Bekijk het origineel

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Hoofdstuk 6 : 20-23

19 minuten leestijd

De Apostel heeft ia het voorgaande de geloovigen vermaand, om ernst te maken met hunne roeping en niet halverwege te blijven staan, zich niet te vergenoegen met een geloof in het hoofd te hebben, een gevoel daarvan met zich in het hart om t e dragen, maar hun gansche leven, hun doen en drijven, of gelijk hier staat, hunne leden, in dienst der gerechtigheid te stellen, — juist door de zondige leden, die anders onbekwaam zijn tot eenig goed, die geheel verkeerd, die krom en lam zijn, niet over te geven tot de zonde, tot eigen wil en eigen kracht, maar ze der gerechtigheid aan te bieden of beschikbaar te stellen, dat is Hem, den ITeere Jesus Christus, opdat Hij ze geneze, opdat Hij ze regeere, opdat Hij ze in Zijne hand neme, opdat zij mogen heilig gemaakt zijn, dat is, opdat zij zich bewegen in den wil en de Wet Gods, opdat Gods wil door hen volbracht worde. Hebben wij ons voorheen gansch en al der zonde dienstbaar gesteld, hebben wij het van onszelven, van eigene kracht verwacht, welnu, laten wij dan nu ook consequent in den dienst van den nieuwen Heer zijn, zoodat wij niet alleen in onze gedachten aan de gerechtigheid Christi hangen en toch metterdaad weder daarvan afwijken, maar zoo dat wij ons geheele doen, al onze leden in haren dienst stellen. Want het is ons zoo eigen, dat wij daarbij niet kunnen blijven, maar altijd weder Christus, het geloof, de genade laten varen, zoodra het om de praktijk gaat, en dat wij altijd weder meenen, dat de zaak niet goed zou kunnen gaan, en wij niet tot waarachtige gerechtigheid en heiligheid in den wandel zouden kunnen komen, wanneer wij niet de zaak in onze handen nemen. Om ons nu van dit wankelen, van deze onzekerheid af te manen, j a af te schrikken, en ons daarentegen op te wekken, om vaste schreden te zetten, — want het is goed, dat het hart gesterkt worde door genade (Hebr. 13 : 9), — houdt hij ons de beide wegen nogmaals voor en vervolgt die tot aan het einde: — den weg, dien wij altijd weder willen inslaan, welke is een weg des verderfs, des doods; en den weg, waarop God de Zijnen in genade houdt, die een weg des heils en des levens is, — den eenen weg noemt hij z o n d e , en den anderen g e r e c h t i g h e i d .
Daarom begint hij Vers 20: W a n t t o e n gij d i e n s t - k n e c h t e n w a a r t der z o n d e , z o o w a a r t gij v r i j , d a t i s , l o s v a n de g e r e c h t i g h e i d . Er was een tijd, toen gij meendet te moeten doen als Adam, toen gij het oor hebt geleend aan de stem der slang, aan de verleiding des duivels, toen het woord uw hart binnendrong: „Is het ook, dat God gezegd heeft?", toen gij wildet zijn als God en zeiven wildet weten, wat goed en kwaad is, toen gjj Gods Woord en gebod, het geloof en de gehoorzaamheid liet varen, toen gij niet a f h a n k e l i j k wildet zijn, maar op eigene beenen wildet staan, uw heil in eigene hand wildet hebben en het niet uit Gods hand wildet ontvangen, uwen eigen wil wildet hebben, uwe eigene gerechtigheid, om daarmee voor God te bestaan, het in eigene kracht zocht te volbrengen, — kortom, toen gij dienstknechten waart van de zonde, d. i.: dienstbaar aan de zonde, den afval van God. Toen meendet gij wel is waar vrij te zijn, droomdet van eenen vrijen wil, pronktet met uwe vrijheid en waart er trotsch op, — gelijk het toch des duivels wijze van doen is, terwijl hij den mensch van Gods Woord en waarheid aftrekt, door hem allerlei vrijheid te beloven, hem daarentegen juist in zijne banden slaat, — en gelijk een kind zich inbeeldt, wanneer het onder de oogen, onder het opzicht der ouders weg is en zijnen eigen wil kan volgen, dat het dan ik weet niet wat voor geluk in deze vrijheid zal genieten! Nu ja, eene vrijheid is er ongetwijfeld, dat is waar, — toen waart gij vrij van de gerechtigheid, gij waart los van haar; gij hadt niets met de gerechtigheid uit te staan, en zij niets met u; het ging als met den verloren zoon; toen (leze het van zijnen vader had afgedwongen, dat hij de goederen deelde, nam hij zjjii deel, trok naar een ver land en bracht zijn goed door met brassen in een weelderig en buitensporig leven; hij was vrij van zijnen vader en daarmee vrij van de gerechtigheid. En daar, waar gij u overgeeft aan de zonde, aan den afval van God, om het in eigene gerechtigheid en kracht te zoeken, nevens Christus in eigene verdienste, in eigen werk, daar is geene gerechtigheid aanwezig, geene waarachtige gerechtigheid, daar zijt gij vrij en los van alle gerechtigheid, waarnaar gij jaagt, waarvan gjj droomt, gij komt er niet toe, gij verkrijgt haar niet, ja, gij hebt er niet eens een begrip van, wat ware gerechtigheid is.
Of zeg mij: W a t v r u c h t dan h a d t gij t o e n v a n die d i n g e n , w a a r o v e r gij u nu s c h a a m t ? " Juist toen gij dacht het Gode te kunnen afwinnen, het in eigen willen en loopen, in eigene kracht, in eigene voornemens en besluiten te vinden, toen gij het buiten Christus zocht, ja, wel den Naam van Christus in den mond hadt, maar Zijne kracht verloochendet, — wat kwam bij dit alles te voorschijn? Dingen, waarover gij u nu schaamt! Ach, de Apostel heeft het aan zichzelven ervaren, wat vrucht hij daarvan had, toen hij het in eigene gerechtigheid zocht, toen hij op vleesch vertrouwde; hij meende voor God, voor den godsdienst, voor de "Wet te ijveren, hij meende in bijzondere mate Gods wil te doen, en wat vrucht kwam daarbij te voorschijn? Dat hij openbaar werd als een bloeddorstige wolf, dat hy de waarheid Gods met voeten trad, dat hij de Gemeente Gods in bitteren haat en booze vijandschap vervolgde. Hoe heeft hij zich over deze vrucht geschaamd, hoe ging hij zijn geheele leven daaronder diep gebukt, terwijl hij beleed: „Ik, die te voren een godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker", 1 Tim. 1 : 13; en: „Die niet waardig ben een Apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb" 1 Cor. 15 : 9. En ië dat niet steeds het geval? Men wil eene eigene heiligmaking najagen, de zonde dooden, lust en hartstocht overwinnen, en, de volmaaktheid zich ten doel stellende, al hooger en hooger stijgen, en terwijl men dit zichzelven en anderen diets maakt, geeft men zich in liet verborgen over aan allerlei schandelijke zonden, aan ontucht en hoererij, of het breekt voor aller oog uit en komt aan den dag; daar is dan de diepe val; men slaat de handen saam en jammert: „ik had het niet van mijzelven gedacht, niet geloofd, dat ik zoo zou kunnen vallen!" Men spreekt daar veel van liefde, wil ook deze bij zichzelven zoeken, in zichzelven vinden, — en er komt allerlei haat en boosheid, nijd en toorn voor den dag, haat tegen God en den naaste, vooral wanneer ons eigene zonde en ongerechtigheid ontdekt en voorgehouden wordt. Ja, gaan wij het maar na in ons eigen leven, in het openbare, zoowel als in het verborgene leven, — waar wij het bij onszelven zochten, in eigene kracht in eigene heiligmaking, hoe ver zijn wij daarmee gekomen, wat was de vrucht van alles? Ach, wanneer wij terugzien, moeten wij dan niet ons aangezicht bedekken en met beschaamdheid bekennen: het is zonde op zonde, goddeloosheid op goddeloosheid, wat in ons woelde en uit ons te voorschijn kwam, wat de vrucht van ons werken, van ons streven was, het waren enkel werken der duisternis, en wij staan daar als melaatschen, onrein van het hoofd tot de voeten, van binnen en van buiten, terwijl wij juist hadden gedacht, ons rein te maken. O, waar de mensch aan zichzelven is. overgelaten, aan zijnen eigen wil, zijne eigen krachten, welk een stroom van zonde en ongerechtigheid komt er uit hem voort; het eerste en tweede Hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen toont wel aan en houdt ons voor oogen, wat vrucht aan onzen boom groeit. H e t e i n d e der z e l v e is de d o o d . Giftige vruchten zijn h e t , waaraan wij ons het verderf eten. De zonde belooft wel allerlei bekoorlijks, allerlei genot; wat kan zij den armen mensch misleiden! wat kan zij hem al niet voortooveren en voor oogen houden, hem leven beloven, en het einde is toch de dood! Het gaat daarmee als met de valsche leer, de vreemde vrouw, waarvan wij in de Spreuken lezen. „Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, — t. w. den verstandeloozen jongeling — en dreef hem aan door het gevlei harer lippen; hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien; totdat hem de pijl zijne lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is", Spr. 7: 21—23. Yergel. Spr. 5: 1—6. Zoo is het met de valsche leer, de leer van de eigengerechtigheid, de eigenwillige heiligmaking en den vrijen wil; men heeft leven verwacht, maar het einde er van is de dood, zij voert tot huichelarij of vertwijfeling en ten slotte tot eeuwige verdoemenis.
Dat is het einde van den weg, wanneer men de zonde, d. i. de eigengerechtigheid, dient, wanneer men God de gehoorzaamheid opzegt om op eigene beenen te staan en te wandelen in zijnen vermeenden vrijen wil. Maar, vervolgt nu de Apostel, naast den weg des doods ligt de weg des levens, naast den vloek de zegen, naast eeuwig verderf eeuwig behoud. Daarom lezen wij verder Vers 22: M a a r nu, v an d e z o n d e vr i j g e m a a k t z i j n d e , en Gode d i e n s t - b a a r g e m a a k t z i j n d e , h e b t g i j uwe v r u c h t tot h e i l i g m a k i n g , of tot heilig gemaakt zijn, e n h e t e i n de h e t e e u w i g e l e v e n . De Apostel zegt dus: „Gij zijt van de zonde vrijgemaakt," — hij zegt Diet: gij moet u van de zonde vrijmaken, door mogelijk aan de genade nog eigen werk en verdienste toe te voegen, door het trachten klaar te krijgen door werken der Wet en eigenwillige heiligmaking, maar hij zegt: gij zijt vrijgemaakt, bevrijd van de zonde. Geen mensch kan zichzelven daarvan bevrijden. „Indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij z i j n , " zegt de Heere eenmaal, en hoe maakt nu de Zoon vrij, en hoe heeft Hij ons vrijgemaakt? Alzoo, dat Hij ons openbaart, wat Hij voor ons heeft gedaan, dat Hij in onze plaats is getreden, dat Hij op Zich heeft genomen onze zonde, onzen geheelen afval van God, toen Hij des mensehen Zoon werd, dat Hij al onze zonden op Zich heeft doen aankomen, onzen ouden mensch met Zich aan het kruis heeft laten nagelen, en alzoo der zonde is gestorven eens voor altijd. Alzoo, dat Hij ons den Geest des geloofs heeft gegeven, nadat wij hadden ervaren, hoe ellendig de zonde maakt, in welke verlorenheid wij zijn geraakt, juist toen wij het bij onszelven zochten en onze eigene gerechtigheid wilden oprichten, — toen wij zouden versagen en vertwijfelen, sprak Hij in het verslagen hart: „voor u", zoodat wij het in den angst en nood onzer ziel aangrepen en geloofden: dat hebt Gij voor mij gedaan, mijne zonde hebt Gij gedragen, voor mijne zonde zijt Gij in den dood gegaan, — en ons alzoo werd toegerekend de gerechtigheid Christi en wij in gemeenschap kwamen met Hem, het gezegende Hoofd. Zooals wij vroeger in gemeenschap stonden met Adam , zoo zijn wij, die gelooven, door de macht en genade Gods nu den tweeden Mensch , den Heere Jesus Christus ingeplant, om deel te hebben aan alles, wat Hij heeft verworven in Zijne gehoorzaamheid tot den dood. Daarom schrijft de Apostel van een „maar nu", in tegenstelling met een „toen", toen wij het zochten bij onszelven, toen wij meenden onszelven van de zoDde te kunnen losmaken, — waarbij toch altijd weder nieuwe zonden te voorschijn kwamen, waarbij wij toch altijd weder 's avonds afbraken, wat wij 's morgens hadden opgebouwd, — daarvan zijn wij nu los en vrij geworden door den dood van Christus, — of wij het nu zien of niet zien, gevoelen of niet gevoelen, of onze ervaring daarvoor of daartegen schijnt te spreken, — het blijft vast: in den dood Christi zijn wij van de macht der zonde bevrijd, — zalig zijn zij, die niet zullen gezien en nochtans geloofd hebben!
Zij zijn echter van de zonde vrijgemaakt door den dood Christi, door de genadige toerekening van de gerechtigheid Christi, in de gemeenschap met Hem, Die dood was, en ziet Hij leeft tot in alle eeuwigheid, dan zijn wij niet in eenig opzicht onze eigene heeren geworden, -— God zij geloofd en gedankt! — want wij zouden ons maar weer opnieuw in het verderf arbeiden, — wij zijn eens Anderen geworden, wij z i j n Gode d i e n s t b a a r g e m a a k t . Ook dat is niet geschied door de eene of andere daad onzerzijds, en kan ook door niets, dat w i j wellicht zouden willen doen en brengen, verworven worden. Integendeel, zoo spreekt David in den Ugdeu Psalm; nOcli Heere! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijne banden losgemaakt!" Hoe is hij dus Gods knecht geworden? Niet daardoor, dat hijzelf zijne banden, de banden der zonde en des duivels heeft losgemaakt, dat vermocht hij niet, maar daardoor, dat God het heeft gedaan, en omdat God het heeft gedaan, is hij Gods eigendom, is hij Gods knecht geworden, in den dienst Gods overgegaau. Zijn wij zoo Gods dienstknechten of dienstmaagden geworden, dan is deze troost ons deel geworden: „Ik ben met lichaam en ziel, beide in leven en in sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jesu Christi eigen, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft, — waarom Hij mij ook door Zijnen Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt". Zijn wij Gods dienstknechten en dienstmaagden, dan zijn wij geheel en al in Zijne macht, zoodat wij ons bij Hem houden naar het woord van Psalm 123: 2: „Zie, gelijk de oogen der knechten zijn op do hand hunner heeren, gelijk de oogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, alzoo zijn onze oogen op den Heere onzen God," cm te zien wat Hij doet, volbrengt en werkt. Wij zijn als Zijne knechten geheel en al in Zijne macht, zoodat Hij Zijnen wil aan ons volbrengt, zoodat ook al onze leden, ons denken en peinzen, wat wij zijn en hebben, in Zijnen dienst is, zoodat Hij het door Zijnen Heiligen Geest bestuurt en regeert, omdat wij weten, dat wij onszelven niet kunnen regeeren, en daarom aanhouden : Heere, regeer Gij mij!
Dat heeft zijne vrucht, — namelijk dat wij van de zonde -vrij en dienstknechten Gods zijn geworden, dat wij het dus niet meer zoeken in eigen kracht en eigen wil, maar dat wij Gods knechten zijn geworden en ons door Hem laten regeeren, waar het dan met ons willen en loopen uit is; — dat heeft zijne vrucht, gelijk hier staat: gij hebt uwe vrucht tot heiligmaking, of tot heilig gemaakt zijn. Juist waar wij alle eigenwillige en eigenmachtige heiligmaking prijsgeven en alles in Gods hand stellen en uit Gods hand verwachten, zullen wij de waarachtige heiligmaking deelachtig zijn, zoodat ons doen en laten naar Gods wil en welbehagen is, zoodat onze werken in God gedaan zijn, al moeten wij ook voortdurend van onszelven klagen, dat wij onnutte dienstknechten zijn, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. IIet zal toch waar zijn, wat de Catechismus als antwoord op de gg»t8 y r a a g z e g t ; Jat Christus nadat Hij ons met Zijn bloed gekocht heeft, het nu niet aan onszelven overlaat, om ons te vernieuwen, ons heilig te maken, maar dat Hijzelf ons door Zijnen Heiligen Geest tot Zijn evenbeeld vernieuwt. Wanneer een barmhartig heer uit louter goedheid een arm en ellendig bedelaarskind van de straat opneemt in zijn huis, en tot zijn kind maakt, dan zal hij het niet zijne vuile, verscheurde kleeren laten aanhouden, hij zal het ook niet aan hem overlaten , om zelf zulke kleeren te koopen en aan te schaffen als nu in dit voorname, aanzienlijke huis passen, maar hijzelf zal hem zulke kleeren schenken en aantrekken. Zoeken wij het alzoo niet bij onszelven, zoeken wij niet de Wet nevens Christus aan de hand te houden, zoodat het half Christus', half ons eigen werk is, — van deze zonde zijn wij vrijgemaakt, — zien wij veelmeer als dienstknechten, als dienstmaagden Gods op Zijne hand, geven wij ons geheel en al aan Hem over, —- schijne het ook, als zouden wij daarbij geheel werkeloos zijn en de handen laten rusten, — juist zoo zullen wij onze vrucht hebben, die wij anders op geenerlei wijze verkrijgen, overal te vergeefs zoeken , — wij zullen onze vrucht hebben tot heiligmaking. Zoo gaat het den overigen tijd onzes levens door en houdt niet op, totdat de laatste adem wordt uitgeblazen en de ziel wordt overgegeven in de hand des Vaders. W a nt h e t e i n d e is h i e r : e e u w i g ' 1 e v e n .
J a , het eindigt hier geheel anders dan in den dienst der zonde, waar men de genade laat varen en het wyeder bij do Wet zoekt, waar men God, den levenden God, laat varen en het bij zichzelven, bij het vleesch zoekt. De b e z o l d i g i ng d e r z o n d e is de d o o d ; daarmede betaalt de zonde hare krijgsknechten, die zij in haren dienst heeft, hoewel zij hun het leven belooft. Dat heeft zich van den beginne aan bewaarheid naar het woord: Door éénen mensch is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood, de geestelijke, de lichamelijke, de eeuwige dood. Het bewaarheidt zich nog voortdurend, gelijk de Apostel Jakobus schrijft: „De begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood." Maar de g e n a d e g i f t Gods is h e t e e u w i g e l e v e n , door J e s u s C h r i s t u s , o n z en H e e r e . Hier wordt niet gesproken van eene bezoldiging niet van een loon, daarvan kan ook geene sprake zijn, want wat zouden wij verdiend hebben ? Hier is sprake van eene gift, van een vrij geschenk. Juist daar, waar wij elke aanspraak op eenige verdienste, elk voornemen, om iets te willen verdienen, laten varen en alleen de verdienste van Jesus Christus laten gelden; waar wij a l z o o God dienen, dat wij ons aan Hem overgeven als voorwerpen Zijner genade, Zijner ontferming, daar verrast Hij ons met deze gift, — j a , geen oor heeft het gehoord, geen oog heeft het gezien, het is ook in geens menschen hart opgekomen, wat God bereid heeft voor degenen, die Hem lief hebben. De Heere Jesus heeft gezegd: „Wie in Mij gelooft" — dat is, zich aan Mij overgeeft tot zijne rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomene verlossing — „heeft het eeuwige leven," dat is: hij heeft vrede met God in Christus Jesus onzen Heere, een leven, dat door worsteling en strijd, door angst en nood, door diepe wateren en door heeten vuurgloed, door al het lijden van dezen tijd niet uitgedoofd kan worden, maar altijd weder opkomt, zich altijd weder handhaaft; immers dat leven heeft zijnen grond, zijnen oorsprong niet in ons, niet in ons doen, maar buiten ons in den Heere Jesus Christus; het wordt wel is waar hierbeneden menigmaal aangevochten, menigmaal verdonkerd; eenmaal echter wordt de vermoeide pelgrim overgezet in de woningen daarboven, in het Vaderhuis, dan is het gedaan met al de worsteling en strijd hierbeneden, met de moeite en ellende, versaagdheid en twijfel, dan worden alle tranen van de oogen afgewischt, en in het licht zien wij de gansclie waarheid en trouwe Gods, naar welke Hij ons niet heeft geleid naar onzen raad, maar eenen weg met ons is gegaan, die aan vleesch en bloed niet behaagde, niet eenen weg van zien, maar v,an gelooven, opdat het einde zou zijn een eeuwig aanschouwen en een eeuwig loven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Verklaring van den Brief van Paulus aan de Romeinen

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken