Bekijk het origineel

Uit den Schat der Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit den Schat der Kerk

19 minuten leestijd

Aanteekening op Psalm 30 :1—3-

Behoort bij Psalm 51. Zijn huis was door Absalom geschandvlekt geworden, nadat hij zichzelf aan Uria's vrouw vergrepen had. Hij is met hijsop ontzondigd; daarom is hij rechtvaardig en heilig. Zijne vijanden zijn gevallen en hij is opgericht door den ontfermenden God. Nu is hij weder naar huis gekomen uit den diepen kuil; daar reinigt hij zijn huis en maakt alles nieuw, gelijk hij zelf vernieuwd is.
Yers 2. Hij had zichzelven verontreinigd, en verklaagt zich daarom voor altijd, dat in hem ganschelijk niets goeds meer i s ; het is uit met den eigendunk en zelflof; hij kent geen eigen roem meer; hij prijst en roemt den eeuwig getrouwen Yerbonds-God, Die goddeloozen rechtvaardigt. „ O p g e t r o k - k e n " , vergelijk Psalm 130. Die ligt wel zeer diep in de hel, die, door den sterken God opgetrokken wordt. Zie, daar beneden, waar hij zoo diep gevallen was, grepen hem ook de eeuwige armen; zij verhoogen echter, zoodat men voor iederen vijand te hoog staat. „ N i e t v e r b l i j d " , zoo zouden dan de vijanden over hem gejuicht hebben, Psalm 40. Ha, ha, hij is gevallen en zal niet weder opstaan! De Filistijnen over u, Simson! Waar nochtans de vijanden over een kind Gods een zegegeschrei laten hooren, op de overwinning roem dragen, daar hebben zij het verloren en aan het verlorene en gevangene kind verschijnt de Redder en Uithelper; in éénen oogenblik is de strik verbroken.
Yers 3. Dat is een kranke van hart en hij heeft eene hopelooze krankheid en is dan ook. slechts te helpen door Hem, Die den hemel en de aarde geschapen heeft. David heeft gedaan, gelijk de Kananische vrouw en de vrouw gelijk David en die krank van hart is, handelt evenzoo. Roept gij Hem, zoo hebt gij Hem kranken te genezen in Zijn ambt. Schijnt Hij u te willen voorbijgaan — houd aan, zoo zal Hij Zich gewisselijk tot u wenden met den wagen Zijns heils. Gij hebt het van David vernomen: waar gij tot Hem roept, daar geneest Hij u, enkel door Zijnen wil.


Aanteekening op Psalm 32 : 2.

Welk een troostrijk woord is het, als wij lezen: „ w e l g e - l u k z a l i g is de m e n s c h , in w i e n s g e e s t g e e n b e d r og is", dat is, die niet verbergt, niet liegt, die niet zoekt zijne schande te bedekken, zijne misdaad en ongerechtigheid te verhelen, te verzwijgen en te verschoonen, maar die tot den Heere gaat, Wiens gerechtigheid in het Evangelie geopenbaard geworden is, uit het geloof tot het geloof, en zijn hart voor Hem uitschuddend, zichzelven verklaagt en veroordeelt, God rechtvaardigt. Zijne wet als goed en heilig erkent, zijne overtredingen belijdt, in den naam van Jesus Christus gelooft en in God, Die de goddeloozen rechtvaardigt uit het geloof alleen, zonder de werken der Wet. Waar Christus komt, wordt eens iegelijks werk openbaar, als niet in God gedaan, en daar wordt dan geen geloof gevonden, maar alles ergert zich aan Hem. Zoo zoekt Hij dan en maakt zalig, wat verloren is.


Aanteekening op Psalm 47- Vers 2.

„ A l l e gij vo 1 k e n " , ik breng u zooveel goeds, waarvan ik zingen en spreken wil. Gijlieden in uwe gevangenis, in uwe banden, hoort de bljjmaar: gij zijt vrij; gij zijt niet meer . onder den vloek; gij zijt voortaan gezegend in het zaad, aan Abraham toegezegd. Dat gaat den Joden niet alleen aan; gij zijt van het koninkrijk der hemelen niet meer buitengesloten. Onze groote God en Zaligmaker heeft het gezegd: onderwijst alle volkeren, dezelve doopende. Rom. 11 : 25, 26. Jesaia 54 : 5.
„ K l a p t in de h a n d " . En gij, mijne ziel, klap gij ook met de handen, 2 Koningen 11 : 12: zij klapten daar met de handen en zeiden: de koning leve! Psalm 98. Dat zijn de echte goede werken.
„ J u i c h t G o d e " — juicht Christus, Uwe afgoden konden u niet helpen, niet genezen, niet zalig maken. Thans hebt gij den waren God in den hemel; Die zendt u de blijde boodschap van dit heil, — dat, wie in Hem gelooft, Zijnen Naam aanroept, zalig wordt Jesaia 35 : 3, 4. Hst. 42 : 10—12.
„Met e e n e s t e m v a n v r e u g d e g e z a n g . " En gij mijne ziel, doe hetzelfde. Weest thans de dagen uwer ellende vergeten ! gij zult niet meer weenen noch zuchten onder het juk van de harde dwingelandij des duivels en der zonde. Zingt met luider stemmen van de vrije genade; komt er openlijk voor uit, wiens dienstknechten en vrijgelatenen gij geworden zijt. Jesaia 45 : 22—24.
Yers 3. „ W a n t " — Gij hebt alle reden daartoe — „de H e e r e Jesus Christus, gisteren en heden Dezelfde in alle eeuwigheid, Jesaia 5 3 : 4 , 12. „De A l l e r h o o g s t e is v r e e - s e l i j k " — is alleen ,te eeren en te vreezen, Jesaja 8 : 13. Zoo is dan de duivel niet meer vreeselijk, ook niet de dood; vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden. Het jaar Zijner wraak is daar. Hij zal den ellendige helpen, die tot Hem roept, maar Zijnen vijanden zal het bang zijn ; Psalm 72 ; Jesaja 61 : 2. Hij heeft Zich hoog gezet en doet wonderlijke dingen. „Een g r o o t K o n i n g " — groot in Zijne Koninklijke heerschappy der genade, een Koning der koningen, een Heer der heeren. Groote God, Gij hebt ontferming lief; Filipp. 2 : 9 — 1 1 ; Psalm 9 7 : 1 ; 9 8 : 1 ; 9 9 : 2 , 3 ; Matth. 2 8 : 1 8 ; Psalm 2 : 6 — 8 . „O v e r de g a n s c h e a a r d e " — niet in den hemel onder de engelen wil Hij groot zijn; daar is Hij het vanzelf, maar op de aarde bij vloek- en doemwaardige zondaren; daar openbaart Hij Zijne heerlijkheid, terwijl Hij uit allen nood des lichaams en de» ziele redt en met zulk eene heerlijkheid Zijner Koninklijke goedertierenheid en genade vervult Hij de gansche wereld. Jesaia 6 : 1; 40 : 5; 42 : 4; 43 : 20. Yrede op aarde door dezen Koning. Hij brengt door Zichzelven te weeg, dat wij vrede hebben met God en met elkander. Jesaia 9 : 6 , 7; 11 : 8, 9. Psalm 87. In welken hoek der aarde gij u ook bevinden moogt, Hij is u, heidenkind, wel nabij, zoodat Hij Zijn oor tot u neigt, als gij tot Hem roept. Jesaia 49 : 6.
Yers 4. „Hij b r e n g t " , dewijl Hij onwederstaanbaar is, als Hij Zijne genade verheerlijken wil. Doorbreker is Zijn Naam. Dat is gewisselijk naar waarheid. Zijn Woord keert niet ledig weder. „De v o l k e n " , die tot nog toe niets van Hem willen weten. Psalm 4 5 : 5 , 6. „ O n d e r ons", zoodat zij dankbaar met ons Hem als Koning hulde bewijzen, onder onzen wijnstok en onzen vijgeboom zitten en zich toch onder de waarheid voegen moeten Jesaia 55 : 11. Door Zijne gerichten, voorts door het Evangelie en onze belijdenis brengt Hij „de n a t i ë n " , hoe vijandig ook „ o n d e r o n z e v o e t e n " , zoodat zij ook het oor leenen aan de leer om die aan te nemen.
Vers 5. „Hij v e r k i e s t " , zondert af naar Zijne eigene keuze, wat geen volk en niet ontfermd was. „ V o o r ons", zoo luidt het in den Hebreeuwschen tekst, voor ons geloovigen uit de Joden, van degenen, die als uit de werken der wet zalig willen worden, uitgestooten, maar door God uitverkoren, en voor u, o volkeren. „Onze e r f e n i s " , die heeft Hij voor ons uitgezocht, terwijl de eigenlijke erfgenamen ze verwierpen. Wat is de erfenis? Vergelijk Rom. 9 en 1 Petrus 1 : 4 . „De h e e r l i j k h e i d J a k o b s " , tegenover de hoovaardigheid van den trotschen en eigengerechtigen Esau. Maleachi 1 : 2—4. Obadja Vs. 21. „ V a n J a k o b " , die bezwijken moet, met God worstelt, boven komt, gezegend wordt en alles in genoegzame mate ontvangt. „ S e l a " . Hier rusten wij en overleggen al deze woorden en zangwijzen in ons harte
Vers 6. Van waar dat alles? Wat is de grond van zulk eene macht en heerlijkheid, waarover de cllendigen Gods in blijdschap en juichen losbreken? De grond daarvan is: het gepredikte Woord in den Geest des Heeren Zebaoth. Daarom „God". Die opvaart, moet eerst nedergedaald zijn; God de Vader kan hier niet bedoeld zijn ; Die is niet opgevaren, God is een Geest! Zoo is hier dan sprake van Christus, gelijk ook Christus als God aangesproken wordt. Psalm 68 : 19 ; Psalm 45 : 7 Christus is God, of wel deze Psalmen zijn tegen het eerste gebod — zie ook Efeze 4 : 7 —10 en Hebr. 1; Johannes 8: 28; Rom. 9 : 5 , — God en te gelijk waarachtig mensch, want naar Zijne menschheid vaart Hij op, Hij, Die God is. 1 Tim. 3 : 16. „ V a a rt op". God vaart op, onbegrijpelijke wonderspreuk, als: het „lichaam van Jesus" vaart op. Vergelijk het brandoffer en Richteren 13 : 20. Hij is hooger geworden dan de hemelen, Hebr. 7 : 27, Psalm 68 : 18, 19; Efeze 4 : 7—10; Hebr. 4 : 14—16; Hebr. 7 : 24, 25. „Met g e j u i c h " . Hij Zelf juicht en al Zijne heilige engelen, die Hem in Zijne opvaart omringen, juichen met Hem. Hand. 1 : 1 1 , Psalm 68 : 16. Nu kunnen alle volkeren juichen en welgelukzalig het volk, dat juichen kan. Psalm 89 : 16, Waarom juicht Hij? Hij dringt door alle hemelen heen, neemt voor de Zijnen als Zoon, als God, als Borg, als Middelaar, van den hemel bezit. Psalm 118 : 19. Hij wil voor God verschijnen met allen in Zich en voor allen, die de Vader Hem gegeven heeft en die Hij Zich met Zijn bloed gekocht heeft. Juich met Hem, mijne ziel. — „De H e e r e ', in 'tHebreeuwsch Jehovali, Hebr. 1: 10, „met g e k l a n k der b a z u i n ." Overwinningsmuziek, tot verschrikking en verdrijving van den overste van de macht der lucht, Efeze 6 : 1 2 , Hst. 2 : 2, tot vreugde van alle heilige engelen en volmaakten. Zoo zal de Heere wederkomen, 1 Cor. 15: 32. 1 Thess. 4 : 15, met de bazuin Gods.
Vers 7. „ P s a l m z i n g t , p s a l m z i n g t , p s a l m z i n g t, p s a l m z i n g t , " viermaal naar alle zijden der wereld, „ o n z en God, o n z e n K o n i n g " — der Joden, Hij, Christus Jesus, Jesus van Nazareth, Christus, de Gekruisigde. Wat kan ons nog deren, wat ons ontvallen, wat ons schaden? Wat zullen wij niet ontvangen en bekomen bij al onze onbekwaamheid, zonde en verkeerdheid, nu Jesus Christus onze God en onze Koning is? Maken wij onszei ven te schande, en klagen ! wij onszelven aan; veroordeelen wij onszelven, gelijk ons geweten ons aanklaagt, duivel en wereld ons veroordeelen, gelijk ook de wet met hare vervloekingen, — maar psalmzingen wij Hem, Psalm 65: 1; 66: 2; 50: 14, 23; 33: 1. Hebr. 13 : 15. Zoude ik mynen God niet zingen? Zulk ] psalmzingen heeft meer met de belijdenis en de werken, dan met letters en woorden plaats. Psalmzingt Hem, zoo verhoort Hij uw gebed. Psalmzingt Hem, zoo zal de duivel van u vlieden! Psalmzingt Hem, zoo moet de verklagende wet en het beschuldigend geweten zwijgen. Psalmzingt Hem, zoo moet de wereld der eigengerechtigen voor u verstommen.
Vers 8. „ W a n t " , Hij, de Heere Jesus, „God", de Almachtige, i s een K o n i n g " der gerechtigheid en des vredes, „der g a n s c h e a a r d e " , dus ook van mij, aardworm, Zach. 8 : 20 — 22, Koning allerwegen, van een iegelijk, die in Hem gelooft en gaarnp onder Zijnen sehepter leeft. Ook behoort de aarde dezen Heere, en de duivel en de wereld zijn niet koning over de Zijnen, de zonde ook niet. Zach. 14: 9. „ P s a l m z i n g t met e e n e o n d e r w i j z i n g " , Rom. 7: 1—4, Col. 2: 18, 19; Hebr. 5: 14; 13: 9. Het spreekt in het diepte des gemoeds van eenen geloovige: Onder al het woelen der dingen hierop aarde is mijne hope, mijne verwachting op U alleen, ja op U, Heere Jesus Christus. Dat weet ik: Gij zijt mijn Heiland! Buiten U vind ik nergens waren troost.
Yers 9. „God", Christus „ r e g e e r t " , als Koning der gerechtigheid en des vredes, over de H e i d enen, de volkeren, de g o j i m , over de verachte Gaiileërs en niet over de eigengerechtige Joden alleen, hoe zij ook deswege tegen ons vergramd zijn. Deze, indien zij Hem niet huldigen willen, zal Hij voor Zijne voeten doodslaan. Hij „zit op den t r o o n" en zal daar ook wel zitten blijven, hoe ook Zijne vijanden er aan schudden, en geeft den Zijnen rust en vrede. „Op den t r o o n " Ps. 110: 1; 89: 15; 45: 7, 8; Zach. 6: 13 („en de raad des vredes zal tusschen die beiden'' Vader en Zoon, „wezen ') Openb. 1: 6; 3: 20 „Z ij n e r hei li g h ei d." Nu zult gij de waarachtige heiligheid niet derven. Ezech. 2 0 : 1 2; Rom. 6: 22; 7 : 5 , 6; Joh. 15: 5; 17: 17, 19; 1 Cor. 1: 30; 2 : 7 , 8; Hebr. 2: 11; 8: 10; 10: 11; 9: 14 ; Efeze 5: 25—27; 1 Cor. 6: 11; Ezech. 16: 8—12.
Yers 10. „De edelen", die zichzelven verloochenen, het hunne gaarne prijsgeven, om dezen God en Koning hulde te bewijzen, „der v o l k e r e n " , die toch over groote macht te beschikken hadden, maar Hem als den Zone Davids erkenden en huldigden, — Ps 45 : 13; Jes. 52 : 15; 49 : 23 ; 60 : 16; Ps. 7 2 : 9 ; Openb. 2 1 : 2 4 ; Matth. 2: 1 — 11; „zijn verz a m e l d tot het volk" — Psalm 8; Matth. 8 : 8 — 1 1; Ps. 113 : 8 ; Hand. 4 : 32; — v a n den God A b r a h a m s ", van den levenden God, in "Wien Abraham geloofd heeft, en liet is hem tot gerechtigheid gerekend. Die God houdt Zijn Woord en Zijne trouw, heeft vervuld wat Hij aan Abraham beloofd heeft: in uw zaad, dat is in Christus, Col. 1 : 16, 17. „ W a n t " , — geen wonder; Hij, Christus, is aller heeren Heer en trekt ze allen tot Zich, opdat het één Herder en ééne kudde zij. Zijn volk is gansch gewillig op den dag Zijner heirkracht, Ps. 110 en Ps. 68 : 23, 29, 3 2 - 3 4 ; Ps. 22 : 28—30; Jes. 2 5 : 6 — 9. „De s c h i l d e n d e r | a a r d e " . Wat zijn de eersten of edelen met hunne wapenschilden en deviezen? Yorsten. Hos. 4 : 18. Heeren, die als het ware schild, scherm en schutsmuur der aarde of der volken zijn. Dezen zullen erkennen, dat zij zeiven zonder beschutting, bescherming en alzoo weerloos zijn; dat het met hunne macht uit is, wanneer zij niet onder den sehepter des Heeren Jesus regeeren en tot Zijn volk en onderdanen behooren. Zij zullen zich onder de beschutting en genade des Heeren Jesus begeven en Hem aldus aanroepen : In ons is geene kracht, maar onze oogen zijn alleen op U! en zij zullen Hem aanroepen als hun schild, zooals Koning David deed en zooals Christus Zelf in"de dagen Zijns vleesches Zijnen Yader aanriep, Ps. 18 : 3. „ Z i j n Godes", van Christus, niet van den duivel, noch van zijnen helper, den paus. Van Christus zijn de schilden, van den El Gibbor, van den Sterken Held, „zeer v e r h e v e n " . Met onze macht is niets gedaan. „Voor ons strijdt een andere man. Hij zal het veld behouden". En al ware de wereld vol duivelen, een vaste Burg is onze God. Onze vertaling geeft: „de s c h i l d e n der a a r d e zijn G o d e s ; Hij is zeer v e r h e v e n " . Ook de Syrische overzetting heeft: „ z i j n Godes". Gen. 15: 1. Vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot. Ps. 84 : 12. God de Heere is eene zon en een schild; de Heere geeft genade en eere; Ps. 103: 19—22; 135: 5, 6; 144: 1, 19—21.


Aanteekening op Psalm 48.

Vers 2. „De H e e r e is g r o o t . " — Groot, Hij kwam van den hemel om onder ons te wonen; groot in de kribbe, groot aan het kruis, gelijk als in al Zijn lijden; groot in Zijne daden. Uit zonde, uit vloek, uit den dood doet Hij gerechtigheid, zegen en leven te voorschijn komen; „en z e e r te prijzen"—• wegens Zijnen Naam Jesus. — „Ii^ de Stad", de stad zijn de geloovigen, Jes. 26. Openb. 21. De „berg" is Gods belofte van Christus, Zijne genade en waarheid.
Vers. 3. Het gansche land, „de g a n s c h e aarde." „Aan de ziijde van liet N o o r d e n " , aan de zijde van den duisteren middernacht, van het donkere dal, de slijkerige beek Kidron, tegen de hel en allen tegenstand.
Vers 4. „ P a l e i z e n " — dewijl de geloovigen koningen zijn, wonen zij in paleizen.
Vers 5. „De k o n i n g e n " , Sanherib, Herodes, Pilatus, Kajafas, en zoovele machtigen der wereld „waren verg a d e r d " , Ps. 2; „zij w a r e n te z a m e n d o o r g e t o g e n ;" zij konden niets uitrichten; Ps. 46.
Vers 6. „Gelijk zij h e t z a g e n , w a r e n zij verwonderd", hoe toch de zwakheid sterker was dan hunne macht. Een zal er duizend jagen, en tien tienduizend.
Vers 8. S c h e p e n van T a r s i s . " De macht der wereld vernietigt Gij door Uwen Geest des gerichts.
Vers 9. „Gehoord hadden" in de prediking Uw» Woords, van onze vaderen, van Uzelven in Uwe beloftenissen; „alzoo h e b b e n wij g e z i e n " ; wij zien met onze oogen, wat wij nooit gedacht hadden. „Zal haar b e v e s t i g en in e e u w i g h e i d " ; zie Ik ben met ulieden alle de dagen; de poorten der helle zullen Mijne Gemeente niet overweldigen.
Vers 10. „ W e l d a d i g h e i d " , want wij hebben het niet verdiend, en de vijanden beproeven het telkens en telkens weder; „ g e d e n k e n " , het eenige en beste werk des geloofs; „temp e 1", waar Uw offer en de troon der genade zich bevinden.
Vers 11. „Uw Naam", Sterke God, Heiland, Jesus; „Uw r o e m " : Hij heeft alles welgedaan; „vol van g e r e c h t i g - h e i d " , goddeloosheid kan Hij niet aannemen, ook geen stofje, en nu ligt daarin eene oneindige betaling voor de schulden Zijns volks; „Uwe R e c h t e r h a n d " , voorrechten, aan Zijn volk geschonken.
Vers 12. „De d o c h t e r e n van J u d a " — kuische zielen, die'liet Lam volgen, waar het ook henengaat.
Vers 13. „Torens". Gods genadebetooningen, Zijn verbond en Zijne beloftenissen.
Vers 14. „Hare v e s t i n g " of muren: hulpe, heil, waarheden.
Vers 15. „Eeuwig en a l t o o s " : Hij laat niet varende werken Zijner handen. „Als de jeugd" blijven wij eeuwig jong, worden nooit oud of zwak, terwijl Hij ons geleidt. Wij. zijn onsterflijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

Uit den Schat der Kerk

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1891

Amsterdamsch Zondagsblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken