Bekijk het origineel

Prolegomena voor eene Gereformeerde dogmatiek

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Prolegomena voor eene Gereformeerde dogmatiek

11 minuten leestijd

§ 4. H e t C h r i s t e n d o m b e v r e d i g t de g o d s d i e n s t i ge b e h o e f t e d e r m e n s c h l i e i d. (Vervolg en slot.)

Alle pogingen, die de niet Christelijke godsdiensten aanwendden, om deze vragen te beantwoorden, leidt onze Christelijke heilsleer allereerst op den rechten weg, ten einde haar tot juiste ontwikkeling en tot een bevredigend resultaat te leiden.
Beginnen wij met het Godsbegrip. Al de boven vermelde gevoelens, welke de Heidenen hebben aangaande God, worden door het Christelijk, namelijk het trinitarisch Godsbegrip, omver geworpen, en iets anders, iets beters wordt daarvoor in de plaats gesteld. Alleen ons Godsbegrip vermijdt aan de ééne zijde de steile antithese van God en wereld, „het Dualisme", aan de andere zijde de indentifieering van God en de natuur „het Pantheïsme".
't Is alleen door ons Godsbegrip, dat wij gevrijwaard zijn voor het verzinken in een dor en traag Deïsme, dat wij ontkomen aan de klip van het Pantheïsme, dat de persoonlijkheid Gods ontkent, en aan de klip van het Dualisme, dat het absolute bestaan van God opheft.
De leer der Triniteit (Drieëenheid) waarborgt ons eene wezenlijke gemeenschap Gods en der meuschen. Immers eene wet, een kategorisehe imperatief (Kant) of ook een voorbeeld kan nimmer de brug zijn, waarop God en de mensch elkander ontmoeten. De mensch ziet tegen zoodanig een brug op en trekt terug , en God zou tot in eeuwigheid moeten wachten, voordat de mensch langs zulk een weg Hem te gemoet zou komen. Waar eene scheiding ontstaat tusschen God en den mensch, ontbreekt het hereenigingsmiddel; de persoonlijke Middelaar Gods en der mensehen wordt te vergeefs gezocht in alle stelsels, die de leer der Drieëenheid missen. Deze leer alleen leert ons, hoe God Zichzelven mededeelt, gelijk ook zij alleen ons de heeling van de verwijdering tusschen God en den mensch waarborgt, en aantoont, hoe beiden weer tot elkander komen. Ook het begrip van schepping en openbaring is ondenkbaar en mist den waren steun zonder de triniteitsleer. Laat men deze leer varen, dan is er geene beweging in het Goddelijk Wezen, geen motief om te scheppen, noch om zich aan andere wezens te openbaren. Het zou dan aan het toeval overgelaten zijn , of wel aan de luimige willekeur der Godheid, dat deze de wereld in het aanzijn riep en in eene nadere betrekking tot de schepselen getreden is. Berst deze leer van de triniteit wijst de motieven aan van de schepping der wereld en van de openbaring Gods. Deze motieven rusten in het diepst van het Goddelijk Wezen. Aanschouwt hier den Vader, die van eeuwigheid den Zoon liefheeft, en met Dezen vereenigd ook in liefde eenen Derden omvat, t. w. den Geest. Deze eeuwige liefdesbetrekking gaat door en uit zich op verscheidene wijzen, zoo bij de schepping als bij de openbaring. Wij hebben dus niet van noode van willekeur in de Godheid te reppen, terwijl ons in haar een inwendig leven aangewezen wordt, waarvan wij de uitwerking in de schepping en de openbaring en vervolgens in de verlossing en de heiligmaking waarnemen. De schepping geschiedt door het Woord Gods, den Logos, de eeuwige Wijsheid. Ons Christelijk leerstelsel beweert, dat God in den beginne den hemel en de aarde schiep, door Zijn Woord, en staat verre boven het verkleinen van God en het verheffen van de wereld, m. a. w. boven alle vermenging van God en de wereld, waaraan de emanatieleer of het pantheïsme mank gaat. De wereld is niet uit Goddelijke bestanddeelen saamgesteld, maar uit niet door het Woord geschapen, en wordt ook voortdurend door datzelfde Woord onderhouden en gedragen. De wereld dringt zichzelven niet zoo op, als dit in de Ileidensche systemen het geval is, integendeel gaat het Christelijk leerstelsel van God uit en laat niet toe, dat de wereld Gode Zijne plaats bestrijdt. Zij is alleen iets i n het Woord en d o o r het Woord (Col. 1 : 16). Alleen ons Christelijk systeem weet den mensch zijn waar standpunt aan te wijzen. Het schat den mensch steeds en altijd voor hetgeen hij is, nameljjk een schepsel, en laat hem nimmer deze plaats te buiten gaan. Uit niet geschapen, heeft de mensch alleen in God zijnen steun. Verlaat hij Gods gebod, dan verliest hij zijnen steun, zijn recht van bestaan, en komt op eene helling te staan, waar alle inspanning zijner krachten hem slechts daartoe dient, om zijn verderf nog grooter te maken, zoo zeer, dat wij met Augustinus moeten zeggen : virtutes pagnanorum splendida vitia.
De Bijbel leert: dat de mensch in het begin der wereld gevallen is, maar wijst tegenover den val aanstonds op een equivalent, een tegenwicht, in het Evangelie Gods, Gen. 3 : 1 5 . Dus kent de Bijbel het booze zonder het te willen verklaren, zonder het uit het goede te willen'afleiden, of als de negatieve pool van het goede te beschouwen, gelijk dit alles bij de oud- en nieuw-Heidensche systemen te huis behoort. Veeleer is het booze voor ons systeem iets, dat tegen het gezonde verstand aandruischt; het is iets, dat alleen uit de Wet Gods wordt erkend en zijn bestaan heeft als overtreding van deze Wet, — en anders niet bestaat. Maar al is dan ook voor dit systeem het ontstaan van het booze iets vreeselijks, wijl tegen de Wet Gods gericht, zoo wordt toch met deze grootheid het raadsel van de geschiedenis en van de ontwikkeling der wereld opgelost. Tegelijkertijd stelt ons systeem van het begin af aan het Evangelie als het groote aantrekkingspunt in het midden, en dat is het derde, waarop wij onze aandacht hebben te vestigen. De Bijbel en bijgevolg ons Christelijk systeem leert, dat van de zijde der menschen zoo weinig eene verlossing te verwachten was, dat veeleer Gods Zoon in de plaats van den mensch getreden is en diens schuld betaald en diens straf op Zich genomen heeft. Zij leert ons, dat de mensch, van God gescheiden, door God weder tot God gebracht wordt. En waarlijk deze gedachte is geen bloot verzinsel, geene ledige idee, die als het ware in de lucht zou zweven, en die door menschelijke redeneering zou moeten worden aanbevolen; neen, de verlossing heeft plaats op zuiver geschiedkundigen grond, in een volk, in eene familie van den beginne der wereld af.
En in de geheele geschiedenis, met welke de Heilige Schrift ons bekend maakt, is dit de eigenlijke kern: het verlossingsplan, te weten de hereeniging van God en den mensch door eenen Middelaar, duidelijk aan het licht te laten treden. In de offeranden, in de woorden der belofte, die op vervulling wachten, kortom in gedurig nieuwe uitingen van het verlossingsplan heeft de geschiedenis van Israël hare altijd nieuwe uitgangspunten, die hare richting bepalen, totdat in de volheid des tijds Christus gekomen is, Die hemel en aarde voor de oogen der gansche wereld vereenigde, alle Hëidenen daarin betrok en hen aan de goederen dezes volks liet deelnemen. Wat eindelijk de heiliging aangaat, zoo weet de Christelijke leer, dat ook hier God alleen het is, Die de verlossing in ieder individu verwezenlijken kan. Zij wijst op den Geest, Die van den Vader en den Zoon uitgaat, als op den Werkmeester van de heiliging des Christens. Do mensch, uit het niet voortgekomen, is niet de auteur van zijne verlossing, maar evenmin de auteur van zijne heiliging. Uit God, door God en tot God (Rom. 11 : 36), dat is het drievoudig snoer, dat de ziel van eiken Christen aan de eeuwigheid verbindt. De vragen, die alle belijders van eenen niet-christelijken godsdienst in hun gemoed omdragen, vinden in het Christendom een bevredigend antwoord. Al wat de Heidenen zich aangematigd hebben en op de wijze der titanen met geweld trachtten te nemen, dat is ons hier op eenen wettigen grond geschonken.
Ons oordeel over de niet-christelijke godsdiensten is daarmede te gelijk uitgesproken. Wel is waar eeren wij en erkennen wij medelijdend het verbeiden, het reikhalzend verlangen van het schepsel aan: Rom. 8 : 19, 20. Wij zelf weten van zulk een hijgend verlangen te spreken; wij zelf behooren tot dat schepsel; wij zelf zouden reeds lang verteerd zijn, indien niet de inwendige gloed door water van boven uitgebluscht werd. Evenwel kennen wij aan die pogingen der Heidenen geenszins gelijk recht toe; wij kunnen Schleiermacher niet toegeven, dat de Heidenen met evenveel recht als Israël als voorloopers van het Christendom beschouwd moeten worden. De reden is deze: de van God vervreemde Heidenen hebben hun systeem te vroeg afgesloten, en wel ten spijt van de getuigenis des gewetens, zij hebben zich eene theorie opgedrongen, die met de praktijk, met de behoeften van den mensch, in disharmonie staat. De zijne afgoden slaande Heiden is het beste zinnebeeld van de verhouding, die er tussehen de theorie en de praktijk bestaat. Indien de Heidenen ten minste nog met eenen geopenden mond en bij het kinderlijk vragen waren blijven staan, indien zij niet zelf zich in de duisternis op titanische wijze een licht van kennis hadden aangematigd, dan zou voorzeker de hemel zich geopend en hen met zijne heerlijkheid vervuld hebben. Nu echter werden zij maar al te ras de pleitbezorgers hunner eigene dwaalwegen. Zoo was dan hunne onwetenheid zonde. Zij waren niet die onschuldigen, niet de armen van geest, Matth. 5 : 8, zooals men hen wel wenscht voor te stellen, om voor de eigene onbeslistheid een praecedent in de geschiedenis te vinden, — neen zij verwarmden zich aan een vuur, dat zij gestolen hadden; zij tonden een vermaak in hunne onzinnige mythen, en waanden, dat zich daaruit wel een draad liet spinnen, ten einde daarmede uit het labyrinth des levens uit te komen. Zij vergoelijkten hunne eigene zonden ondanks den inwendigen brand des gewetens en het zedelijk bankroet, en sleepten zoo ziehzelven mitsgaders hunne nakomelingen in een steeds toenemend verderf, Rom. 1 : 24 vv. Dat dus de menschen eene behoefte hebben aan heerlijkheid, aan verandering van hunnen toestand, dit maakt hen niet verwerpelijk, maar dat zij aan deze behoefte gelijk Prometheus op eigen hand bevrediging gaven, dat is het, waarom wij hen, gelijk Paulus die van Athenen, Handelingen 17, moeten veroordeelen. „Hoewel zij God kenden, hebben zij IIcm toch niet als God verheerlijkt en Hem gedankt, maar, zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden." Rom. 1 : 22 vv. Dat de mensch zich met een „iets", dat „niets" is, zoolang heeft opgehouden en zich nog altijd daarmede ophoudt, dit maakt hem schuldig voor God.
Wij kunnen derhalve het Heidendom geenszins als eene voorbereiding van het Christendom laten gelden. Wij kunnen hunne leerstellingen, die zij hebben van het kwade, van de noodzakelijkheid eener verzoening en heiliging volstrekt niet als praemissen in rekening brengen, waaruit het Christendom mede zou zijn ontstaan. — Gij zult nu inwerpen, dat bij de Heidenen een honger naar God te bespeuren is. Wel is waar geeft de honger den mensch eenig recht op voedsel, maar toch is niet elk middel geoorloofd tot bevrediging van den honger. Dan zou immers dieverij gewettigd wezen. Maar zijn de Heidenen wezenlijk niets anders dan hongerende zielen ? Neen, zij bevredigden hunnen honger, waar zij het konden. Titanische zelfhulp, eigenwilligheid, tevredenheid met ziehzelven, — dat is het, wat het Heidendom kenmerkt. Hun honger maakt hen niet verwerpelijk; evenwel geeft hun honger, hunne behoefte om bevredigd te worden, hun nog geen recht op de Goddelijke verzadiging en wegneming van dezen honger. God heeft in het begin den menschen gegeven al wat zij noodig hadden, en zal het hun thans wedergeven, maar Hij alleen zal het doen, en op Zijne wijze. En wat Hij wil geven, dat mogen de menschen niet stelen, maar zij moeten wachten en het op het uiterste laten aankomen, of God komen zal om hun te helpen, al dan niet. Wij zien dus, de Christelijke religie zweeft niet in de lucht, zij staat daar niet als een vreemde, alsof zij b. v. een experiment ware nevens vele anderen, of eene bijzondere uitvinding op het gebied van de godsdiensten. Neen, zij wil de diepste vragen bevredigend beantwoorden; zij is de heerlijkste, en wel de menschelijkste godsdienst, die aan de behoeften van den mensch het meest conform is; zij is de godsdienst der godsdiensten. Dit ware nu eene aanbeveling van het Christendom om subjectieve redenen; er is echter ook eene aanbeveling om objectieve redenen. De voortreffelijkheid van ons Christelijk geloof bestaat daarin, dat de grondslag er voor in de openbaring Gods, de eeuwige bron der waarheid, rust. Het Christendom geeft niet alleen een antwoord, dat uit de menschen is voortgekomen, maar brengt ons het antwoord van God, en heeft dus een objectief karakter. De bron van onze religie is eene afgeslotene en ten hoogste volmaakte, die haar water uit God ontvangt, wier wateren overgeleverd zijn door do providentiëele leiding en bestiering Gods.
Dat is de stelling, die in de Prolegomena verder dient beantwoord te worden: „De B i j b e l is door Gods bes t u u r o n g e s c h o n d e n tot ons g e k o m e n . " Dit staat ons nu te bewijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juli 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Prolegomena voor eene Gereformeerde dogmatiek

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 juli 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken