderbaren ruil, zooals Hij dien alleen uitdenken en uitvoeren kon, voorgenomen. Hij gaf Zijnen Zoon over, het beste wat Hij had. Voor onze zonden, of: om onze zonden gaf Hij Hem over, opdat wij niet overgegeven zouden worden in de eeuwige verdoemenis, opdat voor de zonde betaald, de schuld uitgedelgd zoude zijn, opdat uit den weg geruimd, naar recht en gerechtigheid uit den weg geruimd zoude zijn, wat ons van God scheidde, wat ons voortdurend hinderend in den weg treedt, zoodat wij het niet kunnen. gelooven, dat wij bij God in genade staan, dat Zijne belofte ons geldt, voor ons waar is, aan ons zal vervuld worden.
Om onze zonden is Hij overgegeven, — het 53sl Hoofdstuk van den Profeet Jesaia stelt ons voor oogen, hoe Hij overgegeven is, — maar in den dood is Hij niet gebleven. Wat zouden wij voor eenen troost hebben, wanneer het graf Hem had besloten gehouden? Wat zouden wij er van weten, of de betaling onzer schuld, die Hij door Zijnen dood heeft aangebracht, werkelijk in den hemel geldt? of er nu werkelijk vergeving van zonden is, of er gerechtigheid, of er volkomene genoegdoening verworven is? Niets zouden wij weten, geene zekerheid zouden wij hebben, geen grond des heils zoude er voor ons zijn ! Op zijn best genomen zoude het ons gaan, als die vrouwen, die aan den morgen van den dag der opstanding moedeloos en bevreesd uitgingen tot het graf, vol gedachten des doods, en slechts den éénen wensch hadden, het lijk des Heeren te zalven; — of als die jongeren, die van Jerusalem naar Emmaiis gingen, en vol droefheid met elkander en tot den Vreemdeling, Die Zich bij hen had gevoegd, spraken van hetgeen in de laatste dagen geschied was, dat hun Meester gekruisigd, en dat het nu reeds drie dagen geleden was. Hopeloosheid hier, hopeloosheid daar. Maar juist hier kwam tot hen het woord: ,,0, onverstandigen en tragen van hart, 0111 te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan ?" Juist daar kwam tot de vrouwen het Evangelie uit den mond der engelen : ,,Wat zoekt gij den Levende bij de dooden?" Hij is hier niet, Hij is opgestaan! — Neen, met onzen nood, onze smart, onze treurigheid, met onze droefheid naar God, omdat wij op Gods belofte steunen en toch de waarheid daarvan, de vervulling derzelve niet bij ons kunnen vinden, maar slechts schuld, slechts zonde en geene gerechtigheid zien, tot den hof van Jozef van Arimathéa hent n, laat ons toetreden tot het ledige graf, — wat predikt ons het ledige graf? Opgestaan is de Heere, en daarmede is verklaard, dat de gansche groote schuld, die op ons lag, betaald en uitgedelgd is; want ware er nog iets te betalen overgebleven, ware ook maar in iets de schuld nog niet uitgedelgd, zoo zoude de Heere in het graf gebleven zijn. Maar zoo is alles daarboven voor Gods rechterstoel in orde, de kwijtbrief is geschreven, dat alles betaald is. Genoegdoening is verworven. De zondaar wordt op grond van eene gebrachte genoegdoening, op grond van een eeuwig, Goddelijk recht vrijgesproken, rechtvaardig gesproken. Dat is de zalige vrucht van de opstanding Christi, gelijk de Catechismus zegt: „Hij heeft door Zijne opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij ons door Zijnen dood verworven had, kon deelachtig maken." Zoo staat de zondaar als rechtvaardig voor God, in eene vreemde, hem toegerekende gerechtigheid, — juist hij, die van verre staat, op de borst slaat en zegt: O, God! wees mij armen zondaar genadig!
En nu, wanneer wij dan eenen weg te gaan hebben als Abraham gegaan is ; de roepstem des Heeren is tot ons gekomen : Ga uit uw land en uit uwe maagschap naar het land, dat Ik u wijzen zal, — en wij zijn door Gods genade die roeping gehoorzaam geweest, en God heeft ons woord en belofte gegeven in het verbond, dat Hij met ons gemaakt, waarin Hij ons opgenomen heeft, maar wij zien niet komen, wat Hij ons beloofd heeft, — er is geene gerechtigheid, geene heiligheid, maar wel zonde, altjjd nieuwe en zwaardere schuld, de macht des verderfs ervaren wij al vreeselijker en vreeselijker, de macht des dooda slechts immer geweldiger, er is geen leven, geene liefde, geene dankbaarheid, geene werken, die in God gedaan zijn, — er is niet dan verstorvenheid, alles onvruchtbaarheid. — zien wij dan op Abraham! Wat daar geschreven is van hem, dat is niet alleen om zijnentwil geschreven, maar ook om onzentwil, opdat wij niet moedeloos worden, maar gelooven, gelooven, gelooven, zonder te zien, dat het ons ook zal toegerekend worden. Komen er dan ook gedachten in het hart op als; Ach, Heere, Heere, wat zult Gij mij geven ? anderen hebben het, maar i k niet; anderen hebben het verkregen en kunnen zich daarin verheugen, kunnen zichzelven deswegens roemen en prijzen, maar mij is het onthouden, en ik weet ook niet, vanwaar het zoude komen, — onmogelijkheid hier, onmogelijkheid daar, — komen er dan ook zoodanige gedachten in het hart op, dat wij spreken op Gods vernieuwde belofte: ,.Ach Heere, waarbij zal ik het weten," en wij willen zien in plaats van gelooven, ja zoeken het opnieuw bij de Wet, gelijk Abraham bij Hagar zoeken den Levende bij de dooden, — gedenken wij aan hetgeen van Abraham ook geschreven is: trots alle aanvechting en door alle eigene verkeerdheid heen, gaf hij ten slotte toch God de eere, — hij geloofde, toen de Heere hem de sterren des hemels tooude en tot hem zeide: Tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; zóó zal uw zaad zijn. Is de macht, de almacht Gods groot in de wonderen Zijner schepping, alzoo dat onze twijfel daarvoor moet wijken en verstommen, — nog grooter en geweldiger zijn de wonderen Zijner genade in Christus Jesus. Treden wij naar Golgotha en zien wij op naar het kruis, zien wij in het ledige graf, dat ons de opstanding predikt, — komen dan niet bij ons gedachten op als deze:
Mijn zonden al

En zonder tal

Zijn uit gena vergeven.

Ik heb den eeuw'gen dood verdiend ,

En erf het eeuw'ge leven

Wat kan er nog in den weg zijn, nu God Zijnen Zoon, den Heere Jesus Christus, om onze zonden overgegeven heeft, nu Hijzelf datgene, wat ons van Hem scheidde, uit den weg geruimd heeft? Laat ons zien op dezen wonderbaren ruil ! Zjjnen Zoon gaf God over in onze plaats; Hij leed, wat wij moesten lijden, en heeft alles volbracht. Wat zoude God nu in den weg zijn, om Zijne belofte aan ons te vervullen, om te doen komen, wat Hij gezegd heeft? Onze zonde? Zij is aan het kruis geslagen, zij ligt in Christus' graf. Daar is zij gebleven, de schuld ligt niet meer op ons. Opgestaan is de Heere, als de Rechtvaardige, de Heilige, en in Hem zijn wij rechtvaardig gesproken en staan als rechtvaardigen voor God. Nieuw leven, kracht eens eeuwigen levens is er in de opstanding van Jesus Christus. Wat zoude God nu onmogelijk zijn ? wat Hem in den weg kunnen staan ? Geven wij Gode de eere; zien wij niet aan, dat wij zoo verstorven zijn, dat wij zoo zondig zijn, dat uit ons niets goeds voortkomen kan, dat wij zoo onvruchtbaar, zoo onbekwaam zijn, dat alles ons veroordeelt. — Abraham zag op naar den sterrenhemel, laten wjj opzien naar het kruis, eenen blik slaan in het ledige graf, gelooven, God de eere geven : Hij kan den zondaar rechtvaardig spreken, den onvruchtbare en doode met krachten eens nieuwen levens vervullen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken