Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 5 : 12

18 minuten leestijd

Zal God op het hoogst geroemd worden, gelijk daarvan in het l l d e Vers van dit 5'l e Hoofdstuk staat: „Wij roemen in God door onzen Heere Jesus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben", — zal God op het hoogst geroemd worden, dat Hij het alleen is, aan Wien wij alles te danken hebben, ons gansche heil, onze gansche zaligheid, dan kan dit niet anders geschieden, dan daardoor, dat wij te gelijk onszelven op het diepst vernederen, dat wij den geheelen diepen grond onzes verderfs bloot leggen. Want het eene is zonder het andere niet denkbaar; beide gaan met elkander gepaard. Zal ik weten, hoe ik van al mijne zonde en ellende verlost word, en God daarvoor roemen, dan moet ik ook weten, hoe groot mijne zonde en ellende is, en juist zoo zal het dan ook geleerd worden, hoe ik God voor zulk eene verlossing zal dankbaar zijn. Daarom gaat hier de Apostel met het 12d e Vers, en wat zich verder daarbij aansluit, er toe over, om ons voor oogen te houden, hoe het met ons geheel en al eene afgesnedene zaak is, hoe er geen denken aan is, dat een mensch door zijn doen, door zijne werken voor God rechtvaardig zou kunnen worden; hoe wij niet eerst in den loop van ons leven gevallen zijn, en zoo zondaren en schuldig voor God geworden zijn, maar hoe wij dat reeds zijn van onze geboorte aan, ja reeds vóór onze geboorte in Adam, door onze afkomst van Adam. Wij worden in den dood geboren, in den geestelijken dood en voor den lichamelijken dood. Hoe kan echter uit eenen, die dood is, leven en gerechtigheid voortkomen? Deze dingen hebben eene geheel andere herkomst. God heeft daarvoor eene gansch andere bron geopend; 'daarbij komen wij persoonlijk met hetgeen wij zijn, kunnen en doen, volstrekt niet in aanmerking. Dat ligt alles in Christus, dat vloeit alles alleen uit Hem voort. Hij is de tweede Adam. Van den eersten komt zonde, dood, verdoemenis; van den tweeden gerechtigheid, leven, zaligheid.
D a a r o m , g e l i j k d o o r e e n e n m e n s c h de z o n d e in d e w e r e l d g e k o m e n is. Slaan wij eenen blik in de wereld, slaan wij eenen blik in ons eigen hart, — welk een heirleger van zonden, van voortdurende overtredingen der geboden Gods, welk eene macht van verderf en ellende, die daaraan verbonden is. Wij hebben het vroeger reeds nagegaan en eenen blik daarop geworpen, toen wij het eerste en tweede hoofdstuk dezes Briefs beschouwden. Wij willen niet weder in het bijzonder daarop ingaan. Maar vanwaar dat alles, dat de mensch, die toch geschapen is in het beeld Gods en daar stond naar Zijne gelijkenis, in waarachtige gerechtigheid en heiligheid, gezonken is tot beneden het vee, dat er niemand is, die goed doet, ook niet één, dat wij allen te zamen onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad? Aan God lag toch de schuld niet! Neen, door eenen mensch is de zonde gekomen in de wereld, die God goed gemaakt had. Wij kennen de geschiedenis, gelijk zij ons in het derde Hoofdstuk van het eerste Boek van Mozes verhaald wordt. De duivel, in de gedaante der slang, verleidde de vrouw, terwijl hij Gods gebod bij haar in verdenking bracht. God had den mensch Zijn woord, Zijn gebod gegeven, opdat hij hetzelve zoude bewaren. In de gehoorzaamheid aan dit woord lag zijn geluk, zijn heil. De mensch moest dus tot ongehoorzaamheid verleid worden. Dat was het doel des duivels, die zelf niet in de waarheid Gods is staande gebleven. De engelen, de hooge troongeesten, zouden naar Gods oogmerk den mensch, den uit de aarde geschapene, dienen, — ook hier naar het woord : de meerdere zal den mindere dienen, hetwelk in Gods Rijk de grondwet is, gelijk ook Paulus van hen zegt: „Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die do zaligheid beërven zullen?" Deze dienst was hunne heerlijkheid, hun vorstendom. Daartegen stond eeliter een deel dezer geesten op, en werd zoo tot duivelen, zij verlieten hun beginsel, verloren hunne heerschappij, en nu was de duivel er op uit, om de schepping Gods te verwoesten, om den raensch eveneens in het verderf te storten door ongeloof aan God, door ongehoorzaamheid aan Zijn woord. Vandaar nu de vraag: „Is liet ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs ? " De argwaan wordt in het hart geworpen, Gods woord onzeker gesteld, het wordt verdraaid. En als Eva verklaart: „Van de vrucht der boomen dezes hofs zullen wij eten; maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gijlieden zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft", lacht de duivel haar uit en zegt: „Gijlieden zult den dood niet sterven", — alsof hij zeggen wilde: Weest toch niet zoo dom, zoo dwaas, om zoo iets te gelooven! integendeel: ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult kennen het goed en het kwaad. Gij zult dan dus even verstandig zijn als God en behoeft Hem niet meer te vragen. Dat is immers het ideaal der kinderen, dat zij denken even verstandig te zijn als de ouders, j a nog verstandiger, en hen niet meer behoeven te vragen. En nu, in plaats van de slang te verjagen, die in den boom toch niet op hare plaats was, of zich ten minste niet met haar in een gesprek te begeven, — want met den duivel zal men niet disputeeren, luistert de vrouw naar de slang, naar de stem des verleiders, en schenkt hem geloof. Gods waarheid, Gods goedheid treedt voor haar oog op den achtergrond. Dat Hij hen in het paradijs gezet had, in allen overvloed, dat Hij hun het genot van alles had gegeven, met uitzondering van den boom der kennis des goeds en des kwaads, dat alles, wat hen omringde en hun zeide: God is goed, Hij meent het goed met u, het zijn immers alle Zijne zegeningen en weldaden, — dat alles ziet en bedenkt zij niet meer, zij ziet en hoort slechts naar hetgeen haar de duivel voor oogen houdt, wat hij haar in het oor fluistert, — gelijk de kinderen geen acht slaan op al de liefde en goedheid der ouders, dat de ouders slechts aan het waarachtig heil der kinderen denken en dit op het oog hebben, en hoe ontelbare bewijzen van de liefde en trouw der ouders zij dagelijks genieten; dat alles wijkt terug op den achtergrond van het geheugen, dat alles wordt niet bedacht, wanneer de verzoeker tot hen komt; veeleer denken de kinderen, dat de ouders hun dit of dat niet zouden gunnen, dat zij hun iets zouden willen onthouden; zoo worden dan de ouders niet geloofd en niet gehoorzaamd. Zoo ging het Eva. Wat God gedaan en hun gegeven had, dat beteekende niets meer; wat de duivel hun voor oogen stelde, dat was voor het oogenblik . alles; de vrouw hoort en ziet, — door oor en oog dringt de verzoeking haar hart binnen, de begeerte ontwaakt en trekt haar met kracht naar den boom, tot de verbodene vrucht, zij strekt de hand uit, zij plukt, zij eet en geeft er haren man ook van. „Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zonde", zegt Jakobus. De ongehoorzaamheid was er. Zij waren afgevallen van God. De zonde was in de wereld gekomen, uit het rijk der geesten, der afgevallene engelen in de wereld, — door eenen mensch, door Adam De Schrift vat hier beiden, Adam en Eva, samen als éénen mensch.
Maar daarbij bleef het niet. De zonde, deze afval van God uit wantrouwen jegens Hem, — heeft haar gevolg, hare straf, — de dood volgde — gelijk het hier heet: en door de z o n d e de dood. Dat was een rechtvaardig oordeel Gods. Het geschiedde naar het woord: Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven. Wat was dat voor een dood? Dat was de dood in zijnen ganschen omvang, in zijne gansche macht: de geestelijke, de lichamelijke, de eeuwige dood. Wanneer een frissche tak van eenen boom wordt afgehouwen, dan mag hij er nog zoo groen en bloeiend uitzien, hij is een buit des doods, de bladeren en bloesems zullen binnen korten tijd verwelken, vruchten zal hij niet dragen, hij wordt een dor stuk hout. Zoo staat het met den mensch, nu hij van God af is, evenals met dien tak van den boom; nu hij door de zonde, door zijne ongehoorzaamheid van God af is, is hij van zijn Leven af, en ligt hij in den dood. In den geestelijken dood allereerst. Van dezen dood spreekt de Apostel ook Efeze 2: 1: „En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden", enz.; evenzoo Col. 2: 13. Eene sterke uitdrukking voorzeker. Hij zegt niet: gij waart verzwakt, onmachtig, onbekwaam, — maar dood, dat is zonder leven uit God. Een doode kan niet zien, niet hooren, niet voelen, hij kan zich niet bewegen, hij kan niet tasten, niet gaan . Wij begrijpen, dat de Apostel niet spreekt van den lichamelijken dood, want de Efeziers waren immers ook vóór de bekeering levend geweest; hij spreekt van den geestelijken dood, dat zij dus in het leven Gods, in hetgeen naar Gods wil en welbehagen is, niet zien noch hooren, zich niet roeren noch bewegen konden. Eveneens spreekt de Heere Jesus daarvan, wanneer Hij Joh. 5 : 2 4 en 25 zegt: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven." Ilij heeft dus te voren in den dood gelegen, dat is in den geestelijken dood. En zoo gaat de Heere dan verder voort: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, de ure komt, en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven." Daar spreekt Hij ook weder van de geestelijk dooden, die eerst door Zijn Woord en Zijnen Geest tot het leven verwekt zullen worden ; en waar Hij dan verder voortgaande schier met dezelfde woorden ook van de opwekking der lichamelijke dooden spreekt, die uit de graven zullen te voorschijn komen, zien wij, hoe ook die geestelijke dood in dezen met den lichamelijken geheel gelijk staat. Ten gevolge van dezen afval van God treedt dan ook vroeger of later de lichamelijke dood in, dien wij zoo gewoon weg „dood" noemen, in welken lichaam en ziel, die in het leven zoo wonderlijk vereenigd en verbonden zijn, alsdan gescheiden worden, waarop dan het lichaam der verderving ter prooi wordt. Deze dood, de lichamelijke, heeft iets vreeselijk ernstigs; gaan wij niet zoo licht daarover heen, gelijk zoo velen plegen te doen! Ofschoon de verschrikking des doods in Christus Jesus voor de geloovigen weggenomen is, — juist zij, die God vreezen, gevoelen en ondervinden toch ook weder, dat de dood, ook de lichamelijke, oorspronkelijk het gevolg en de straf der zonde is, en door Gods toorn opgelegd is, waarom Mozes eens in den 90'te" Psalm alzoo daarvan spreekt: „Gij doet den mensch wederkeerea tot verbrijzeling, — Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert, des avonds wordt het afgesneden en het verdort. Want wij vergaan door Uwen toorn; en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt. Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns. Want al onze dagen gaan henen door Uwe verbolgenheid," enz. Wanneer het dan alzoo Gods toorn en grimmigheid is, waarom wij sterven, dan is het met dit leven, of met het sterven niet uit; integendeel, de Apostel zegt: „Het is den mensch gezet eenmaal te sterven, en daarna het oordeel." Dat maakt het sterven zoo ernstig en vreeselijk. Wanneer hierbeneden geene waarachtige bekeering plaats gevonden heeft, waardoor de mensch tot het leven gekomen is, dan zet zich de geestelijke dood door den lichamelijken dood heen voort in den eeuwigen dood, de eeuwige verdoemenis, — die niet maar een bloot vergaan en tot niets worden is, maar een eeuwig van God verworpen zijn, zonder uitzicht op verlossing, met de pijnigende zelfbeschuldiging: ik ben zelf de schuld er van, dat ik in deze plaats der pijniging ben. De Heere Zelf spreekt daarvan, als Hij in de gelijkenis zegt: „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is,'' Matth. 2 5 : 4 1 . Yergel. ook Luk. 16: 23 en 24.
Dat alles omvat de Schrift met den naam „dood", dezen geestelijken, lichamelijken en eeuwigen dood; dat alles wordt bedoeld in het woerd: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den d o o d sterven.'' Maar zijn dan werkelijk Adam en Eva op denzelfden dag, waarop zij gezondigd hebben, den dood gestorven? Zeer zeker! Met de zoude, met de ongehoorzaamheid trad de geestelijke dood in. Dat kunnen wij immers zien aan hun gansche gedrag tegenover God. Adam, die toch in het beeld Gods geschapen was, verbergt zich nu voor God en meent, zich werkelijk voor Hem te kunnen verbergen! En als God de Heere hem roept: „Adam, waar zijt gij?" om hem recht te doen gevoelen, en hem bewust te doen worden, wat hij gedaan heeft en hoe hij van God afgevallen is, daar is gansch geen gevoel daarvoor bij Adam aanwezig. Men zou denken, hij had voor God moeten nederzinken, zijne zonde en schuld belijden, Hem om vergeving smeeken, maar daarvan is geen spoor te vinden; een hard, een steenen hart is er, geen verslagen en verbroken geest; God mott hem eerst in het aangezicht zeggen, wat hij gedaan heeft, anders bekent hij niet, en als hij niet meer ontwijken en de daad niet loochenen kan, werpt hij de schuld op de vrouw en op God, terwijl hij zegt: De vrouw, die G i j bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten. Dus h i j is niet schuldig, de vrouw en God zijn schuldig, maar hij is de brave en heilige man, die nu echter zonder twijfel een ongeluk gehad heeft. Dat is nu juist het kenmerk van den geestelijken dood, wanneer een mensch de schuld, die hij heeft, zich niet wil laten aanleunen, van zichzelven niet belijden wil, niet voor God in de schuld wil vallen, maar zich in eigengerechtigheid verhardt en de schuld op anderen werpt, of die in de omstandigheden en de verschillende verhoudingen zoekt. En dat is een bewijs, dat er geestelijk leven, leven uit God, ontwaakt en opkomt, wanneer een mensch, hetzij een kind of een volwassene, zijne zonde belijdt en betreurt, voor God of menschen in de schuld valt. Daarvan vinden wij niets bij onze eerste ouders, "wel een bewijs van den geestelijken dood, waarin zij zich bevonden, die over hen kwam t e n d a g e , toen zij van de verbodene vrucht aten, t e n d a g e , toen zij ongehoorzaam waren en het gebod Gods overtraden.
Zoo is dus, gelijk de Apostel zegt, door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood. Dezen dood halen de menschen niet eenigszins over zich door hunne eigene bijzondere zonden; wij verdienen wel is waar den dood met onze zonden, j a , met iedere zonde op zichzelve; hetzij zij in onze oogen groot of klein zij, verdienen wij den dood, en wij hebben allen grond om te belijden: „Ik heb den eeuwigen dood verdiend." Maar de dood is toch niet eerst dcor onze zonden op zichzelven over ons gekomen, zoodat het nog de vraag kon zijn, of niet misschien de eene of andere mensch van de zonde en daarom van den dood vrij blijft; integendeel, dit leert immers de ervaring: alle menschen, zonder onderscheid, zijn zondaars, alle menschen, zonder onderscheid, liggen in den dood, zijn den dood toegevallen. Dat is geschied door.dieh éénen mensch, gelijk de Apostel hier verder zegt: „Gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, z o o is ook (want zoo moet het vertaald worden) de dood tot a l l e m e n s c h e n d o o r g e g a a n , in welk e n a l l e n g e z o n d i g d h e b b e n . Dat is naar een rechtvaardig oordeel Gods geschied. In Adam was het gansche menschelijk geslacht; in hem en mot hem viel het gansche menschelijke geslacht. Yader en kinderen hangen daar solidair samen, d. i. zijn voor elkander aansprakelijk, met elkander samen en niet van elkander te scheiden. Is iemand een oproermaker tegen den koning, zoo kan hij met zijn gansche huis bij den koning in ongenade vallen en van diens aangezicht verbannen worden. Heeft iemand zijn erfgoed verkwist en zichzelven tot armoede gebracht, zoo heeft hij daarmede ook zijn huis, zijne kinderen, in armoede gedompeld, ja in schulden en schande. Heeft eene stad, een volk soms ten tijde der Hervorming Gods Woord en Evangelie aangenomen, zoo is dat tot op kind en kindskind, door de eeuwen heen, het navolgende geslacht ten goede gekomen en heeft hun ten zegen gestrekt; hebben zij echter toen Gods Woord, het Evangelie van Jesus Christus, verworpen en zijn Roomseh gebleven, zoo is dat wederom door de eeuwen heen voor de navolgende geslachten eene blijvende beslissing ten verderve geworden. Dat hangt wonderbaar samen. De menschheid bestaat geenszins uit afzonderlijke personen (individuen), die elkander verder niet aangaan, maar de meiisehheid is een geheel, — Adam de stam, zijne nakomelingen de takken en twijgen. Wordt de stam omgehouwen, zoo zijn daarmede de takken en twijgen ook omgehouwen. Begint de stam te rotten, dan ook de takken en twijgen. Alzoo is de dood, deze vreeselijke macht, de dood in zijnen geheelen omvang, ons van God afgekomen-zijn, tot alle menschen doorgegaan, — zonder uitzondering, ook tot de heiligsten, tot de voortreffelijkste werktuigen en dienaren Gods. Of wie kan eene uitzondering aanwijzen, zij het ook maar ééne? Allen hebben tot de belijdenis moeten komen, gelijk David: „Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen." I)at leeren wij uit Gods Woord, dat leert de oprechte, die God vreest, uit de ervaring. Deze dood, deze toestand van vervreemding , van afval, van gescheiden-zijn van God is tot alle menschen doorgegaan, en in dezen dood hebben zij allen gezondigd, — nauwkeuriger: in diens rijk, in diens gebied, op diens grond en bodem. Deze dood, die tot ons allen doorgegaan is, in welken wij allen liggen, is de rotte wortel, waaruit al de giftplanten der afzonderlijke zonden voortkomen, — is de bittere bron. waaruit al de afzonderlijke zonden en overtredingen als een stroom des verderfs voortvloeien. Wanneer zich een kind met zijn hart van de ouders losrukt, wantrouwen en bitterheid tegen de ouders in het hart draagt, dan zal daaruit ook allerlei verkeerdheid en goddeloosheid in woord en daad te voorschijn komen; al bleef het kind ook naar het uitwendige in de gehoorzaamheid, zoo zijn het toch onnutte offers, die het brengt, die voor God niet deugen, het hart is er niet bij, zij zijn niet in den Heere gedaan, maar in dezen dood ; het zijn dus doode werken, en als zoodanig niets dan zonde, welk eenen schoonen schijn zij ook mogen hebben.
En waartoe houdt ons de Apostel dit alles voor, dat wij namelijft niet eerst door onze eigene, onze afzonderlijke zonden, die wij begaan en begaan hebben, den dood, de verdoemenis over ons gebracht hebben, maar dat dit reeds geschied is door de zonde van dien éénen, die onzer aller stamvader is, dat door hem de dood, de geestelijke dood, over ons gekomen is, en wij allen zonder uitzondering in dezen dood het maken, gelijk hij het gemaakt heeft, dat wij namelijk God laten zeggen, wat Hij wil, en ons aan den duivel overgeven, om diens wil te doen, — waartoe dat alles? waartoe deze schrikkelijke waarheid? Dat wij haar niet loochenen en onze oogen niet daarvoor sluiten, maar zien wij deze waarheid in het aangezicht! Daartoe wordt zij ons immers verkondigd en voorgehouden, opdat wij toch geheel van onszelven afzien, van onszelven niets verwachten, — van eenen verdorven aard komt geene goede vrucht, — maar opdat wij leeren op eenen Anderen te zien, van eenen Anderen ons heil te verwachten, van Hem, den Heere Jesus Christus, opdat wij in Hem gelooven en alzoo Hem ingeplant, Hem ingelijfd zijn, en alzoo onze vrucht hebben in gerechtigheid en leven. Dan roemen wij God in Christus Jesus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 augustus 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 augustus 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken