Bekijk het origineel

Willem Farel, de Hervormer van Waadtland

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Willem Farel, de Hervormer van Waadtland

11 minuten leestijd

HOOFDSTUK V I.

DE HERVORMING IN GENÈVE

Door zijnen gezegenden arbeid was Parel ook reeds bij andere Kerken bekend geworden, die hem kwamen raadplegen en hem groote achting toedroegen. Zoodra de Waldenzen van de Reformatie tijding ontvangen hadden, sloegen zij hare vorderingen met opmerkzaamheid gade, en gingen ook eenigen der voornaamste Hervormers bezoeken, om hen meer van nabij te leeren kennen. Hoewel de Waldenzen tegenover de Roomsehe Kerk stonden, zoo had nochtans ook onder hen menig middeleeuwsch bijgeloovig dwaalbegrip post gevat, en zij hadden ook veel, dat niet met het Woord Gods overeenkwam, inzonderheid, dat zij voor het uitwendige aan de Roomsehe ceremoniën deel namen. Oecolampadius gaf hun den raad, om de ceremoniën van het bijgeloof te laten varen en tot de Apostolische zuiverheid terug te keeren. De Waldenzen-predikers George Morel en Peter Masou bezochten uit dien hoofde nog eens de Hervormers te Straatsburg en in Zwitserland. Ook Parel ontving te Orbe en te Granson hunne, bezoeken, en toen zij van de waarheid overtuigd waren geworden, rijpte bij hen het verlangen om ook in de Kerk der Waldenzen de schoone kerkorde naar Gods Woord in te voeren, en drongen zij er bij Parel op aan, dat hij hunne synode zou bezoeken en tot de volle invoering der schoone kerkorde zou mede werken. Dewijl ook de overige vrienden Parel als den meest geschikten man daartoe beschouwden en hem er toe aanspoorden, begaf hij zich ondanks vele bezwaren met zynen medehelper Saussier naar de Alpen van Piëmont en nam den 12dc" September 1532 aan de Synode der Waldenzen t e Chauforans deel. Als vrucht van Parels bemoeiingen vereenigden de Waldenzen zich met de Gereformeerde Kerk. Parel beloofde hun leeraren te bezorgen en zond hun wat later Robert Olivetanus, eenen bloedverwant van Calvijn, die voor de Waldenzen de vertaling der Heilige Schrift op zich nam. Sedert dien tijd bleef de Kerk der Waldenzen onder de hoede en leiding van Parel.
Toen hij van de Synode der Waldenzen terugkeerde, kwam hij in de eerste dagen van October 1532 met zijnen medehelper te Genève. In Genève heerschten toenmaals bijzondere toestanden. In het begin der vijftiende eeuw was de bisschoppelijke waardigheid te Genève aan de jongere prinsen uit het huis van Savoye erfelijk ten deel gevallen. Bij herhaling waren knapen, tot zelfs van twaalf jaren toe, bisschoppen geworden, die dan de inkomsten verteerden, hun levensgenot najaagden, doch zich volstrekt niet om de Kerk bekommerden. Genève was onder de heerschappij des bisschops gesteld, zoowel in geestelijke als in wereldlijke zaken, maar wegens de voorliefde der bisschoppen voor Savoye, waren zij met de inwoners van Genève in aanhoudenden strijd, daar deze laatsten van de oppermacht van Savoye volstrekt niet gediend waren. De naburige Staten, Frankrijk, Savoye en Bern wilden Genève tot zich trekken. De toenmalige bisschop vereenigde zich met den hertog van Savoye en wilde hem Genève verraderlijk overleveren, om vervolgens door hem gesteund de heerschappij te kunnen voeren, maar de burgers van Genève vereenigden zich met de Berners, versloegen in het jaar 1526 het leger van Savoye en riepen eene republikeinsche regeering in het leven; den bisschop lieten zij slechts de geestelijke rechten en den titel van vorst van Genève. De Berners, met Genève verbonden zijnde, wenschten daarom te vuriger, dat de Reformatie te Genève mocht zegepralen, opdat het zoowel met de geestelijke als met de wereldlijke heerschappij van den bisschop een einde hebben mocht.
Nog droeviger was het met de zedelijke verhoudingen in Genève gesteld; de priesters en het volk waren in een schrikkelijken poel van onzedelijkheid verzonken; de bisschop en de overige geestelijken leidden een ongebonden leven; eerbare vrouwen waren voor hunne aanslagen niet zeker; meermalen waren de burgers genoodzaakt het bisschoppelijk j paleis en de kloosters gewelddadig open te breken om hunne dochters te bevrijden, welke de priesters op de straten aange« houden en in hunne woningen opgesloten hielden. Gevolg : daarvan was, dat de bisschop uit de stad moest vluchten, en de priesters in verachting kwamen Op het voorbeeld der priesters werd de onzedelijkheid schaamteloos gedreven; de schandelijke dansen, waarmede het volk zich verlustigde, verbiedt de betamelijkheid te schilderen; de voornaamste vrouwen in de stad verhoovaardigden zich openlijk over hare echtbreuken; een geheel stadskwartier werd door ontuchtige deernen bewoond, over welke de stedelijke raad eene koningin aanstelde, die op het Evangelie zweren moest. Daarbij kwam, dat hier de sekte der „Spirituels" verbreid was, die de volgende gruwelijke grondstellingen huldigde: „Er is maar één geest, en die geest leeft in alles en beweegt alles, die geest is God; de schepselen zijn God zelf; de duivelen en engelen zijn van God niet onderscheiden. Alles, wat geschiedt, goed en kwaad, geschiedt door dien eenen geest; er is geen onderscheid tusschen goed en kwaad; wat de mensch doet, doet God in hem. Een iegelijke mensch is Christus, en Christus Zelf is niets anders dan de algemeene geest der natuur, die in alle schepselen woont. Er is geene onsterfelijkheid noch vergelding; sterft de mensch, zoo vervloeit hij in den algemeenen geest der natuur; geen • daad bezoedelt den mensch." Volgens deze grondstellingen richtte men ook het leven in; men had ouderling gemeenschappelijke , vrouwen en droeg daar openlijk roem op. Toen in Genève de pest woedde, ontstond eene vereeniging van moordenaars, die ! met het pestgif de deuren in de woningen hunner bloedverwanten en dergenen, van wie zij erven wilden, bestreken, waardoor de • pest zulk eene uitbreiding kreeg, dat van de 20000 inwoners verre over de tweeduizend bezweken.
In deze groote verdorvenheid gingen velen de oogen open, ] zoodat zij smachtende naar verbetering begonnen uit te zien, < opdat de Staat niet ganschelijk te gronde zou gaan. Het volk was vol verbittering en haat tegen de schaamteloos verdorvene j priesterschap. Daardoor was eenerzijds de weg voor de Hervorming al geëffend. Het zuivere Evangelie nochtans kende men niet. Wel traden hier en daar predikers op, die tegen de onzedelijkheid der priesters te velde trokken, maar zij boden den zielen het rechte voedsel niet aan. Spoedig vond men ook enkelen, die naar het zuivere Evangelie dorstten; Robert Olivetanus werkte in stilte te Genève voor de Reformatie, maar nauwelijks hadden de vijanden daarvan lucht gekregen, of strenge verordeningen tegen de Reformatie werden uitgevaardigd.
Toen Zwingli het ontwakende leven te Genève bespeurd had, maakte hij reeds in het j a a r 1531 Farel op de belangrijkheid dier stad opmerkzaam en riep hem op, om aldaar met de Reformatie eenen aanvang te maken; en de stedelijke raad, geen andere uitkomst ziende, verlangde in het jaar 1532 van .den bisschoppelijken vicaris, dat hij het reine Woord Gods zonder fabelen of verdichtselen van tnenschen zou laten prediken.
Toen Farel te Genève gekomen was, zocht hij de vrienden der Hervorming op, sprak hun moed in, onderwees hen en predikte in de huizen; het aantal dèrzulken, die het Evangelie verlangden te booren, nam steeds toe, en telkens meerderen vereenigden zich onder het gehoor zijner prediking. Nauwelijks was men evenwel gewaar geworden, dat Farel, die „geesel der priesters", in de stad was, of er ontstond eene groote beweging. De priesters drongen er op aan, dat Farel uit de stad verbannen zou worden, zoodat hij voor den stedelijken raad werd gedaagd. Farel toonde zijnen brief van aanbeveling uit Bero, waarop de raad zich zeer minzaam jegens hem gedroeg, maar hem nochtans uitnoodigde de stad ter wille van den vrede te verlaten. Eer hij echter uit de stad vertrok, ontbood de bisschoppelijke vicaris hem voor zich, opdat hij rekenschap van zijne leer geven zou. Zonder aarzelen betrad Farel zijn huis, opdat hij belijdenis van zijn geloof mocht doen en het den priesteren op het harte mocht binden, om toch het zuivere Evangelie te prediken. Reeds op den weg daarheen stond hij aan smaad bloot. Nauwelijks had hij evenwel den voet over den drempel gezet, en was hij in de tegenwoordigheid der priesters, die zich met geweren gewapend tot verdediging des geloofs vergaderd hadden, gekomen, of daar klonk het hem uit den mond van den procurator tegen: „Kom hier, gij booze duivel Farel; waarom trekt gij in de wereld rond om alles in verwarring te brengen ? vanwaar koint gij? wat wilt gij hier? wie heeft u geroepen en u verlof gegeven om te prediken !" Bedaard gaf Farel ten antwoord: „Een duivel ben ik niet; ik kom om Jesus Christus te prediken, Die gestorven is om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Ik ben bereid rekenschap van mijn geloof te geven, indien gijlieden mij geduldig wilt aanhooren. Ik verstoor den vrede der stad niet, maar gijlieden verstoort dien, terwijl gij met uwe menschelijke stellingen en met uw ergerlijk leven niet slechts Genève maar de gansche wereld in beroering zet". Zoodra hij die woorden uitgesproken had, riepen de priesters: „Hij heeft God gelasterd; wij hebben geene getuigenis meer van noode; hij is des doods schuldig; in de Rhóne met hem; het is beter, dat deze afschuwelijke duivel te gronde ga, dan dat het gansche volk verloren ga." Vol vuur riep Farel u i t : „Spreekt liever het Woord Gods, dan de woorden van Kajafas " De priesters begonnen hem te slaan; één stiet hem met den voet, een ander sloeg hem in liet gezicht, en de canonicus legde op hem aan, maar zijn geweer ketste. Rustig wendde Farel zich om, zeggende: „Uwe schoten verschrikken mij niet." Een ander trok zijn dolk tegen hem, en men zou hem vermoord hebben, indien niet eenige raadsleden hem te hulp gekomen waren, die hem met de grootste moeite uit de handen der priesters verlosten. De nonnen drukten haar groot leedwezen uit, dat de vrome priesters dien afschuwelijken Farel niet doodgeslagen hadden. Yan den stedelijken raad gewerd hem nu het bevel, om binnen drie uur Genève te verlaten. Zijne vrienden brachten hem over het meer naar Orbe, en wederom predikte Farel in de omstreken; hij bezocht de nieuw gestichte Gemeenten en versterkte ze in het geloof. Opdat de Gemeenten in de kennis mochten toenemen, stelde hij leeraren aan en voerde voor de leeraren broederlijke samenkomsten in, door welke zij elkander tot onderwijzing en stichting konden strekken. Daaruit kwamen de synoden voort. In het jaar 1533 predikte hij in Payerne, werd toen bij die prediking mishandeld en daarop in de gevangenis geworpen, maar alras ontstond aldaar eene bloeiende Gemeente.
Daar Farel voorshands zelf in Genève niet prediken mocht, zond hij er zijnen vriend Anton Froment heen; Froment kwam er als onderwijzer der kinderen en legde daarbij aan volwassenen het Woord Gods uit, terwijl hij in de huizen predikte. De Franciskaner-monnik Christoph Boquet was der waarheid genegen en stond Froment bij om het volk te bekeeren en de kennis van het Evangelie onder hetzelve uit te breiden. Het aantal geloovigen nam steeds toe, zoodat men Froment opriep, om openlijk in de kerk te prediken. Doch de priesters luidden de stormklok; het gepeupel liep te hoop, en Froment moest van de prediking afzien. De priesters strooiden het gerucht uit, dat alle evangelische predikers toovenaars waren en ieder, die hen hoorde, betooverden. Eene aanzienlijke vrouw, Glaudine, wilde Froment niet hooren om niet betooverd te worden, maar de nieuwsgierigheid liet haar geen rust, zoodat zij het besluit nam om hem toch eenmaal te hooren; tegen het gevaar van betoovering nam zij echter een crucifix en eenige reliquien mede Doch onder zijn gehoor gekomen, werd zij al aanstonds zoozeer door de waarheid aangegrepen, dat zij ondanks alle vooroordeel de zijde der waarheid koos.
Toen nu smaad en laster niet in staat waren het verlangen naar het Woord Gods te dooden, begonnen de priesters Froment openlijk te vervolgen en telkens nieuwe oploopen en samenscholingen in de stad te verwekken. Zelfs waren zij er op bedacht om de stad den Hertog van Savoye in handen te spelen. Zulks noopte den stedelijken raad, om Froment en Boquet het verder verblijf in de stad te ontzeggen, om zoo de onlusten te stillen.
Ten einde het volk van de Hervorming afkeerig te maken, riepen de priesters den Dominikaner-monnik Furbity, opdat hij in zijne predikatiën het pausdom verdedigen en de Hervorming bestrijden zou. Furbity overlaadde op buitensporige wijze de belijders des Evangelies met smaad, en zette het volk zoo tegen hen op, dat men hen op openbare plaatsen aanviel en mishandelde, zoodat telkenmale vechtpartijen op de straten ontstonden. De stedelijke raad bande ook Robert Olivetanus uit de stad, om de rust zoo mogelijk te herstellen; daar nu de vrienden dei- Reformatie van al hunne leeraren beroofd waren, hielden zij hunne samenkomsten in bijzondere woningen, en vierden het Heilige Avondmaal in den tuin van zekeren Guerin, waarbij zij veel smaad en vervolging van de vijanden lijden moesten. Ten laatste, toen het gevaar steeds toenam, brachten de Hervormden en de Berners in een opzettelijk bezwaarschrift hun beklag in over de lasteringen en ophitsingen van den monnik Furbity, hetwelk deze uitwerking had, dat de stedelijke raad hem gelastte niets anders dan het zuivere Woord Gods te prediken. (Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

Willem Farel, de Hervormer van Waadtland

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 7 Pagina's

PDF Bekijken